“Sometimes I feel like giving up.”

Justine Heidi Harbours

‘Hier is de bibliotheek?’ vraag ik met opgetrokken wenkbrauwen. Mijn ogen glijden over het kleine gebouwtje, dat ik eerder voor een huis zou aannemen dan een bibliotheek. Ik snap dat alles oud is, iets dat ik stiekem eigenlijk wel verrassend aangenaam vind, maar er hangt zelfs geen boordje aan het gebouw. Zonder Embry en Seth hadden we het nooit gevonden.
      Het gene dat me het ergst verbaast is dat het huisje letterlijk naast het Dromenvanger-winkeltje staat. Ik heb er meerdere keren naar gestaard, zonder me te realiseren dat dit de bibliotheek in kwestie is.
      ‘Yep,’ antwoordt Seth met een glimlach die nooit zijn gezicht lijkt te verlaten. Hij duwt de deur open en gebaart dat we voor kunnen gaan.
      Met een dankbaar knikje lopen Ariel en ik het gebouw binnen. Een zacht belletje rinkelt en direct dringt de geur van boeken mijn neus binnen. Ik denk dat boeken misschien wel het meest kostbare op de hele wereld zijn. Voor mij en Ariel op z’n minst. Boeken zijn verhalen, boeiender dan mij leven, maar vooral zijn het verhalen die me voor even uit de sleur van mijn leven kunnen halen.
      Met een trieste glimlach dwing ik mezelf om uit mijn gedachten te ontwaken. De bibliotheek ziet er, zoals verwacht, ouderwets uit, maar desondanks netjes en geordend. Er staan verschillende rijen met boekenkasten en allemaal staan ze overvol. In een oogopslag zie ik een paar oude verhalen met leren kaften en ik bijt verlangend op de binnenkant van mijn wang.
      Ik laat mijn ogen afdwalen naar Ariel, die met dezelfde begerende blik in haar ogen naar de boeken staart. Ariel heeft misschien nog wel een grotere obsessie en ik kan het haar niet kwalijk nemen. Boeken spreken immers geen onbegrijpelijke woorden.
      ‘Hallo, mevrouw Maine,’ zegt Embry ineens, zijn stem beleefd en met een toon die ik niet kan plaatsen.
      Ik draai me snel om en kijk recht in de donkere ogen van een inheemse vrouw. Mijn hart slaat een slag over van de schrik en ik stommel een paar stappen naar achter. In mijn haast om aan de intense blik te ontkomen, voel ik hoe ik op iemands voet stap. Iets dat ik alleen als een piep kan omschrijven verlaat mijn mond en alles lijkt ineens te gaan draaien. Overal waar ik stap lijk ik ergens tegen op te botsen en het geluid van vallende boeken, die ik waarschijnlijk heb omgegooid, dreunen in mijn hoofd.
      Een warme hand grijpt mijn bovenarm beet, enorm zachtjes, alsof ik breekbaar ben, en dwingt me te stoppen met lopen. Mijn zicht wordt langzaam weer scherp en mijn ogen glijden naar de hand op mijn arm en alsof Embry het aanvoelt, trekt hij zijn hand weg. Het verbaast me als ik me realiseer dat ik niet ineenkromp onder zijn aanraking. En ik weet niet of dat een goed of slecht ding is.
      De felblauwe ogen van mijn zusje en haar koude hand vestrengeld in de mijne roept me terug naar de realiteit. Haar ogen scannen me nauwlettend, alsof ik ieder moment flauw kan vallen en nu pas voel ik de warme die naar mijn hoofd is gestroomd en mijn hart die overuren slaat. Mijn longen lijken in brand te staan.
      ‘Oké?’ vraagt ze met opgetrokken wenkbrauwen. Haar gezichtstuitdrukking straalt absolute angst uit en ik bedenk me dat ze waarschijnlijk dacht dat ik een paniekaanval zou krijgen.
      Ik knik ademloos en neem snel een hap zuurstof. ‘Oké,’ bevestig ik.
      Ik draai me om en zie de vier boeken die ik omver gestoten heb en verontschuldigend kijk ik de vrouw aan. ‘Het spijt me, mevrouw.’
      Ik zie nog net hoe mevrouw Maine een rilling lijkt te krijgen, voordat haar ogen hun intensiteit verliezen en plaatsmaken voor een glazigheid die vele oudere mensen hebben. Ik ga door mijn knieën en pak snel het eerste boek van de grond. Het is een oogverblindend boek, met leer gebonden en inschreven met gouden letters.
Mythische Wezens en Hun Gebruiken.
      ‘Justine,’ zegt Embry. Hij knielt naast me neer en legt zijn hand zachtjes op mijn schouder. Ondanks dat ik een dikke sweater aan heb, voel ik toch zijn warmte door mijn lichaam vloeien, samen met een stel onbekende elektrische schokjes, waar ik op instinct van weg beweeg. Embry trekt snel zijn hand weg.
      Vanuit mijn ooghoeken kijk ik hoe Embry de andere boeken in zijn armen neemt, een blik van wat verdacht veel lijkt op afwijzing en pijn op zijn gezicht. Hij staat op en legt de boeken op het tafeltje. Ik volg snel zijn voorbeeld, bijtend op mijn lip. Laat het aan mij over om me op zo’n manier voorschut te zetten. Ik wil niet weten wat Embry, Seth en mevrouw Maine denken.
      ‘We komen hier om de boeken van Justine en Ariel Harbours op te halen,’ zegt Seth gelukkig. Ik denk niet dat ik op dit moment op mijn stem kan vertrouwen.
      ‘Ah ja, meneer Cornelis heeft er al over gebeld,’ zegt mevrouw Maine. Haar stem klinkt verrassend warm, in tegenstelling tot wat ik verwacht had. Ze draait zich om en begint naar het magazijn te lopen en ik neem snel de tijd om me in haar op te nemen. Het is een kleine, oude vrouw, maar ze loopt met de geest van een tiener, haar ravenzwarte haren in een staart gebonden.
      ‘Gaat het wel, Justine?’ vraagt Seth bezorgt, zodra mevrouw Maine vertrokken is. Zijn ogen hebben een oprechte en bezorgde glans, maar hij is waarschijnlijk alleen beleefd.
      ‘Ja,’ antwoord ik met een nep opgetogen glimlach. Ik haal een hand door mijn haren, ze dichter tegen mijn blozende wangen vegend. ‘Ik schrok even.’
      Seth knikt even en werpt me een medeleven glimlach, wat hem voor één of andere reden een zure blik van Embry oplevert. ‘Het is vast niet makkelijk om nieuw te zijn.’
      ‘Niet be-…’ Ik laat mijn blika afdwalen naar Ariel, althans, waar Ariel een paar minuten geleden nog stond, maar nu alleen lucht is. Direct voel ik een gevoel van paniek mijn lichaam binnensluipen, zonet heb ik haar nog gezien. ‘Waar is Ariel?’

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen