Remus' handen hadden hun sporen achtergelaten op Sirius' hals. Er waren rode en blauwe plekken zichtbaar, naast de striemen die de nagels achter hadden gelaten. Ze waren duidelijk zichtbaar in elk reflecterend oppervlak. Sirius merkte dat hij nog vaker dan anders in de spiegel keek.
      Remus had het gewoon af moeten maken. Het was Sirius' wens geweest en ook die van Remus. Sirius had de blik in Remus' ogen gezien toen hij daar had gestaan. Er was pure woede in de gouden ogen geweest. Hij had een einde aan het miserabele bestaan van Sirius Black, de laatste overlevende van de familie Black willen maken. En toch was er iets geweest dat de wolf tegen had gehouden.
      Maar Sirius had een triggerpunt gevonden, dat wist hij. Familie, en vooral de schande van de familie zijn. Het was haast ironisch te noemen. Het onderwerp dat hij zo wilde ontwijken, was het onderwerp dat hij bij Remus zou moeten aansnijden. Het beest en de man deelden dezelfde pijn, zelfs al zou Sirius het nooit toegeven. Het was ook niet zo. Hij haatte zijn familie met heel zijn hart. Hij was ook geen Black meer volgens Moeder. Het recht om die achternaam te dragen had hij verloren op het moment dat zijn hoofd van het tapijt gebrand werd. Dat het voortbestaan van de gehele familie op zijn schouders zou komen te rusten, had niemand kunnen voorspellen.
      Remus daarentegen leek van zijn familie te houden, bij gebrek aan een betere beschrijving. Hij wilde dat zijn ouders trots op hem zouden kunnen zijn. Hij was niet voor niets een monster, een waardeloze zoon. De woorden lieten een bittere smaak achter in Sirius' mond. Hij had die woorden vaker, veel vaker, gehoord.
      Maar zoals dat gaat bij alle moeilijke zaken, is het makkelijker om commentaar van de zijlijn te leveren dan dat het is om datzelfde zelf te doen. De beste stuurlui staan immers aan wal. Zo was het voor Sirius ook makkelijker om zich te richten op de problemen van Remus dan het was om met zijn eigen familie bezig te zijn. Misschien was hij ergens ook wel bezig met zichzelf. Zolang hij maar de pijn van Remus had, voelde hij die van zichzelf niet. Dan voelde hij tenminste iets.
      Hij wilde alles weten over Remus' verleden. Dat was de enige manier om erachter te komen wat de precieze triggers waren om Remus over zijn grens heen te duwen. Hij had duidelijk geen monster willen zijn, maar Sirius zou hem er een maken, al was het het laatste wat hij deed. Als alles volgens plan zou verlopen, zou het inderdaad het laatste zijn wat hij ooit zou doen.
      Daarom ging Sirius twee dagen na zijn aanvaring met Remus terug naar de plek waar het allemaal begonnen was. De arena waar hij voor het eerst Remus' gouden ogen gezien had. Hij had niet verwacht er ooit terug te keren, maar het lot had nu anders bepaald. Hij had slechts een naam en het feit dat Remus in de arena gevochten had. Het was zijn enige aanknopingspunt.
      Ditmaal kwam Jackson Sirius niet begroeten toen hij de arena binnenliep. Er was een gevecht bezig en het gejoel van het publiek leek Sirius haast te verstikken. De adrenaline die door de ruimte vloog, greep hem nu ook weer, maar waar het de vorige keer opwindend was geweest en Sirius zich volledig door het gevecht en de sfeer had laten grijpen, voelde het nu vooral benauwend. Het was niet spannend. Het rook er naar zweet en bloed en halfverrotte menselijke (of dierlijke?) lichaamsvloeistoffen, en het geschreeuw, van zowel het publiek als de beesten in de arena, gonsten in zijn oren. Hij kon de doodskreet van de verliezer nog horen lang nadat het daadwerkelijke geluid was weggestorven. Het was hetzelfde geluid dat hij nacht na nacht nog moest horen.
      Ietwat misselijk wendde hij zich af van het schouwspel voor hem. Na de overwinning had de overlevende wolf zich op het lichaam van de ander gestort. Hoewel twee jonge tovenaars met getrokken stok en een zilveren staaf in de hand de arena binnen renden, kregen ze het pas voor elkaar om de wolf in een hoek te drijven toen hij de buik van de ander al had opengereten en de darmen naar buiten hingen. Zijn halfvervormde snuit zat onder het verse bloed.
      Deze vertoning van de kracht van de wolf deed hem niks. Het bevestigde hooguit opnieuw dat weerwolven geen mensen waren, maar slechts beesten die gedreven werden door instincten. Instincten die altijd om dood en verderf riepen. Maar waarom deed Remus hem dan wel iets? En, nog belangrijker, waarom luisterde Remus niet naar zijn instincten en deed hij wat Sirius wilde dat hij zou doen? De ogen waren niet menselijk en dit gevecht bewees maar weer dat ook het innerlijk van een weerwolf niet menselijk was. Waarom wilde Remus zo hard laten zien dat hij wel degelijk menselijk was?
      De menigte stroomde langzaam maar zeker de arena uit toen het duidelijk was dat het gevecht echt afgelopen was. Sirius liet zich meevoeren in de stroom. Om hem heen hing de vreemde sfeer van adrenaline die langzaam uitgewerkt begint te raken nog. Hij hoorde mensen delen van het gevecht terughalen met grote armbewegingen en te snel gesproken woorden. Hij herinnerde zich de scènes veel minder heroïsch en vooral veel bloediger. Normaal zou hij mee hebben gepraat, de grootste armbewegingen van allemaal hebben gemaakt en degene zijn die het hoogste woord voerde. Zijn waarheid was de waarheid zou hij verkondigen. Hij kon zich er ditmaal niet toe zetten om de mensen te corrigeren in hun verhaal.
      Hij had zich in tijden niet zo alleen gevoeld.
      Iedereen stroomde naar het café dat bij de arena hoorde. Of misschien hoorde de arena bij het café. Dat deel was in elk geval legaal. Eenmaal aangekomen ging Sirius op zoek naar Jackson. Hij moest hier ergens rondhangen om bij trouwe klanten te slijmen en ze geld proberen af te trochelen. Was dat immers niet het enige dat hij kon? Slijmen bij degenen die het wel gemaakt hadden, die wel iets betekenden. De grote jagers. En Jackson was de aasgier die in een hoekje wachtte tot er iets te halen viel voor hem. Sirius kon hem niet meer verachten.
      Jackson was in gesprek met twee mannen die Sirius niet herkende, maar zodra zijn blik op Sirius viel, kapte hij het gesprek af en liep op Sirius af. "Wat wil je ditmaal?" De toon was zo anders dan bij hun eerste ontmoeting. Ditmaal deed Jackson geen poging om de grond waarop Sirius stond te kussen.
      "Informatie."
      "En als ik dat niet geef, geef je me zeker aan?" Als blikken konden doden, was Sirius misschien nog niet levenloos neergevallen, maar was hij in elk geval in een ijsklont veranderd door de kilte.
      "Ik heb geld." Sirius was bijna in staat de 'ik ben een Black'-kaart te spelen. Hij wás een Black en verdiende gehoorzaamheid en respect. Als hij die informatie wilde, dan zou hij hem krijgen ook, goedschiks of kwaadschiks.
      "Ik hoef je geld niet." Sinds wanneer?
      "Wat wel?" Sirius klonk zo ongeïnteresseerd als maar mogelijk was. Wat kon Jackson nou voor anders willen? Het maakte hem ook weinig uit, zolang hij maar kreeg wat hij wilde. Dat was het enige dat telde. Hij wilde weten hoe hij Remus kon breken. De prijs maakte dan niet uit, zolang hij Remus maar volledig van hem kon maken. Remus was van hem en hem alleen, en daar zou hij voor zorgen. Hij zou zijn sporen achterlaten op Remus.
      "ik wil je wolf nog éénmaal in de arena."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen