Foto bij 118. - Lucien

Eschive wil niet dat ik haar alleen laat, dus dat doe ik niet. Ik ben zo moe, zo emotioneel uitgeput dat ik niet meer na kan denken. En dus hou ik haar tegen me aan terwijl de chirugijn haar been hecht, en lieg dat haar aanvallers dat hebben gedaan toen ze probeerde te vluchten. Ik wieg haar als ze huilt, omdat de verdovende middelen niet genoeg helpen. Ik zing voor haar in de hoop de pijn te verlichten, droog haar tranen tot de zakdoek geen druppel vocht meer kan vasthouden. Als de chirugijn aanbiedt mij te onderzoeken, weiger ik. Eschive moet slapen, en ik betwijfel dat ze dat doet als ik er niet ben.
Hij weet me te overtuigen om in ieder geval een spalk aan te meten voor mijn pols, die gebroken is. Dat is alles wat ik hem laat doen. De wonden mag hij komen verzorgen zodra Eschive slaapt.
De koning heeft een nieuwe kamer gereed gemaakt voor haar, en vertelt me tussen neus en lippen door dat hij dat ook voor Emma heeft gedaan. Ik wil vragen waarom, maar vind er de kracht niet voor. Ik vraag het later wel aan Emma zelf.
Ik draag Eschive naar haar nieuwe kamer, die in niks op haar oude vertrekken lijkt. Het ruikt er naar vanille en een fruit dat ik niet thuis kan brengen. Nadat ik haar heb ingestopt, duurt het niet lang voordat ze in slaap valt. Ik sla een kruis met een kort gebed dat ze geen nachtmerries krijgt. Ze heeft alle rust nodig.
Ik blijf naast haar liggen, met geen enkel uitzicht op slaap ondanks de vermoeidheid. Na een paar uur komt de arts. Hij behandelt de wonden die dat nodig hebben en beveelt me rust te houden. Ik was niet van plan om iets anders te doen. Na zijn vertrek ga ik weer naast mijn zusje liggen. Opgerolt tot een klein balletje, met de opgedroogde tranen nog op haar wangen. Ze moet zich wassen. Ik ook. Morgen.
Als ik mijn ogen sluit, zie ik Emma. Ik zou willen dat ze naast me lag, dat ik haar vast kon houden en me zou herinneren aan betere tijden. En op hetzelfde moment wil ik dat niet. Ik wil terug naar de tijd voor Emma. Toen alles rustig en ongecompliceerd was, zonder ingewikkelde liefdesgevoelens en ontvoeringen. In plaats daarvan strijk ik met lichte hand door Eschive's haar, terwijl ze vredig ligt te slapen.
Zij is nu veilig.
Halverwege de nacht wordt ze wakker. Slaperig kijkt ze me aan, en vertelt me dan weg te gaan. Niet omdat ze me zat is, maar omdat... weet ik niet. Ze wil me niet tot last zijn. Ik wil haar niet tegenspreken, maar laat haar beloven dat ze me laat halen zodra ze dat wil. Dat belooft ze.
Alles is een waas. Mijn hoofd functioneert niet. In die verdoofdheid begeef ik me naar de bibliotheek, in de hoop dat de boeken daar me de rust kunnen brengen waar de rest van de wereld dat niet kan. Zoals ze dat vroeger deden.
Is er nog iets over van vroeger? Alles waar ik waarde aan hechtte, amper twee jaar geleden, lijkt me door de vingers geglipt te zijn. Niets is meer wat het lijkt en niets is meer zeker. Ik ben uitgeput. Geen van de boeken trekt mijn aandacht genoeg om te blijven lezen; na een paar zinnen dwalen mijn gedachten weer af naar niks. Na een uur verlaat ik de bibliotheek weer.
Ik vind mezelf voor de deur van Emma's nieuwe vertrekken. De wachten kijken me argwanend aan; ik heb ze niet eerder zo paraat gezien. Als ik vraag of ik naar binnen mag, weigeren ze me toegang. Het laat me nog verlorener voelen dan eerst. Ik wil gewoon met haar praten, haar stem horen. Het enige constante in mijn leven waar ik niet tegen op zie.
Ik dwaal. Ik dol, ik wandel zonder doel, ik weet niet wat ik met mezelf aan moet. Alles draait en tegelijkertijd staat alles helemaal stil. Ik doe het enige wat ik me op dit moment nog kan bedenken: ik ga naar de kerkers. De vijf mannen die we in hechtenis hebben genomen, staan allemaal onder zware bewaking. Twee van hen hebben Eschive ontvoerd. Drie van hen voldeden aan de beschrijvingen die Emma me gegeven heeft. Hun namen willen ze niet geven. Morgenochtend zullen ze worden verhoord, met alle middelen nodig. Morgenavond worden ze, ongeacht de informatie die ze hebben uitgespuugd, veroordeeld tot de dood. De koning liet al weten dat het aan mij en Emma is of we dat hier uitvoeren, of dat we ze meenemen naar Frankrijk. Daar ben ik nog niet over uit. Het liefst wil ik ze zo snel mogelijk uitroeien, maar in Frankrijk staat de guillotine te wachten. Ik zal het er met Emma over moeten hebben.
De wachters begroeten me als oude vrienden. Het verhaal van mijn leiding heeft snel de ronde gedaan onder de paleiswacht, en het heeft me geliefd gemaakt. Ze bieden me wijn aan, die ik met alle liefde aanneem. Ik ga tegenover de cel zitten van de man waarvan ik wel zeker weet dat hij bij Emma was. In het flikkerende licht van de fakkels lijken zijn ogen vuur te spuwen.
"Morgenochtend," zeg ik zachtjes. "vertel jij alles wat je weet. Het maakt me niet uit wat we moeten doen om daarvoor te zorgen. We beginnen bij je nagels. Eén voor één. Je tanden. Je vingers. We breken je ribben en je tenen. Hete poken tegen je huid, we branden je ogen eruit. Het maakt me niet uit hoeveel je lijdt, of dat het er voor zorgt dat ik naar de hel gaat. Jij en je vrienden zullen alles opbiechten en daarna gaan jullie aan de strop."
Hij grijnst alleen maar. "Ela era linda. Suave. Eu gostava dela."
Ik frons. Waar heeft hij het over? Hij lacht, een ijskoud geluid dat de rillingen over mijn rug laat lopen.
"Pena que não houve tempo suficiente." Zijn grijns herinnert me aan een haai, zo eentje waarvan mijn vader een gebit in zijn studie heeft hangen. "Eu teria gostado dela..."
Hij kraamt onzin uit, waarschijnlijk simpelweg om me te pesten. Ik trap met alle kracht die ik bezit tegen de tralies, die nagalmen in de hele kerkers. Hij lacht alleen maar, en draait zich van me weg.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen