“And all these sorrows I have seen,
They lead me to believe,
That everything’s a mess.”

Justine Heidi Harbours

Ik glimlach naar Embry, terwijl ik nerveus een lok met haren achter mijn oor schuif. Ik ben zo slecht in dit soort situaties. In Salem zijn er wel jongens geweest die me aandacht gegeven hebben, maar dat was alleen om de verkeerde redenen. Embry lijkt me oprecht aardig en ik wil het niet verpesten met hem. Ik schuifel even met mijn voeten en laat mijn blik afdwalen naar de bosrand.
      ‘Ik hoop dat je het strand leuk vond,’ zegt Embry dan.
      Mijn ogen flitsen naar zijn gezicht. De manier waarop zijn gezicht gemaakt is, scherp, maar met zachte randjes, fascineert me. Het lijkt wel alsof hij door de beste artiest op de wereld uit marmer gehouwen is. Ik hoop dat mijn gezichtsuitdrukking vol dankbaarheid spreekt, want dat is wat ik ben. ‘Ik vond het heel leuk. Ariel heeft zich ook vermaakt.’
      Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar mijn zusje die bij de deur staat. In plaats van de vrolijke glimlach die ze de hele middag op haar gezicht heeft gehad, is haar gezicht wit weggetrokken. Haar hele lichaam lijkt te trillen, al zou het voor iemand anders niet zichtbaar zijn, en haar ogen staan glazig, alsof ze op ieder moment in tranen uit kan barsten. Ik vraag me af wat er in vredesnaam mis met haar is, maar dan valt mijn blik op haar handen. De gebaren die ze maakt zijn subtiel, slordig en schokkerig en ieder ander zou denken dat ze met haar vingers aan het friemelen is, maar ik kan de woorden met gemak volgen. Pap is thuis, pap is thuis, pap is thuis, pap is thuis.
      Het gaat maar door en door, terwijl het voelt alsof het bloed in mijn aderen bevriest. Ik weet dat mijn gezicht lijkwit is als ik naar Embry kijk en de bezorgde uitstraling op zijn gezicht spreekt boekdelen. Hij heeft door dat er iets mis is.
      ‘Is er iets, Justine?’ vraagt hij. Hij lijkt geen moeite te doen om de bezorgdheid uit zijn toon te houden en ik vraag me af waarom het hem überhaupt kan schelen of het goed gaat. ‘Voel je je niet lekker? Misschien moet je even gaan zitten.’
      ‘Nee, alles is goed,’ zeg ik. Ik forceer mijn mondhoeken heimelijk omhoog en ik merk dat het een stuk moeilijker is om te liegen tegen Embry. Hij fronst alsof hij me niet gelooft en ik doe mijn best om mijn paniek en angst te onderdrukken. Ik ga nog een stapje verder en laat een nep gaap horen. ‘Ik ben gewoon wat moe. Verhuizen is immers niet niets. Als ik zo even gezeten heb gaat alles weer goed.’
      ‘Oké, dan,’ zegt Embry. Hij kijkt me nog steeds aan alsof hij twijfelt, maar dan haalt hij zijn schouders op en glimlacht hij, nog steeds bezorgd, en ik voor een seconde voel ik me schuldig dat ik gelogen heb. ‘Ik zie je maandag dan op school weer.’
      ‘Zeker,’ antwoord ik met een overtuigende glimlach. Ik zet een paar stappen richting Ariel en daarbij ook richting pijn, marteling en iets dat ik niet anders kan omschrijven dan hel. ‘Bedankt voor de leuke middag en tot maandag.’
      Embry zwaait nog even en loopt vervolgens de straat uit. Een deel van me hoopt dat hij zich omdraait en nog een keer vraagt of alles wel goed gaat, want ik weet zeker dat ik dan breek. Ik weet welke pijn gaat komen en ik zou bijna alles doen om het te voorkomen. Ik wil dat Embry zich omdraait en Ariel en mij gebaart te volgen, om ons naar een veilige plek te leiden waar geen man zoals mijn vader ooit kan komen.
      Maar dit is geen sprookje. Embry verdwijnt uit het zicht en Ariel en ik zijn aan ons eigen lot overgelaten.
      Ariel wilt de deur openmaken, maar ik zet snel een stapje naar voor en loop voor haar het huis in. Ik probeer me zo groot als mogelijk te maken, zodat ik zoveel als mogelijk Ariel achter mijn lichaam kan laten verdwijnen, maar het is best wel hopeloos. Ariel en ik verschillen niet zoveel qua lengte, maar ook niet qua postuur.
      ‘Dus, waar waren jullie?’ klinkt de kille stem van mijn vader, vanuit de keuken.
