“Alia?” Mijn stem klinkt bezorgd en schor. “Jenny?”
Niets, ze zijn beiden weg, Lolan niet, uiteraard, hem ben ik tegengekomen in zijn kamer. Ik ben eerst naar daar gespurt omdat ik dacht dat Alia daar misschien was, na gisteren. Ze was er niet, ze is er zelfs de hele nacht niet geweest. En of Lolan het oranje licht gezien had? Hij zei van niet, maar ik geloof er niet veel van, ik denk dat hij niet wou gaan kijken omdat hij niet durfde. Meteen toen ik het licht zag ben ik uit mijn bed gesprongen en naar de centrale kamer gerend, maar ik had mijn broek niet goed aan, dus ik ben gestruikeld. Het is belachelijk, ik kan blijkbaar magie gebruiken, maar ik struikel over mijn broek waardoor ik me hard stoot en niet op tijd in het midden ben.
Eerst dacht ik dat alleen Jenny weg was, het licht was oranje dus het moet het portaal naar Hiën geweest zijn en zij had heimwee, dat kon je van ver zien. Ik had alleen niet gedacht dat ze ook werkelijk alleen ging teruggaan, dat is levensgevaarlijk.
Waarschijnlijk heeft Alia het licht ook gezien en is ze moedig als ze is achter Jenny aangegaan. Maar wat ik vreemd vind is dat ze haar uitrusting mee heeft, daar kan ze onmogelijk tijd voor hebben gehad. Zoveel vertraging heb ik ook niet opgelopen bij het struikelen.
Toen ik uiteindelijk toch de centrale kamer binnenkwam sloot de poort zich net. Ik heb nog niet geprobeerd het te heropenen. Ik zou niet weten waar in Hiën ze naartoe gelopen zijn. Ik ben geen jager, ik kan geen sporen zoeken en ik durf ook mijn magie niet te gebruiken, stel dat die draak weer naar daar komt. Dat ding vliegt waarschijnlijk met gemak over de kloven.
Ik geef het toe, ik ben bang, en laat ik daardoor mijn vrienden in de steek? Misschien, maar wat kan ik daar alleen gaan doen. Ze zijn waarschijnlijk perfect inorde en breng ik iedereen in de problemen door alleen ernaartoe te gaan.
Ik zucht, het zijn allemaal excuses natuurlijk, ik durf gewoon niet. Als we met 4 zijn kunnen we elkaar beschermen, maar als ik alleen moet gaan op een plek die ik niet ken, dat is om problemen vragen.
Ik ga maar terug naar mijn kamer, eens kijken of ik wat kan vinden over Hiën, daarna zal ik gaan. Ze komen waarschijnlijk wel terug, eventjes tijd voor de dames allen, toch? Ze zijn sterk genoeg om op zichzelf te passen.
Het exacte moment dat ik mijn kamer binnenstap voel ik iets. Problemen! De steen in mijn boek gloeit op. Volgens mij zijn onze 4 stenen met elkaar verbonden, en aangezien de elke steen met zijn eigenaar verbonden is, wordt er doorgegeven als er iets fout gaat.
Zonder verder na te denken loop ik terug naar de centrale kamer en dan door naar Alia’s kamer
De cirkels liggen nog in de juiste volgorde, even eentje heen en weer schuiven en dan zou het portaal moeten opengaan. En inderdaad, het oranje licht verschijnt en spreidt zich uit. Het portaal is open.
Tijdens het spurten naar het centrum klem ik mijn boek goed vast en roep ik Lolan. Deze keer moet hij toch ook naar het centrum komen, toch?
“Lolan, hier! Nu! Er is iets mis met Alia en Jenny, maak dat je hier bent!”
Tegen mijn verwachtingen in loopt Lolan net de centrale kamer binnen wanneer ik er ook binnen kom.
“Waar wacht je dan op.” Gromt hij en stapt het portaal door.
Ik volg hem, er is geen tijd te verliezen. Waarom ben ik niet vroeger vertrokken, die excuses sloegen nergens op.
Tijd om te genieten van het warme oranje licht is er niet. We zijn in Hiën, maar we moeten voort. Het is hier echt heel erg warm. Ik weet niet of ik het volhoud om tot aan het dorp te lopen, het is wel een eindje, en dat in deze hitte.
“Ze zullen in het dorp zijn Lolan, Jenny zei nog dat ze daar woonde, en Philippe erbij, Hij is smid dacht ik, dus misschien moeten we de smidse eerst zoeken. Of het tumult in het dorp volgen als ze werkelijk aan het vechten zijn.”
Lolan bromt, maar balt zijn vuisten, ik denk dat hij op een gevecht hoopt. Ik niet, ik weet niet hoelang ik me kan verdedigen. Fysiek stel ik niets voor, dat weet ik ook wel. Maar magie gebruiken kost veel moeite, het put me uit. We zien het wel als we in het dorp zijn, misschien is er geen gevecht en was mijn gevoel fout. Maar dat betwijfel ik toch.
Tijdens mijn overpeinzingen merk ik iets op van net buiten mijn gezichtsveld. Iemand volgt ons.
“Lolan, niet kijken, maar rechts achter die dode bosjes zit iemand ons te volgen. Je moet er niet naar kijken maar …”
Op dat moment draait Lolan zich om in de richting van de bosjes om te kijken wat er is.
“… het is maar dat je op je hoede bent.”
Ik zucht, ik had het kunnen weten.
“Welk deel van niet kijken heb je niet begrepen?” vraag ik geïrriteerd.
“oh, ja …” zegt hij zonder weg te kijken. “Maar ik zie daar niets, je hebt je vergist Gale.”
Zonder me aan te kijken loopt hij weer de weg op in de richting van het dorp. Ik weet zeker dat ik me niet vergist heb, maar het is niet omdat iemand ons volgt dat het een rechtstreeks gevaar is. In elk geval zal ook Lolan op zijn hoede zijn voor een komende aanval.
Zonder problemen geraken we tot in het dorp, de mensen in de straat kijken ons raar aan. Het kan drie dingen betekenen. We zijn niet de eerste vreemdelingen in het dorp vandaag, onze kleren zijn anders dan ze gewoon zijn of in het dorp kent iedereen elkaar en wij horen daar niet bij.
Ik schraap mijn moed bij elkaar en loop naar de eerste beste vrouw. Ze draagt een mand met appels, wanneer ze me opmerkt kijkt ze me geïrriteerd aan.
“Excuseer mevrouw, zou u ons kunnen zeggen of hier twee meisjes gepasseerd zijn? Eentje is blond en draagt een zwaard, de andere heeft bruin haar en zou een boog kunnen bij hebben.”
Ik hoor de vrouw zuchten.
“Je hebt het over Rikkert’s dochter, ze is al een tijdje niet meer gezien in het dorp, maar vandaag liep ze me samen met dat meisje met bruin haar me bijna omver. Er zijn appels op de grond gevallen, maar dat maakt niet uit. Die arme meid weet nog niet wat er met Rikkert en zijn vrouw gebeurd is, mogen de Goden genadig zijn. Ze liepen in de richting van het huis.”
De vrouw wijst tussen de huizen door. Ik vraag me af wat ze bedoelt, maar ik vrees het ergste. Zelfs onze families, als we ze al zouden hebben, zijn niet veilig.
“Danku mevrouw, weet u ook waar de smidse van Philippe is?”
“Dat is dezelfde richting uit, naast het huis met de twee schoorstenen naar rechts, je kan hem niet missen. Hier heb je nog twee appels jongens, laat het je smaken”
Ze keert me de rug toe en gaat verder met haar dagelijkse bezigheden. Ik geef een van de appels aan Lolan en bijt in de mijne. Lekker sappig, zoet, en nog een smaak dat ik niet meteen kan thuisbrengen. Maar ze zijn anders dan bij mij thuis. Alsof er in Sinnih meer water in de appels zitten.
Lolan kijkt me vol ongeloof aan.
“Ben je gek! Appels zijn giftig! Dat weet iedereen, wil je graag dood of zo?” Schreeuwt hij uit.
De oude vrouw lijkt het gehoord te hebben, net als alle andere mensen die vlakbij staan. Ze kijken hem verbaasd aan, ikzelf ook natuurlijk. Giftige appels, wie heeft daar ooit van gehoord? Zelfs niet in de verhalen die ik gelezen heb, staat er niets over in.
“Lolan,” begin ik voorzichtig, “ik weet niet wie je dat wijsgemaakt heeft, maar appels zijn net heel gezond en lekker.
“Nee! Dit keer geloof ik je niet, de rode kleur lokt kinderen om ze te plukken en te eten, maar elk kind dat er maar één enkele hap van doet, sterft een pijnlijke dood voor Montiorus de zon te slapen legt.”
Hij schudt zijn hoofd.
“Er zijn verhalen van volwassenen die een stukje appel eten omdat ze stoer willen doen, ze hebben een week lang helse pijnen en worden dan langzaam beter, maar niemand die een volledige appel op heeft, overleeft het.”
Daar is het weer, uit mijn ooghoeken merk ik dat er iemand bij komt staan waarvan mijn haren overeind springen. Er staat een hele groep mensen, maar er is 1 persoon die er bovenuit komt, ondanks dat ze niet groot is, vult ze mijn volledige aandacht. Haar donkerbruine ogen, priemen onze richting uit. Haar zwarte haar golft in de lichte bries en neemt meer volume in dan je voor mogelijk houdt. Ze lijkt maar zo oud als dat ikzelf ben, maar ze heeft iets dodelijks over haar. Ze maakt me bang, maar ze heeft een interessant angstaanjagend verhaal. Hoewel ik met haar wil praten om te ontdekken wat ze weet, schreeuwt mijn instinct dat we van haar weg moeten komen, zo snel mogelijk.
“Lolan,” fluister ik naar hem zonder mijn aandacht aan het meisje te laten ontsnappen, “we moeten hier zo snel mogelijk weg, welgeteld nu!”
“Maar je gaat sterven aan die appel!” houdt hij vol.
“Lolan, we zijn niet in Unovih! Ik ben er zeker van dat het hier anders is, maar als je het niet gelooft, dan eet je jouw appel maar niet op, we moeten nu echt weg.”
Een man uit het publiek staart ons vol ongeloof aan. “Unovih? Dat kan niet. Jullie … Jullie…”
Een andere stem neemt over. “Het zijn helpers van Ja’afar!”
Een halve tel later zakken ze allemaal op hun knieën, behalve het meisje. Nu weet ik zeker dat we in de problemen zitten.
“Nee! Echt niet, integendeel. Maar we moeten nu echt gaan, sorry voor de drukte.”
Ik probeer Lolan voor me uit te duwen, maar hij staart en wijst in de richting van het meisje.
“Waarom zakt zij niet op haar knieën, en wat is er mis met haar, er is iets.”
Zelfs hij voelt het, maar hij zal niet toegeven dat ze hem rillingen bezorgd.
“Zwijg en loop, we moeten naar de smidse, ik heb het gevoel dat we niet veel gaan vinden aan Jenny’s huis.”
Iedereen gaat weer op zijn of haar voeten staan terwijl wij ons een weg door de menigte duwen. Met een blik naar achteren, zie ik dat het meisje weg is. Ik hoop dat we ze niet tegenkomen onderweg, dan gaat er iets fout gaan.
Met mijn boek in mijn handen zetten we het op een lopen. Ik voel de blikken van de nog steeds groeiende menigte achter ons. Ze zijn druk door elkaar aan het praten. Ik hoef er niets van te verstaan om te weten dat het over ons gaat. We komen aan het huis met de twee schoorstenen, ik loop naar rechts, maar Lolan let niet op en loopt gewoon door.
“Lolan! Hierheen!”
Wanneer hij me weer voorbij, komt bromt hij dat ik hem ook nooit iets vertel. Ik zie de smidse! Lolan ook, hij is natuurlijk sneller dan mij, en dat moet hij laten zien. Ik grinnik, ondanks de gedachten aan het meisje, Lolan kan maar niet verkroppen dat ik hem heb verslagen met magie in plaats van kracht. Maar hij heeft mij gered van de draak, en dat terwijl ik gewoon mijn hand omhoog deed, iets mompelde en … . Ik herinner het me! Lolan heeft me niet gered! Ik heb woorden gemompeld, woorden die ik niet kan herhalen, ik weet het niet, het was instinctief. De kracht door mijn hand uit mijn lichaam gevloeid, maar de draak hield op met bestaan. De magie heeft hem opgeslorpt en iets nieuws gecreëerd, ik weet alleen nog niet wat er gecreëerd is. Het heeft geen zin om daarbij stil te staan. We hebben genoeg problemen, alles op zijn tijd. Nu eerst Jenny en Alia zoeken, en hopen dat ze niet zwaargewond zijn.
Wanneer ik de smidse ook binnenkom, zie ik net dat Lolan Philippe bij zijn kraag neemt.
“Waar zijn ze?”
“Ik weet het niet, ik heb hen gezegd naar hier te komen, misschien is er onderweg iets gebeurd.
Ik zie Philippe grote ogen trekken terwijl hij langs Lolan en mij heen naar de deuropening kijkt. Ik draai me om en zie een gedaante staan.
“Hey Jongens.” klinkt het.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen