Foto bij 119 - Emmeline

Ik werd door mijn dames gekleed in een rode jurk. Bijna bloedrood. Ik weet niet of dat met opzet was, om vandaag nog meer om al het verlies te laten draaien. Al het bloed dat er gevloeid heeft in het kasteel. En voor wat?
Zodra ik mezelf in de spiegel zie verzoek ik ze om iets anders voor me te kiezen. Het liefst iets zwarts. Donker, en somber.
Het neerzetten van mijn voeten op de trappen galmt door de ruimte. Alsof iedereen moet weten dat ik er aan kom.
Er wordt van me verwacht dat ik de mannen identificeer, normaal gesproken om geen onschuldige mensen ter dood te veroordelen. Nu is zeker dat deze mannen niet onschuldig zijn, ze maakten hoe dan ook deel uit van de groep met haviken op hun kledij, maar als ze niets te maken hadden met wat mij overkwam kunnen ze simpelweg onthoofd worden, zonder enig theatraal gedoe.
Er staan twee wachten aan weerszijden van me, die elke stap die ik zet in de gaten houden en op exact hetzelfde moment ook zetten.
De kerkers zijn kil, en doen me denken aan de catacomben in Frankrijk door het gevoel dat ze me geven. De catacomben, die ik voor het laatst bezocht toen ik zwanger was, met Aleran aan mijn zijde.
Ik heb veel aan hem gedacht, de afgelopen dagen, en aan mijn kinderen. Ik heb naar God gebeden dat hij me kracht geeft om dit te doorstaan.
Lucien is al aanwezig als ik eindelijk het einde van de trappen, die een eeuwigheid naar beneden lijken te gaan, bereik.
Hij ziet er slecht uit, is het eerste dat ik zie. Moe, bijna uitgeput. Niet meer zo wanhopig als ik hem zag in de troonzaal, maar een ander soort onrust hangt nu over hem heen. Ik kan me niet voorstellen wat hij heeft meegemaakt. Wil het me niet voorstellen.
We praten niet, kijken elkaar alleen even bemoedigend aan.
Hij begeleidt me, samen met de wachten, die ook in grote getallen beneden aanwezig zijn, naar de eerste cel.
De man die van achter de tralies naar me terugkijkt geeft geen kik. Ik herken hem niet. Hij heeft een sik en een walgelijke blik in zijn ogen, maar het is niet de man die mijn handen vastgreep.
Een golf van opluchting, gemengd met teleurstelling, gaat door me heen. Ik hoop dat ze gevonden zijn, maar ik voel me nu al ziek. Ik weet niet hoe ik reageer als ik ze in hun ogen aan moet kijken.
Overtuigd schud ik mijn hoofd. "Dit is hem niet. Não é.. não é ele."
Optimistisch wordt me verteld dat er nog twee mannen opgepakt zijn. Dat zouden ze kunnen zijn.
Maagzuur borrelt omhoog, maar ik slik meerdere keren om het niet meer te voelen. Met Lucien aan mijn zijde, de wachten achter ons, lopen we naar de volgende.
De ogen die in de mijne kijken staan bijna trots. Ik voel zijn handen weer om mijn polsen. Alvaro. Ik kijk Lucien aan en knik.
Die seint, met de kleinste beweging, twee van de bewakers, die hardhandig en ruw de man uit zijn cel sleuren. In de richting van de kamers waarin alle misdadigers, misschien wel uren, gemarteld zullen worden. Een voor een, of meerderen tegelijk. Als wraak voor alle gesneuvelde mensen aan de goede kant. Als wraak voor wat ze Eschive aandeden.
"Prochain?" Met trillende handen knik ik. Heel even reikt Lucien met zijn hand naar de mijne, maar ik weet niet hoe snel ik mijn hand terug moet trekken. Misschien, zodra deze mannen veroordeeld zijn, kan hij me weer aanraken zonder dat ik overspoeld word door herinneringen.
Herinneringen die duizend maal heviger terugkomen zodra we bij de volgende cel aankomen. Het litteken op zijn wang wordt nu vergezeld door meerdere littekens, zijn gezicht gehavend, maar het is hem zonder twijfel.
Een grijns speelt om zijn lippen, hij speelt met me. Zijn lach buldert door de ruimte als ik me omdraai. De ton die bij de trappen staat trekt mijn aandacht terwijl misselijkheid mijn zicht overneemt en, buiten het zicht van alle gevangenen, ga ik over mijn nek. Even doe ik nog mijn best om het huilen tegen te houden, maar het is onmogelijk.
Ik mag niet laten zien dat ik kwetsbaar ben. Niet naar de wachten, niet naar de gevangenen, en al helemaal niet naar Lucien. Ik wil niet dat hij zich zorgen maakt over iemand anders dan zichzelf en zijn zusje.
Met de zwarte stof van mijn jurk dep ik mijn wangen droog en een van de wachten biedt me een slok wijn aan om mijn mond mee te spoelen.
Dan loop ik terug naar Lucien, die nog steeds staat te wachten.
"Nos encontramos de novo.." grijnst Felipe, zijn tanden bijna fonkelend in het kaarslicht.
Bewakers willen de celdeur opentrekken als ik ze tot een halt roep.
Ik kijk hem aan, een opnieuw gevonden kracht in mijn blik. Ik kijk recht in zijn ogen, iets dat ik niet eerder durfde. Alle gebeurtenissen van die avond komen terug. Maar ik mag niet instorten, niet hier en al helemaal niet nu.
"Ik ben blij dat je het overleefd hebt," klinkt zijn stem, het dikke Portugese accent werkt als een onmiddellijke dreun tegen mijn hart. "Je was te mooi om te sterven in het gevecht."
Ik haal diep adem terwijl zijn woorden op me inwerken. Zijn Engels mag dan matig zijn, er is een reden dat hij koos voor de verleden tijd. Je was te mooi.
Alsof hij insinueert dat alle gebeurtenissen mijn schoonheid afgenomen hebben. Alsof hij me eigenhandig geruïneerd heeft.
"Ik ben ook blij dat jij het overleefd hebt, Felipe," ik spuug zijn naam bijna uit. "Zodat ik kan toekijken hoe het leven je lichaam verlaat."
Hij lacht. Bulderend, angstaanjagend bijna. Een lach die ik niet snel zal vergeten.
"Guardas," ik roep de bewakers bij me. "Diga ao carrasco.. cortou as mãos primeiro... depois os genitais."
De mannen knikken, en ik voel bijna aan hoe ze de pijn voorstellen. Ik wil dat deze man lijdt, zo veel als dat kan.
"Mas não deixe que ele morra de perda de sangue. Eu quero ver-lo enforcado."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen