Trigger warning: zelfmoordgedachten in het tweede deel van het hoofdstuk.

Als er ergens was waar Sirius Remus niet had willen terugvinden, dan was het wel in zijn kamer. Hij had het hele huis tot zijn beschikking en kwam tot hooguit vier plekken, en als hij dan op onderzoek uit wilde, moest hij per se bij die kamer beginnen? Hij had al een slecht voorgevoel gehad toen hij de deur had gesloten en de gehele benedenverdieping verlaten had geleken, maar met elke stap die hij de trap op zette, werd dat gevoel nog erger. Zijn voeten voelden als lood.
      Was het zijn eigen kamer geweest, dan was hij ook niet blij geweest, maar daar was amper wat te vinden. Een bed dat hoognodig verschoond moest worden, een kast en een hoop oude foto's waar Sirius door de jaren heen op stond, samen met een hoop rode en gouden vlaggen. Alles om zich af te zonderen van zijn familie. En juist het feit dat hij zich nooit had willen laten definiëren door een ander, had hem hetzelfde als zijn familie gemaakt. De Blacks lieten niemand voor hen beslissen.
      Maar de deur stond op een kier toen hij boven kwam, geen enkele twijfel overlatend over de plek waar Remus was. Met bonzend hart liep Sirius de kamer in. Hij trof Remus starend naar de tekeningen aan.
      "Knap was hij, hè? De trots van de familie." Zijn stem klonk misschien wat verbitterder dan hij wilde. Hij ging naast Remus staan. Zijn blik viel op de vele tekeningen die hij had verzameld de afgelopen jaren. De trots van de Blacks. De perfecte zoon. Degene die het spelletje van anderen tevreden houden voor zijn eigen voordeel maar al te goed door had gehad, maar niet had kunnen zien wat er vlak voor zijn neus gebeurde. De blauwe plekken, maar ook de gehele oorlog. Niemand kon onpartijdig blijven en zeker niet in Huize Black. Hij was dom geweest om te denken dat Moeder hem wel onpartijdig zou laten, zeker nadat Sirius zijn kant al te duidelijk had gemaakt en dat de 'verkeerde' kant was, aldus Moeder. Sirius' keuze moest worden opgeheven door zijn keuze - of Moeders keuze voor hem.
      Sirius was boos op Remus. Hij hoorde hier niet te zijn. Hij hoorde niet te kijken naar de vele momenten dat Sirius gebroken was en keer op keer dat bekende gezicht had getekend. Hij wilde geen detail vergeten en had tegelijk alles over voor rust en vergetelheid. Het waren momenten geweest dat Sirius gefaald had in het enige wat hij hoefde te doen. Sterk zijn. Doorzetten. Dat Remus die momenten nu met een blik met haast kinderlijke onschuld bekeek, maakte het moeilijk. Sirius voelde zich kwetsbaar, alsof zijn volledige ziel open en bloot lag. En misschien was dat ook wel.
      Hij wilde dat de wolf zich net zo zou voelen als hijzelf deed. Hij wilde de wolf zien breken voor hem, zien hoe de pijn zich in zijn ogen weerspiegelde. Hij wilde zelf vergeten.
      "Moeders goede zoon," zei hij uiteindelijk. De afkeer was duidelijk hoorbaar in zijn stem. "Degene voor wie ze zich niet hoefde te schamen." De korte oogknipper was alles wat Sirius nodig had om bevestiging te krijgen. Remus herkende zijn gepraat. Hij was ook de zoon voor wie ouders zich moesten schamen.
      "Maar tenminste had Moeder geen beest als zoon," vervolgde hij. Hij hield zijn blik op Remus gericht. "Haar kinderen waren tenminste menselijk. Stel je toch voor dat je kind in een monster veranderd. Ik zou hem meteen neerleggen. Is dat niet het meest vriendelijke om te doen? Wat voor ouder laat nou een monster leven?"
      De spanning in Remus' lichaam was steeds groter geworden, tot hij op Sirius afsprong. Sirius werd met een grote klap tegen de muur gegooid. Remus' handen lagen om zijn keel.
      Sirius vocht niet tegen de wolf die zijn nagels in de zachte huid van zijn hals had begraven en deed ook geen enkele poging om de grip te verlichten. Ademhalen was moeizaam geworden. Was ademhalen echt nodig? Zijn lichaam deed dan wel vergeefse moeite nog zuurstof binnen te krijgen, maar Sirius zelf zag het nut er niet meer van.
      Maakte het nog echt uit of hij verder leefde of niet? Hij werd constant herinnerd aan alle vernietiging om hem heen. Hij voelde zich nu zo levendig met de handen van Remus om zijn keel. Elke seconde dat hij dichter bij de afgrond zou komen, zorgde ervoor dat hij zich beter voelde.
      Hij lachte. Heel even verslapte de greep. "Kom op Remus," fluisterde Sirius. Zijn stem klonk rauw door de druk op zijn keel. "Doe het dan. Ik weet dat je het wil. Doe wat je moeder nooit gekund heeft, of ben je net zo zwak als haar?"
      De greep verstevigde zich weer. Aan de rand van zijn blikveld zag Sirius zwarte vlekken. Het enige dat hij nog zag, was Remus' van woede vertrokken gezicht. Als blikken hadden kunnen doden, dan had Sirius al op de grond gelegen. Alleen konden blikken dat niet. Die handen daarentegen...
      Opnieuw lachte hij, maar ditmaal ging het gevolgd door een benauwde hoestbui. Zijn lichaam deed zo hard zijn best om nog zuurstof binnen te krijgen. Hij voelde zich licht in zijn hoofd, alsof de wereld ineens harder was gaan draaien. Of misschien was hij zich er eerder nooit zo van bewust geweest.
      De primitieve woede leek van Remus door zijn handen in Sirius te stromen. Hij voelde de energie van de pijn van Remus' greep door zijn aderen stromen. Het leek zijn binnenste in vuur en vlam te zetten.
      Zover mogelijk was, duwde hij zijn lichaam tegen dat van Remus aan. Hij was zich zo bewust van elke aanraking en wilde die sensatie zo intens mogelijk ervaren. "Merlin, Remus, ja," fluisterde hij. Zijn ogen waren gesloten, alsof hij meer zou voelen als hij zijn andere zintuigen zou uitschakelen. Hij deed er alles aan om de ervaring te verlengen. "Alsjeblieft, doe het." Het was slechts wachten op de genadeslag. "Wees het monster dat ze je toch al noemen."
      Abrupt verdween de druk. Zonder de stevigheid van Remus' handen, hielden Sirius' benen zijn gewicht niet meer en hij zakte op de grond. Zijn longen vulden zich weer met lucht en zonder Sirius' toestemming verhoogde zijn ademhaling om maar zoveel mogelijk verse lucht binnen te krijgen voor hij weer de toevoer zou afsnijden. Hij was zich zeer bewust van het feit dat hij Remus niet meer aanraakte.
      "Nee." De stem was amper meer dan een fluistering en het duurde even voor Sirius' hersenen het geregistreerd hadden, maar het was onmiskenbaar geweest: Remus Lupin had gepraat.
      Meteen daarna werden er twee lippen op de zijne gedrukt. Het was niet het woeste dat Sirius keer op keer zelf had gedaan. Het was niet puur een poging om te verdrinken of om pijn te doen. Deze aanraking was teder, liefdevol. Het maakte dat Sirius Remus met een harde duw van zich af duwde. Hij wilde het niet. Hij wilde uitschreeuwen naar Remus om af te maken waarmee hij begonnen was, om zijn handen weer om Sirius' keel te plaatsen en het laatste beetje lucht en leven ook uit hem te knijpen. Wie maakte het nog uit dat hij hier was? Hij wilde de pijn voelen van Remus' nagels in zijn huid, zijn tanden in zijn hals begraven. Hij wilde zijn armen om zijn heen slaan, zijn huid openkrabben en zijn hart uit zijn lichaam graven. Niks teders of vol liefde en zorg. Er bestond geen houden van, alleen maar bezitten, en hij wilde Remus bezitten. Hoe kon Remus hem dat aandoen? Wist hij niet dat Sirius dat niet van hem wilde?
      Hij wilde gewoon iets voelen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here