Foto bij 117 - Emmeline

Ze zijn nog in leven.
De boodschapper die vooruit gestuurd is brengt ons het heugelijke nieuws en kondigt de terugkeer van de troepen aan.
Er zijn mannen gesneuveld, uiteraard, maar hoeveel is niet duidelijk. Het enige dat duidelijk is is dat zowel Lucien als Eschive nog in leven zijn.
Ik heb voor ze gebeden, elke dag en nacht. Geslapen heb ik niet, op een aantal onbedoelde dutjes na.
Telkens als ik mijn ogen sluit zie ik de mannen voor me, ruik ik hun geur en hoor ik hun stem. Elke beweging, elke aanraking, alles komt terug.
Als ik wel in slaap val, per ongeluk, heb ik nachtmerries. Nachtmerries waarin de deur niet geopend werd, en waarin ze hun volledige gang konden gaan. Waarin mijn keel doorgesneden werd nadat ze me misbruikt hadden. Of waarin ze die van Lucien doorsneden nadat hij toe moest kijken.
Dus besluit ik niet meer te slapen, voor zover dat kan. Ook in Portugal is het concept koffie overgekomen, en hoewel ik het nog steeds een walgelijke smaak vind hebben, wordt het mijn beste vriend.
Ik hoop dat de dromen ophouden zodra de mannen berecht zijn, maar weet tegelijkertijd dat die kans klein is. Alleen tijd kan daar voor zorgen.
Ik heb een andere kamer aangevraagd binnen het kasteel, iets waar de koning onmiddellijk voor zorgde toen hij de paniek in mijn stem hoorde. Ik wil hem niets vertellen over de reden, maar gelukkig stelde hij geen vragen. Hij begrijpt hoe traumatisch die nacht voor me is geweest, zelfs zonder de details te weten.
Hij begrijpt het zo goed dat hij een wacht aanstelt om over me te waken als ik slaap. In een stoel bij de deur, een zwaard in zijn hand, zit hij elke nacht een aantal uren terwijl ik doe alsof ik slaap. Hij heet Gilberto, en spreekt maar enkele woorden Engels, maar we begrijpen elkaar.
Hij weet dat ik niet slaap, maar zit rustig in de hoek van de kamer tot ik zogenaamd ontwaak, en ik mag hem Gil noemen.
Ook de ochtend van de terugkeer zit Gil in zijn stoel, en glimlacht hij naar me als ik recht overeind ga zitten. Ik moet even ingedut zijn, want er staat ontbijt op de tafel naast mijn bed.
"Goedemorgen," de jonge man, ik schat hem hooguit 19, staat nooit meteen op uit zijn stoel, maar stelt me altijd even gerust. "Você dormiu ben?
Ik schud mijn hoofd, zoals elke ochtend. Tegen de rest van het kasteel kan ik doen alsof, maar deze man wordt betaald om te kijken hoe ik mezelf zo lang mogelijk wakker houd.
"Pesadelos?" Nachtmerries, ja. Natuurlijk weet hij dat. Ik knik. "Eles passarão.
      De Portugese vrouwen hijsen me in een nieuwe jurk. Hij zit te strak, en is op alle mogelijke manieren oncomfortabel, maar ik heb de energie niet om er iets van te zeggen.
In de verte klinkt geschreeuw, een salvo om aan te kondigen dat er koninklijk bezoek komt. Lucien.
Mijn voeten leiden me naar de ingang van het kasteel, waar de koning en koningin beiden staan. Ze staan daar alsof er nooit iets gebeurd is, alsof hun troepen terugkeren van een jachtuitje in plaats van een slagveld.
Op dat moment besluit ik om bij terugkomst in Frankrijk om lessen te vragen. Verdedigingslessen. Mocht zoiets me ooit nog overkomen, wil ik me kunnen verdedigen. Ik wil met een zwaard kunnen vechten, om me nooit meer zo angstig te hoeven voelen als ik me voelde toen er vreemde mannen in mijn vertrekken binnenvielen.
De poorten openen en in de verte is de groep te zien. Het is indrukwekkend, de hoeveelheid mannen, maar maar een paard valt me op.
Dat met Lucien er op, en Eschive bij hem. Ze huilt, dat is van ver al te zien, maar het lijkt enkel opluchting te zijn, in combinatie met trauma van wat haar de afgelopen dagen overkomen is.
Ik mag me niet zo opvreten over wat ik doorstaan heb, want haar leed is duizend malen erger. Dat moet het zijn, ze was helemaal alleen bij volwassen mannen die haar iets aan wilden doen, enkel om de familie waarin ze geboren is.
Ze wordt, in de minuten die daarop volgen, van het paard gehesen. Ze is gewond, dat is te zien, maar ze leeft. Dat is het enige dat er nu nog toe doet.
Volledig tegen de regels in verwijder ik me van het zielige ontvangstcomité dat ontstaan is, en ren ik het kiezelstenen pad op.
Het meisje strompelt, lijkt amper op haar benen te kunnen staan, en huilt tranen met tuiten.
Ze ruikt naar vuur, bloed en tranen als ik haar in mijn armen sluit. Haar haren hangen los om haar gezicht, dat volledig nat is. Ze snikt tegen mijn borst terwijl ik kussen op haar kruin druk.
"Ma bibiche..." ik huil met haar mee, geluidloos en van diep in mijn lichaam. "Oh, je bent er. Je hebt het overleefd. Je bent zo sterk, bibiche, zo sterk."
Ze zegt niets, huilt enkel. Ik zit op mijn hurken, een gebroken jonge vrouw in mijn armen, voor een bataljon aan mannen op paarden, die langzamerhand binnen komen zetten.
Niemand lijkt om ons heen te durven, alsof alles dat hier gebeurt een toneelstuk is dat niet verstoord mag worden.
Het liefst zou ik Lucien hier bij betrekken, hem in mijn armen nemen en smeken dat hij nooit meer weggaat, dat hij voor altijd veilig bij me blijft.
Maar zelfs na dit drama is dat niet veilig. Misschien zelfs juist na dit drama.
Ik heb geen idee hoe lang we daar zitten, maar na een tijd haalt Eschive haar hoofd van mijn borstkas en kijkt ze me aan, waarna ze naar Lucien kijkt. Die staat inmiddels naast zijn paard, bewegingsloos. Alsof dit alles in stappen moet vergaan, en de volgende stap niet in werking gezet kan worden tot de huidige afgerond is.
Hij loopt naar zijn zusje toe en tilt haar op, alsof ze een baby is. Ik hoor hem dingen mompelen, zacht en in het Frans, en onze ogen ontmoeten elkaar.
Ik kijk naar hem, hij kijkt naar mij, en we knikken. Alles spreekt boekdelen.
Ik ben zo blij dat je leeft, moeten die van mij schreeuwen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen