We negeren het feit dat Peter een heel stuk ouder geworden is dan de andere Marauders even, want wie doet er nou aan canon? :'D

"Mama, ik ben bang."
      Een hand werd troostend op zijn hoofd gelegd. "Dat hoeft niet, mijn Remus. Je vader en ik zijn in de kamer hiernaast. Je bent niet alleen."
      De jongen keek op naar zijn moeder. "Doet het pijn?"
      Een aarzeling. "Ik- ik weet het niet." Het antwoord bleek ja te zijn.


      Misschien had Remus moeten toegeven aan Sirius. Hij had Sirius voor hem gehad, aan zijn genade overgeleverd. Toch had hij het niet gekund. Elk woord van Sirius had hem pijn gedaan. Elke zin had gemaakt dat hij liever zijn handen samen had geknepen. Het was hem niet gelukt.
      De woorden van Sirius waren de dagen erna door zijn hoofd blijven spoken. 'Een beest als zoon'. 'Degene voor wie ouders zich niet hoefden te schamen'. 'Wat voor ouder laat nou een monster leven?'
      Het was de vraag die Remus zichzelf keer op keer ook gesteld had. Waarom leefde hij nog? Waarom was hij niet neergelegd als een hondsdol huisdier? Maar het antwoord wist hij wel. Doden konden weinig meer doen.

      "Meekomen!" Een hand greep zijn arm stevig beet en dwong Remus om op te staan en mee te lopen met de eigenaar van de hand. De jongen strompelde mee. Zijn blik bleef op de grond gericht, maar hij zag amper waar hij zijn voeten neerzette. Was het niet voor de stevige greep op zijn arm geweest, dan had hij al vele keren op de grond gelegen.
      In zijn hand had hij een oude doek geklemd. De man die hem meevoerde, probeerde de doek uit zijn hand te trekken. Remus hield stevig vast. Het was van hem. Mama had hem die doek gegeven.
      "Geef hier, klein onderschepsel!" werd hem toegesist. Remus keek kort op en wenste meteen dat hij dat niet had gedaan. Hij zag nog net hoe een hand geheven werd om hem vol in zijn gezicht te raken.
      De klap kwam nooit aan. Vlak voor Remus geraakt werd, werd er een hand op de schouder van de man gelegd, waardoor hij bevroor. "Nou, nou, Dolohov. Dat is geen manier om onze
gast te behandelen. Geef hem maar hier." Remus werd door Dolohov naar de man geduwd die hem uitgebreid bekeek. Hij werd ongemakkelijk onder de blik en begroef zijn gezicht in de doek om maar weg te komen. Hij was bang. Hij wilde niet bij deze meneren zijn die hem pijn deden. Hij wilde naar mama.
      Iets verderop zag hij een bekend gezicht. Was het niet voor de man die hem met zijn blik op de grond genageld had, dan was Remus naar hem toegekend. "Oom Peter, oom Peter!" riep hij uit. "Ik ben hier!" Peter keek even opzij en heel even dacht Remus dat Peter naar hem toe zou gaan komen om hem hier weg te halen. Niks was minder waar. Zodra hun blikken elkaar kruisten, keek Peter weg. Remus zag nog net hoe hij een stapel geld kreeg, voor Dolohov hem ruw omdraaide.
      "Ik zei toch dat we die zoon van de Lupins wel zouden krijgen, my Lord?" klonk Dolohov trots. "En geen haan die ernaar zal kraaien."
      De onbekende man knielde bij Remus neer. "Wat is je naam?"
      "Remus." Zijn stem was niet meer dan een fluistering.
      "Remus, je hebt mensen pijn gedaan. Je hebt je ouders veel pijn gedaan. Dat is heel slecht van je, nietwaar?" Remus knikte voorzichtig. "We kunnen dat niet nogmaals laten gebeuren, hè?" Remus schudde zijn hoofd. De man lachte kort. Het gaf Remus kippenvel. "Precies, Remus, het mag niet vaker gebeuren. We moeten de mensen beschermen tegen je, zodat je niemand meer pijn kan doen. Je hebt geen controle en bent te gevaarlijk."
      Hij stond op en klopt zijn kleding af. "Breng hem weg." Remus rook de geur van vuur voor hij werd weggevoerd.


      Veel kon Remus zich niet herinneren van de nacht van zijn eerste transformatie. Hij was nog maar een kleine jongen geweest natuurlijk. Hij had slechts wat flarden van herinneringen in zijn hoofd zitten. De pijn. De angst. De geur van bloed. Alles wat hij verder wist, had hij achteraf beredeneerd.
      Zijn ouders hadden hem in een aparte kamer gezet, zoveel wist hij wel. De kamer moest wel afgeschermd zijn met spreuken om hem binnen te houden. Wie zou een weerwolf, zelfs een jonge pup, onbewaakt achterlaten? Het was niet genoeg geweest. Hij moest uitgebroken zijn die nacht uit zijn kamer en zijn ouders zijn tegengekomen. Misschien hadden ze hem proberen tegen te houden om te voorkomen dat hij zich op de buren zou storten, of misschien had hij ze in hun slaap opgezocht. Hij wist het niet. Hij kon zich alleen herinneren hoe hij zichzelf badend in hun bloed had gevonden, hoe onbekende mannen hem hadden meegevoerd en hem in een ruimte vol onbekende, armoedig geklede en vieze mensen achter hadden gelaten. Het sterkst was de herinnering aan de angst die hij gevoeld had, aan de pijn in zijn lichaam en hoe hij tegen zijn ouders had willen wegkruipen tot het allemaal over was en alles weer normaal zou zijn. Hoe alleen hij zich gevoeld had toen Peter zich van hem had afgedraaid. Hij had toen niet begrepen waarom de beste vriend van zijn vader hem niet meegenomen had (of eigenlijk wel: hij was een monster) en begreep nog steeds niet wat Peter daar had gemoeten. Had zijn vader om hulp kunnen vragen en was Peter gekomen, zelfs al was hij dan te laat? Of was hij gekomen om te rouwen om zijn vriend?
      En dan waren er de woorden van de onbekende man. Ze stonden in zijn geheugen geschreven, net als de man zelf. Donkere ogen, een huid bleker dan hij ooit gezien had. De lichte slis die hem liet klinken als een slang. Hij had naar Remus geglimlacht alsof hij hem had willen geruststellen dat alles goed zou komen en hij het beste met hem voor had gehad, maar Remus had zichzelf er nooit van kunnen overtuigen dat dat daadwerkelijk waar was. Toch had hij gelijk gehad. Remus had daar iets heel slechts gedaan en kon beter opgesloten zitten. Voor iedereens veiligheid.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here