Foto bij H.106.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Maar dan wordt het donker en licht tegelijkertijd en voelt mijn lichaam zo zwaar; zwaarder dan ik aan kan, zwaarder dan de hele wereld bij elkaar en ik breek eronder.
Vlak voordat ik wegzak, meen ik mijn moeders stem nog te horen. ‘Dag, meisje.’

Ik word wakker met vreemde gezichten om me heen. Mensen die ik niet ken.
Alles is zo wit dat ik even denk dat ik in de hemel ben, ondanks dat ik daar nooit in heb geloofd. En als er een God is die zo wreed is om mij zo’n leven toe te werpen, dan zal hij of zij of het of wat dan ook mij zeker niet toelaten in de hemel. Ik hoopte altijd wel dat het bestond, de hemel. Voor Ammay. Dan kon ik tegen mezelf zeggen dat ze echt op een betere plek was, dat ze het leven kreeg wat ze verdiende.
Maar dit is de hemel niet. Ik lig in het ziekenhuis. De onbekende mensen zijn politieagenten, bewakers.
Zodra een van de agenten ziet dat ik wakker ben, loopt hij naar me toe.
‘Gioa Annelson?’ vraagt hij.
‘Waar is Evan?’ Ik dacht dat ik heel kalm kon klinken, helder, maar het klinkt eerder alsof ik elk moment in tranen uit kan barsten.
‘We kunnen pas bezoekers binnenlaten als we van u gehoord hebben wie wel of niet een gevaar kan vormen. We moeten eerst weten wat er volgens u gebeurd is.’
Ik schud mijn hoofd. Even val ik volledig stil, maar dan weet ik met tranen in mijn ogen uit te brengen: ‘Ik zeg niks tot ik Evan gezien heb.’
‘Bepaalt Evan welk verhaal jij moet vertellen?’ vraagt hij met serieuze blik.
Evan is hier niet de slechterik. Mijn moeder wel. Was ze er echt voordat ik mijn bewustzijn verloor, of beeldde ik mijzelf dat in?
‘Natuurlijk niet! Is hij oké? En... en mijn moeder? Waar is mijn moeder?’
Zodra niemand antwoord, probeer ik overeind te komen, wat ondanks de medicijnen verdomd veel pijn doet. Dat zou me gewoon bíjna kunnen schelen.
De agent probeert me meteen tegen te houden, maar de ander houdt hem weer tegen.
‘Doe voorzichtig. Straks bezeert ze zich nog.’
Mezelf bezeren? Misschien wel, maar als dat de prijs is die ik moet betalen om te weten of Evan oké is of niet, dan is dat maar zo.
‘Waar is hij?’ vraag ik, terwijl ik wankel op mijn benen neerkom, de stang met infusen in mijn hand naast me.
‘Juffrouw Annelson, probeer alstublieft rustig te blijven.’
Ja, prima. Ik zal gewoon even de knop omschakelen en me geen zorgen meer over wat dan ook maken.
Ik loop de kamer uit en de oudere politieagent heeft zijn collega de taak om met me mee te lopen een ervoor te zorgen dat ik niks doms doe.
‘Evan?!’ besluit ik heel handig door het ziekenhuis te roepen zodra ik op de gang ben.
Een dokter komt met een vreemd gezicht naar me toelopen, maar de politieagent maakt een gebaar dat het oké is.
‘Gioa? Alles komt goed. Luister maar gewoon naar uw instructies.’
Maar dat doe ik niet en ik loop gewoon door. In een reflex pakt hij mijn onderarm vast, maar uit angst om me pijn te doen laat hij me ook even snel weer los.
‘Evan?!’ roep ik opnieuw. Ik merk nu pas dat ik huil. Sinds wanneer? Het was me nog niet opgevallen.
Dan komt opeens Evan de hoek om. Hij lijkt haast te rennen. Zodra hij mij ziet lijkt hij zowel opgelucht als bezorgd te worden.
Hij heeft schrammen op zijn armen van de glasscherven. Ze zijn allemaal zorgvuldig schoongemaakt en sommigen zijn bedekt met witte pleisters, maar voor de rest is hij ongedeerd.
‘Gioa,’ ademt hij in een soort zucht, alsof de naam al tijden op zijn tong lag.
Ik weet haast niet hoe snel ik me in zijn armen moet zien te geraken. En zodra ik voel hoe zijn lichaam dat van mij raakt, zeg ik opnieuw zijn naam, alleen komt het er nu uit als een snik.
‘Je bent oké.’ Het komt eruit alsof ik het niet eens geloof - en misschien is dat wel zo.
Ik had gehoopt dat hij iets grappigs zou zeggen, bijvoorbeeld dat ik niet zo gemakkelijk van hem afkom, of dat er wel meer nodig is om hém dood te krijgen, want het is nu eenmaal Evan en die zegt zulk soort dingen. Maar dat doet hij nu niet.
‘Ik dacht dat ik je voor altijd kwijt zou zijn,’ brengt hij uit en ik ben te bang om op te kijken om erachter te komen of hij huilt, maar eigenlijk weet ik het al wel.
‘Ik hou van je,’ zeg ik dan en ik pak hem haast nog steviger vast, ook al ben ik door bloedverlies te zwak om ervoor te zorgen dat hij waarschijnlijk ook maar iets voelt. Dit put me al uit. Het gaat een heel, heel lang revalidatieproces worden. Dan breng ik opnieuw trillerig uit: ‘Evan, ik hou van je.’
Ik voel zijn adem in mijn hals wanneer hij het terugzegt. En opnieuw, gevolgd door zijn verklaring over hoe bang hij wel niet was om me kwijt te raken.
Ik leun steeds heviger tegen hem aan, voel steeds meer energie uit mijn lichaam sijpelen, alsof het regent.
‘Je moet terug naar bed,’ concludeert hij en hij omhelst me niet meer, maar heeft me nog wel stevig vast, voor het geval dat. Hij wendt zich tot de politieagent en zegt, bijna beschuldigend: ‘Ik zei toch dat ze in paniek zou raken als ze wakker zou worden in een kamer met alleen politieagenten?’ Hij wacht niet op een antwoord. ‘Waar is haar kamer?’
De politieagent mompelt en wijst wat, waarna hij ons voorgaat. Ik loop zo goed mogelijk mee, maar al gauw heeft Evan door dat hij mij eerder meetrekt dan dat ik zelf loop en met een bezorgde frons staat hij stil.
‘Gioa? Gaat het wel?’ vraagt hij met een onderzoekende blik. ‘Kun je lopen?’
Ik knik, al geloof ik het zelf niet eens. ‘Ja. Ja, prima.’
Hij schudt afkeurend zijn hoofd. ‘Gioa, je hebt... je hebt heel veel bloed verloren,’ zegt hij en hij perst de woorden eruit, alsof ze pijn doen. Ik heb niet precies door wat er gebeurt, maar opeens heeft hij me opgetild. ‘Echt heel veel.’ Ik weet niet meer tegen wie hij het heeft, dus ik zeg niets meer.
Hij loopt mijn ziekenhuiskamer binnen en legt me neer op het bed.
‘Gioa Annelson?’ begint een van de agenten. ‘Kunt u uw vriend even wegsturen? We moeten eerst van u weten wie wel en niet te maken heeft met het misdrijf voordat we bezoekers toelaten.’
Evan kijkt hem fel aan.
‘Ze is niet aanspreekbaar, op het moment. Ik raad jullie aan later terug te komen.’ Zijn stem is ijzig en formeel, maar toch klinkt hij boos.
‘Zoals ik al zei...’ begint een ander, maar ik onderbreek hen.
‘Evan niet,’ zeg ik en ik haat het dat ik huil, dat mijn ademhaling snikkend en haperend is. ‘Evan heeft er niets mee te maken. Ik... ik wil dat hij blijft. Alsjeblieft.’ Ik krimp ineen.
Blijkbaar kunnen deze agenten niet heel goed tegen huilende vrouwen, of maakt Evan gewoon veel indruk, want ze stemmen er stilletjes mee in en verlaten de ruimte.
Evan grist en stoel uit de hoek en komt naast het bed zitten, voorovergebogen, zijn hoofd in zijn handen.
Net wanneer ik naar mijn moeder wil vragen, naar James, naar of ik ooit nog volledig ga genezen, begint hij te huilen.
‘Evan?’ vraagt ik zachtjes, met trillende stem. Ik pak zijn hand vast, maar kan me er niet toe brengen om er een kneepje in te geven.
Zijn andere hand bedekt zijn gezicht en het duurt even voordat hij door de tranen heen iets kan zeggen.
‘Ze hebben je geopereerd. Het... het duurde heel lang.’ Hij krimpt met een snik ineen, gebukt onder de kracht van de herinnering. ‘Er ging iets mis.’ Huilend schudt hij zijn hoofd. ‘Je hart stopte.’

Reacties (2)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven.

    2 jaar geleden
  • BethGoes

    Jij bent een verdomd goede schrijver. Het zal mijn niet verbazen dat ik over een aantal jaar jou boeken als besteller tegenkom!

    (Even nog een vraagje: als er kogels in Gioa zijn geweest... hoe kan ze dan Evan een knuffel geven?)

    3 jaar geleden
    • AmeranthaGaia

      Pijnstillers, voornamelijk. Bovendien is Gioa echt niet iemand die op haar eigen welzijn zal letten wanneer Evan hulp nodig heeft. Zo dom/aardig/whatever is ze wel.

      3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen