“Could you be the devil,
Could you be an angel?”

Justine Heidi Harbours

De volgende dag lopen Ariel en ik hand in hand naar de supermarket. We zijn expres wat eerder vertrokken, zodat Embry in ieder geval niet op ons hoeft te wachten. We hebben een briefje met een ontbijt voor onze vader achtergelaten, ik met de hoop dat hij in net zo’n goede bui of hopelijk beter dan gisteren is, Ariel met de hoop dat het goed genoeg is voor nu.
      We lopen langs het winkeltje met de dromenvangers en ik moet mezelf dwingen om verder door te lopen. Om een of andere reden trekken de dromenvangers en het mysterieuze sfeertje rond het winkeltje me ontzettend aan en ik houd mezelf voor om de eerste beste keer zodra ik alleen ben een keertje naar binnen te gaan.
      Ik laat Ariels warme hand los en haal een hand door mijn haren. Ik heb het met twee kleine vlechtjes vastgepind en de rest hangt in losse krullen tot ver over mijn rug. Ariels kapsel lijkt op een exacte kopie van Daenerys Targaryen uit Games of Thrones. Onze haren worden vaak vergelijken met dat van haar en als ik een euro zou krijgen voor iedere keer dat iemand vraagt of we onze haar geverfd hebben, had ik al lang een huis kunnen kopen en kunnen vertrekken. Als we dan antwoorden dat ons haar natuurlijk is, kijken mensen ons zo apart aan.
      ‘Kijk,’ zegt Ariel. Ze knikt met haar hoofd richting de supermarket en ze geeft me een kort kneepje in mijn hand.
      Ik volg haar blik en ik kom uit bij twee jongens. Eentje komt me niet bekend voor, al zou hij zomaar bij het groepje van vrienden van Embry van gisteren kunnen horen – vergeet het, daar hoort hij sowieso bij. Zijn lichaam is zo groot en gespierd als die van een reus, maar een gezicht met verbazingwekkende, kinderlijke trekjes. Hij lijkt wel een zeventienjarige vast in het lichaam van iemand in z’n twintig.
      De persoon waar hij tegen praat ken ik echter wel. Althans, zo voelt het toch. Embry staat met zijn rug naar ons toe, pratend met grote armgebaren. Ik betrap mezelf erop dat ik haast dromerig naar zijn rug staar, gefascineerd met de bewegingen van zijn spieren als hij zijn rechterarm optilt. Ik heb een vaag vermoeden dat ik als een stalker klink, maar op het moment kan het me weinig schelen.
      Seth wijst naar ons en Embry draait zich om. Zijn ogen boren direct in die van mij en betrapt laat ik mijn ogen afdwalen. Wat gênant om gesnapt te worden op staren, al zal ik vast niet het eerste slachtoffer zijn.
      ‘Hé, Justine, Ariel,’ begroet Embry opgetogen. Hij glimlacht oprecht en voor een of andere reden voel ik me gelijk op mijn gemak, terwijl dit niet het geval zou moeten zijn. Bij geen enkele jongen, man of vreemde.
      ‘Emmy,’ zegt Ariel bij wijze van begroeting. Ze knikt even naar de onbekende jongen en vouwt haar handen nerveus in elkaar.
      Ik kan het niet helpen om me af te vragen hoe we dit gaan oplossen. Ariel kan niet fatsoenlijk spreken en het is ons verboden om over haar doofheid te spreken. Ik vraag me af wat onze vader verwacht van Ariel. Ze heeft afgelopen nacht geen perfecte uitspraak gekregen, die heeft ze nooit gehad. Dus hoe moet ze in vredesnaam op gaan in de mensenmassa als ze er op zoveel manieren uit steekt?
      ‘Dit is Seth,’ stelt Embry de jongen achter hem voor, zijn stem me uit mijn gedachten halend. ‘Hopelijk vinden jullie het niet erg dat hij mee is gekomen.’
      ‘Nee hoor,’ antwoord ik oprecht. Ik laat mijn blik over Seth glijden. Hij lijkt een vrolijk persoon, misschien iets te vrolijk met die opgetogen glimlach op zijn lippen, maar schijn kan bedriegen. ‘Ik ben Justine en dit is mijn zusje Ariel.’
      ‘Leuk jullie te ontmoeten,’ glimlacht Seth. ‘Embry heeft gisteren de hele tijd – ouch…’
      Ik krimp ineen als ik Embry’s vuist met een keiharde slag tegen Seth’s arm aan zie komen. De kracht alleen al waarmee de klap geleverd wordt zou me tien meter naar achter schuiven, maar Seth verschuift geen centimeter. Het enige wat Seth doet is een pruillip trekken en over zijn arm wrijven, die niet eens rood weg kleurt. Apart.
      Ik herstel snel, maar niet voordat ik Embry’s blik gezien heb. Hij heeft zijn wenkbrauwen opgetrokken, maar de rest van zijn gezicht is weggetrokken in een grimas, alsof hij boos op iets of iemand is.
      Ik lach even om de spanning te verbreken. ‘Sorry, Ariel en ik zijn opgevoed met een absolute hekel aan geweld. Onze ouders vinden het verschrikkelijk.’
      Dat zijn twee grandioze leugens in twee zinnen. De eerste is nogal duidelijk, aangezien onze vader allesbehalve een hekel aan geweld lijkt te hebben en de tweede is ouders in het meervoud. Moeders is er niet meer, al twee jaar niet, maar dat hoeven Embry en Seth niet te weten.
      Embry glimlacht verontschuldigend, een glimlach waarvan ik zeker weet dat Ariel hem alleen maar leuker gaat vinden. ‘Het spijt me, ik zal er rekening mee houden.’
      ‘Dank je,’ zegt Ariel foutloos. Ze kijkt me aarzelend aan en als ik een goedkeurend knikje geef, begint ze te stralen als een pauw. Ik kan het niet helpen om te glimlachen als een trotse ouder, wetende dat het wat toevoegt aan haar zelfvertrouwen.
      ‘Laten we naar de bibliotheek gaan,’ zeg ik met een glimlachje, de aandacht van Ariel wegtrekkend. Ik haal een hand door mijn haar en kijk de jongens afwachtend aan, aangezien ik geen idee heb waar we heen moeten. ‘Bedankt trouwens dat jullie dit willen doen.’
      Embry en Seth glimlachen tegelijk. ‘Geen probleem.’
      Het verbaast me dat de twee jongens zo erg op elkaar lijken. Je zou bijna zeggen dat het broers zijn en misschien zijn ze ook wel familie. Het is immers een klein dorpje met een paar inheemse inwoners waar Ariel en ik als een stel witharige gedumpt worden. Dat wordt nog wat vrijdag.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen