Remus haatte Sirius. Vanuit het diepste van zijn hart had hij een hekel aan de man met de grijze poelen als ogen die hem lieten voelen alsof hij erin zou verdwalen als hij er te lang naar zou kijken. Hij wilde niet bij hem zijn, wilde niet zien hoe hij tot bloedens toe op zijn eigen lip beet als hij nadacht. Hij wilde niks met de man te maken hebben.
      En tegelijkertijd wilde hij juist wel bij hem zijn. Er was iets aan hem dat Remus intrigeerde. Of het de manier was waarop zijn spieren opbolden wanneer hij hem net op dat ene gevoelige plekje raakte, of waarop hij naar Remus kon staren voor hij zijn lippen op die van Remus drukte, wist hij niet. Maar er was iets waardoor hij geen nee kon zeggen wanneer Sirius hem in bed uitnodigde. Of simpelweg meenam. Of niet eens het bed opzocht.
      Zijn pas opgedane kennis over letters probeerde hij zoveel mogelijk in praktijk te brengen. Hij wilde niet vergeten wat die vormen betekenden, zelfs al zou hij vast nooit de kennis ergens voor nodig hebben. Het was niet alsof hij ooit in de buitenwereld zou komen te leven of zou moeten meedraaien. Hij probeerde de kaften van de vele boeken te ontcijferen als hij dacht dat Sirius niet keek. Het ging niet erg snel, maar na acht dagen was hij er inmiddels uit dat er iets stond dat op 'tientallen spreuken, de kunst van nooit meer vissen' leek. Of misschien stond er missen. Dat kon ook. Al die strepen leken op elkaar. Hoewel hij de boektitels wilde vertalen, besteedde hij toch voornamelijk de tijd aan het wandtapijt. Hij bestudeerde de namen en de letters. Hij wist wat er stond. Misschien kon hij zo de letters ook beter leren kennen.
      Wat hem uiteindelijk weer naar de deur boven getrokken had, wist hij niet. Nieuwsgierigheid of een hogere macht in wie hij niet geloofde wellicht. Het resultaat was in elk geval dat hij toen Sirius voor het eerst sinds tijden het huis weer had verlaten om broodnodige boodschappen te doen - no pun intended, al moest er onder andere inderdaad brood komen - hij zichzelf weer voor die gesloten deur vond.
      Met zijn vinger streek hij opnieuw over de gouden letters heen. Het metaal voelde koud aan. Hij had gelijk gehad. Die eerste letter was inderdaad de letter van zijn naam, de R. Waar hij dat geleerd had vroeger wist hij niet. Ditmaal was de rest geen geheimtaal meer voor hem. R. A. B.
      Heel even aarzelde zijn hand boven de deurklink. Kon hij Sirius' privacy zo schenden door zomaar in kamers te gaan snuffelen? Het antwoord kwam haast direct. Ja, dat kon hij. Hij was de man niks verontschuldigt.
      Daarom duwde hij de klink naar beneden en stapte de kamer binnen. Wat deze kamer anders maakte om te bezoeken dan de weinige andere kamers die Remus gezien had, wist hij niet, maar de gehele atmosfeer leek anders.
      Dat de kamer al tijden niet meer in gebruik was, was iets wat Remus meteen opviel. Er stonden maar een paar meubels in de kamer, waaronder een bed, een klein bureau met een stoel waar de leren bekleding vol scheuren zat en een kapotte spiegel. De scherven lagen verspreid over de grond.
      Alles was bedolven onder een laag stof en was toch niet volledig onaangetast. Op het bed waren plekken zichtbaar alsof iemand er laatst nog op gezeten had. Rondom het kussen lagen overal donsveertjes zonder stoflaag, alsof die er pas waren neergelegd. Ze staken wit af tegen het grauwe van de rest van de kamer.
      Maar het meest opvallende was de muur bij de spiegel. Op de muur rondom de spiegel zaten tientallen en tientallen papieren geplakt. Elk van hen gaf hetzelfde weer: een jongeman met grijze ogen die gelijk waren aan die van Sirius. Het had Sirius kunnen zijn, als zijn haren niet kortgeknipt waren geweest. Zijn gezicht was net iets hoekiger.
      De ene tekening gaf alleen een portret weer. De andere gaf hem zittend met een boek weer. Sommige tekeningen waren volledig gedetailleerd uitgewerkt tot aan de kleine moedervlek op zijn wang aan toe, andere bestonden slechts uit een paar woedende halen, maar het was keer op keer dezelfde jongeman. Daar bestond geen twijfel over.
      "Knap was hij, hè? De trots van de familie." De stem had hem niet zo moeten laten schrikken als wel gebeurde. Misschien was het een extra bevestiging dat hij hier daadwerkelijk niet hoorde te zijn. Zijn lichaam leek in elk geval dat wel te denken. Waarom had hij dan zo het idee dat hij beslopen was en maakte hij zo'n rare sprong? Hij had compleet gemist dat de voordeur zich gesloten had en dat er voetstappen op de trap waren geweest.
      Sirius kwam naast Remus staan. Hij zei niks. Het betekende meer dan wanneer Sirius wel wat tegen hem gezegd had om eerlijk te zijn. Hij had woede verwacht, geschreeuw dat hij hier absoluut niet hoorde te zijn. Niet deze... niks.
      Toen Remus opzij keek, was het alsof hij Sirius vanuit hele andere ogen bekeek. De man die hem zo'n pijn kon doen, was de man die deze kunstwerken geschapen had. Daar was geen twijfel over mogelijk. De handen die vernietiging en tegelijk lust konden brengen, hadden ook deze schoonheid geschapen. Het voelde enorm intiem om hier, al dan niet per ongeluk, deelgenoot van te zijn.
      Hij had zoveel vragen. Wie was deze jongen? Wat betekende hij voor Sirius? Waarom had hij hem keer op keer getekend? Waarom was hij knap? Wat was er gebeurd? Hij stelde er geen een.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here