      ‘We waren naar het strand,’ beantwoord ik mijn vader. Er is een trilling in mijn stem die ik wel kan vervloeken en ik bijt afwachtend op de binnenkant van mijn wang.
      Ariel en ik lopen de hal uit en de keuken in. Mijn vader zit alleen aan de tafel. Hij heeft zijn emotieloze ogen op de lege fles wodka in zijn rechterhand gericht. Hij gooit de glazen fles naar zijn andere hand en weer terug, tot hij zich zichtbaar verveelt en ons boos aankijkt. Zijn ogen zijn rooddoorlopen van de alcohol en hebben likkende vlammen in zich. Hij is woedend, nee, razend.
      Voor ik ‘boe’ kan zeggen, heeft mijn vader de glazen fles naar ons gegooid en ik kan nog net op tijd opzij springen, voordat de fles recht op mijn voorhoofd landt. In plaats daarvan knalt de fles tegen de muur naast mij en Ariel en barst er een confetti van glazen deeltjes en splinters los. Ik bescherm mijn ogen met mijn arm, terwijl ik me zo klein mogelijk maak. Het geluid van suizend bloed en een opgejaagde hartslag mixt met het geklingel van vallend glas.
      Als het geklingel stopt, kijk ik beschermd over naar mijn zusje. Een glassplinter heeft haar in haar wang geraakt en een klein stroompje bloed stroomt over haar wang. Ik maak een mentale notitie om zo meteen een fles alcohol mee naar onze kamer te smokkelen, zodat ik haar wang schoon kan maken.
      ‘Ariel,’ sneert onze vader, een afgunst duidelijk hoorbaar in zijn stem. ‘Verdwijn.’
      Ik geef mijn zusje een klein duwtje in haar rug, zodat ze weet dat ze weg kan, terwijl ik langzaam omhoog krabbel. Vanuit mijn ooghoeken zie ik Ariel haast dansend weglopen om het glas te ontwijken. Het is dans die ik haat om te zien, omdat het laat zien hoe ontzettend kwetsbaar ze is.
      Ik kijk op naar mijn vader, alle emoties van mijn gezicht verdwenen. Ik vraag me af wat hij in zijn hoofd heb, maar ik stop al snel met het malen van welke straf hij nu gepast gaat vinden, aangezien het me toch een onnodige hoofdpijn bezorgd. Ik kijk toe hoe mijn vader met een gekromde vinger gebaart dat ik voor hem moet komen staan en onwillig zet ik een paar stappen vooruit.
      Ik durf mijn vader niet in zijn ogen te kijken, maar ik weet dat als ik dat niet doe, dat hij me toch wel zo’n klap geeft dat ik niet anders durf te doen. Zijn ogen bezorgen me kriebels en achtervolgen me in mijn dromen en nachtmerries. Oh, hoe ik die kille ogen haat.
      ‘Dus je vindt het leuk om de hoer uit te hangen, Justine, nietwaar?’ vraagt mijn vader met opgetrokken wenkbrauwen. Hij slaat zijn armen over elkaar en kijkt me afwachtend aan.
      Ik slik ongemakkelijk en schud met mijn hoofd. Hij heeft geen reden nodig, maar wanneer hij een reden heeft is alles duizenden keren zo erg. Ik voel de grip van mijn vader om mijn arm en huiver van de nieuwe glans in zijn ogen.
      ‘Dat is een leugen en dat weten we allebei,’ zegt mijn vader met een grijns. Zijn vinger glijdt over mijn wang en hij buigt zich voor over. Ik sluit mijn ogen en zodra zijn vieze alcohol lippen mijn nek raken, dwing ik mijn lichaam niet te voelen. Gewoon niets, niets, niets, niets voelen.


Oh my lord guys! Twee nieuwe abos en zes reacties? Ik ben de gelukkigste persoon op aarde! Dat had ik niet verwacht, maar daarom speciaal voor jullie nog een hoofdstuk <3333

Reacties (8)

  • EvaSalvatore

    Embry heeft suoer gehoor. Pleaaaseee laat hem dit doothebben.. oh boy

    SNEL VERDER (met alle verhalen hihi)

    7 maanden geleden
  • Frodo

    Damn ik had echt gehoopt dat Embry nog iets ging zeggen :c

    7 maanden geleden
  • LarryNiam

    Oh my hell no, laat iemand hun redden asjeblieft....

    7 maanden geleden
  • AroonCat

    Nee, nee, nee! Embry vond het raar gedrag en is gaan wachten en hij hoort dat het mis is! Save them Embry!!! Ooooooooooooooh nooooooo....

    7 maanden geleden
  • VampireMouse

    Ow fack ik hoop echt dat embry z'n super gehoor wat heeft gehoord en hij terugkomt!
    Snel verder!!

    7 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen