“Those three words.
Are said too much,
They’re not enough.”

Justine Heidi Harbours

Met een glimlach op mijn gezicht kijk ik naar Ariel, die met Brady en Collin aan de waterlijn staat. Ariel schopt wat water in Brady’s richting, die op zijn beurt haar in het water dreigt te gooien met de hulp van Collin. Het valt me op hoe beide Ariel nauwelijks aanraken en zonder dat de jongens het weten ben ik ze dankbaar. Niet alleen omdat ze haar bubbel respecteren, maar ook omdat ze haar zo kunnen laten stralen en haar zo zorgeloos kunnen maken. Zelfs in haar eigen club met doven en slechthorenden was ze niet zo vrij.
      ‘Je lijkt zoveel van haar te houden,’ merkt Embry ineens op. Hij gaat op Ariels handdoek zitten, die naast die van mij ligt, en zijn ogen flitsen van Ariels vrije figuur naar mijn gezicht.
      Onwillig begin ik te glimlachen. Al vanaf mijn zesde zorg ik voor haar, omdat toen de hel begon. Onze moeder was laf, want nooit heeft ze overwogen om voor ons haar man te verlaten. Iedere dag draaide ze haar rug naar ons toe, terwijl ze toeliet waar vader het beste in is: zijn kleine dochtertjes mishandelen. Ik glimlach waterig en kijk Embry even aan. ‘Ja, ik hou heel veel van haar.’
      ‘Dat is goed,’ antwoordt Embry met een glimlach die mijn hart een slag over laat slaan. Zijn ogen vinden de mijne en zijn glimlach lijkt nog groter te worden, als dat überhaupt mogelijk is. ‘Mis je je oude woonplaats?’
      Ik bijt even op mijn lip, terwijl ik over die vraag nadenk. Voor geen seconde heb ik aan mijn zogenaamde vrienden gedacht, maar het bezig zijn wel. Meestal was ik pas tijdens of na het avondeten thuis, omdat ik altijd wel druk met iets was, dus dat betekende minder tijd voor mijn vader om me af te ronselen. Uiteindelijk haal ik mijn schouders op. ‘Salem persé mis ik niet, noch de mensen in Salem, maar ik was altijd wel druk en dat mis ik wel een beetje.’
      Embry trekt geïnteresseerd zijn wenkbrauwen op. ‘Druk?’
      Ik glimlach even als ik terugdenk aan mijn positie als hoofdcheerleader. Ik ben altijd een van die leerlingen geweest die hoge cijfers kan halen en tijd genoeg heeft voor sport. En sommige mensen vinden dat niet leuk. ‘Ja, ik hielp de leerlingenadministratie, ik leidde de school- en feestcommissies en ik was hoofdcheerleader en zo’n beetje lid van bijna iedere andere sport. En nog een paar andere dingen.’
      Embry’s ogen worden groot en hebben een duidelijke glans van bewondering. Hij fluit tussen zijn tanden door en ik voel mijn wangen warm worden. Ik hoop dat hij me geen opschepper vind, want dat was niet de intentie. Ik beantwoordde gewoon zijn vraag.
      ‘En ik vond mezelf knap omdat ik high school überhaupt overleefd heb zonder een jaar over te doen,’ zegt Embry, terwijl hij zijn wenkbrauwen fronst. Hij schudt lachend met zijn hoofd. ‘Maar dat valt behoorlijk weg met wat jij allemaal gedaan hebt.’
      Ik voel mijn wangen nu helemaal rood worden en ik draai mijn hoofd naar de zee, zodat mijn witblonde lokken mijn gezicht deels verbergen. Ik staar naar mijn voeten, die zich een weg in het mulle zand proberen te vinden. We zitten op het zand-gedeelte bij de zee, in plaats van de harde keien, op verzoek van niemand minder dan Ariel. Het is jaren geleden dat ik naar het strand ben geweest. Misschien wel veertien of vijftien jaar. Het is dus behoorlijk duidelijk dat ik me er niet veel meer van kan herinneren.
      ‘Ik denk dat high school leven een prestatie op zich is,’ zeg ik nog zachtjes. De wind die zachtjes in mijn haren blaast, neemt mijn woorden mee, maar Embry lijkt ze toch gehoord te hebben, want ik hoor hem grinniken. De zon is gelukkig niet te warm, dus ik kan de reden waarom ik mijn kleding aanheb daarop afschuiven. Ik heb een dun vestje aan en een spijkerbroek met een paar gaten die mijn blauwe plekken niet laten zien en hoewel ik het een standaard outfit vind, heeft Embry me er toch een complimentje over gegeven.
      ‘Oh, daar komt de rest,’ grijnst Embry ineens. Hij reikt me enthousiast zijn hand aan en na een moment van aarzeling grijp ik zijn hand beet. Zodra hij me overeind trekt, voel ik een bom van pijn in mijn stuitje barsten. Het doet al wel wat minder pijn dan een paar dagen geleden, maar ik kan het toch niet helpen om even pijnlijk te grimassen. Embry lijkt het door te hebben, want hij kijkt me bezorgd aan. ‘Heb je ergens pijn?’
      ‘Ik ben op mijn stuitje gevallen,’ zeg ik, terwijl ik nonchalant mijn schouders op haal. Hoeveel mensen vallen er wel niet op hun stuitje en hebben er last van? Ik hoop een heleboel, want anders ben ik de klos.
      Embry koopt de leugen en glimlacht medelevend. ‘Dat hebben we allemaal weleens gehad,’ zegt hij schouderophalend. Hij fronst even. ‘Niet dat dat het minder pijnlijk maakt natuurlijk. Als je een paracetamol of iets wilt moet je het maar zeggen.’
      Voor even ben ik uit het veld geslagen door Embry’s bezorgdheid. In eerste instantie dacht ik dat iedere man zoals mijn vader is, maar het zal mijn vader een worst wezen of we pijn hebben. Embry daarentegen lijkt oprecht bezorgt, iets wat zorgt voor een oprecht glimlachje op mijn gezicht.
      Lang de tijd om te dagdromen heb ik niet, want een stel joelende mannen komen aangestormd. Achter ze lopen een paar meiden en een vrouw, een stuk rustiger dan hun stoeiende vrienden.
      ‘Dus dat is je vriendinnetje, Embry?’ roept één van de mannen uit, terwijl hij een hap van zijn kippenpoot neemt. Hij lijkt net iets ouder dan Embry te zijn, maar ik durf zijn echte leeftijd niet te gokken. Ik dacht dat Embry ook vijfentwintig was en dat zijn zes jaren te hoog geschat. Ik kijk nog net op tijd op om te zien hoe een van de meiden de man een afstraffende klap op zijn arm geeft. Het is bijna vanzelfsprekend dat zij zijn vriendin is.
      ‘Dat heb ik niet gezegd,’ kaatst Embry terug. Hij rolt met zijn ogen, maar als ik vanuit mijn ooghoeken kijk, is het nu best wel duidelijk dat zijn wangen lichtjes rood kleuren.
      ‘Dat is waarom jullie hand in hand staan!’ buldert een andere jongen, een duidelijke grijns op zijn gezicht. Hij steekt zijn duim op naar Embry en stuurt hem ook nog een onsubtiele knipoog, alsof hij nog niet genoeg gehint heeft.
      Geschrokken kijk ik naar beneden en trek ik mijn hand, die verstrengeld was met die van Embry, terug tegen me aan. Ik heb helemaal niet doorgehad dat ik continu Embry’s hand vast heb gehouden, maar nu zijn hitte verdwenen is, voelt mijn hand leeg en koud.
      Embry glimlacht even geruststellend, alsof er niets aan de hand is, en ik kan niet anders dan met een hoofd dat ongetwijfeld zo rood als een boei is, weg kijken naar mijn zusje, die de nieuwe mensen nog niet gezien heeft. God, wat gênant.

Reacties (3)

  • iceprinces14

    Nawhh, snel verder!!!

    2 maanden geleden
  • LarryNiam

    Ahhh wat schattig<3
    Snel verder:)

    2 maanden geleden
  • Slughorn

    Nawh je overleeft het wel meisje ^^
    Embry is een leuke boyfriend (;

    2 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen