Foto bij H.110.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Evan zucht en ik klaag, alsof hij er niet eens bij is: ‘Waarom is James hier, precies?’
‘Omdat we idioten zijn,’ antwoordt Evan en blijkbaar kan het hem niet meer schelen, want hij kust me. En mij kan het ook niet meer schelen. De schotwond, mijn moeder, James. Het kan me niet meer schelen. En ik kus hem terug.

We vallen in slaap op de bank en worden daar ook een paar uur later weer op wakker. Evan lijkt steeds meer te ontspannen, alsof de zenuwen langzaam wegglippen.
‘Ik wil proberen te lopen,’ zeg ik na een tijdje.
Evan verstijft. Toch klinkt hij kalm als hij zegt: ‘Gioa, ik weet niet of dat een goed idee is.’
James staat spontaan op van zijn stoel. Eerst denk ik dat hij iets wil gaan zeggen, maar dat doet hij niet. Onrustig begint hij heen en weer te lopen, zijn handen onregelmatig tot vuisten ballend. Hij is het er niet mee eens, maar heeft al door dat ik niet van gedachten ga veranderen.
‘Evan, het is ook geen goed idee, maar ik wil het proberen. Dan kunnen we het beter doen als jij hier bent om me te helpen als er iets misgaat.’ Dat ik dat zo makkelijk zeg, betekent dat ik zelf minder bij die woorden voel dan ik laat blijken. Ik probeer hém te overtuigen, niet mijzelf.
Hij zucht en staat op, draait zich naar me om. Hij is één en al bezorgdheid.
Ik pluk het dekentje van mezelf af en kom langzaam overeind. Mijn gezicht vertrekt, samen met die van Evan en James omdat ze zien dat ik pijn heb.
‘Gioa, doe jezelf dit niet aan,’ probeert Evan me over te halen, maar dat werkt niet.
Ik kijk kort naar James, die in de hoek van de kamer is gaan staan. Hij leunt tegen de muur, zijn achterhoofd tegen het behang. Hij heeft zijn armen over elkaar haan geslagen en zijn spieren zijn aangespannen. Hij kijkt alsof hij nog nooit zoiets pijnlijks heeft meegemaakt als dit, maar verroert geen vin.
Ik zet een stap en zak door mijn knieën van de pijn. Ik kan even niet scherp zien en de hele wereld lijkt uit speldenprikken te bestaan.
Evan maakt een ontzet geluidje en wil al naar me toe komen om me overeind te helpen, maar ik steek mijn hand naar hem op.
‘Nee.’ Het komt er maar zwakjes en hijgend uit. ‘Nee, ik wil het zelf doen.’
Ik kijk door de tranen even op naar James en gekweld kijkt hij terug. Van ellende wend ik mijn blik af.
Leunend op de salontafel sleur ik mezelf haast weer overeind. Evan staat ineens een stuk dichterbij dan eerst. Ik tril helemaal. Mijn knieën kan ik niet stil krijgen, mijn vingers schokken bijna.
Maar ik zet een stap. Ik zet een stap en weet te blijven staan. Het voelt vreemd. Het doet zeer. Maar het lukt.
Waarom vind ik dit ook alweer een goed idee?
Ik zet nog een paar stappen, maar het gaat steeds moeizamer. En ik zak na een vierde stap in elkaar. Evan vangt me verrassend snel op, alsof hij zijn hele leven lang getraind heeft om dit te doen.
Ik probeer hem weg te duwen en ondanks dat ik er onmogelijk sterk genoeg voor ben, laat hij me los en blijf ik op mijn knieeën op de grond zitten.
Ik krimp ineen en begin te huilen. Ik voel me hulpeloos, volledig verloren. Er zijn maar weinig momenten dat ik me zo verslagen heb gevoeld. Ammays dood was de laatste keer, maar dat was toch anders. Het voelde anders. Net als al die keren dat mijn moeder me sloeg. Het was wél mijn moeder. En ik had goede herinneringen aan haar, die me als een vloek achtervolgden. Toen voelde ik me verward. Nu niet. Nu weet ik precies wat er aan de hand is. En ik weet dat ik niks kan doen.
Nu ik erover nadenk, is er maar één keer dat ik me zo gevoeld heb: Toen ik dertien was.
Ik liep toendertijd een krantenwijk. En ik liep op gewoon een dag door gewoon een van de wijken waar ik altijd kwam, dag in dag uit. Het was niets nieuws. Ik deed het zo vaak. Ik kende een aantal mensen. En hem kende ik ook, of had ik in ieder geval een paar keer gezien, nog voordat hij die dag op me af kwam lopen.
Hij was een Geoff LeNoir-achtig type, met een doordringende blik. Hij keek alsof hij alles om zich heen haatte, maar tegelijkertijd alsof alles om hem heen zijn bezit was.
En hij volgde me. Ik merkte het toen ik ongeveer halverwege de straat was. Ik werd onrustig, zenuwachtig, maar deed niks. Ik dacht er niet te veel van, want hoe zou de buitenwereld nou gevaarlijker kunnen zijn dan mijn eigen huis?
Hij kwam steeds dichterbij, ondanks dat ik sneller begon te lopen. Ik wilde naar de andere kant van de straat lopen, maar dat kon niet. Ik moest immers stomme kranten in stomme brievenbussen van allemaal mensen stoppen die vast ook heel stom waren.
Al gauw had hij me ingehaald en toen niemand oplette, sleurde hij me een steegje in. Ik kon in het begin niet schreeuwen. Ik versteende alleen maar.
Hij zei dat ik hem had uitgedaagd. Al wekenlang. Omdat ik soms naar hem keek, als ik langsliep. Een paar dagen ervoor, had ik “hallo” tegen hem gezegd terwijl we elkaar passeerden. Ik had hem uitgedaagd. Ik maakte hem helemaal gek, vertelde hij me.
En toen ik eindelijk besefte dat ik echt in gevaar was en begon te schreeuwen, duwde hij een hand voor mijn mond om mijn gegil te dempen. Zijn andere hand steunde tegen de bakstenen muur waar ik met mijn rug tegenaan stond, naast mijn hoofd.
Voordat hij echt iets kon doen, kwam er al een vrouw voorbij joggen die het zag en ze sleurde de man van me af.
Op dat moment kon ik alleen maar door mijn knieën zakken en ik viel schokkend op de grond. Adem kon ik niet meer halen en onmogelijk kon ik mezelf overeind krijgen. Ik was te zwak om te kunnen staan.
Ik was volledig machteloos. Net als nu, wanneer ik naar adem happend en half huilend op mijn knieën op de vloer van de woonkamer zit. Opstaan kan ik niet. En het voelt precies hetzelfde als toen.
Evan komt opeens voor me zitten en hij steekt zijn hand naar me uit om me aan te raken, maar wanneer ik ineenkrimp en ik nogmaals naar adem hap, trekt hij zich terug. Alleen maar aan de haast vertraagde manier waarop zijn lippen bewegen kan ik zien dat hij mijn naam zegt, heel doordringend en eigenlijk bijna fel, maar ik hoor alleen maar het bloed door mijn oren stromen, als een soort ruis.
Is dit hoe een paniekaanval voelt?
Opeens komt James in beeld. Hij duwt Evan met een geërgerde blik opzij en neemt zijn plaats in, op zijn knieën voor me. Wanneer hij me aankijkt, lijkt hij opeens heel kalm.
Hij zegt wat dingen, maar zodra hij ziet dat ik het niet hoor, begint hij gewoon heel overdreven en langzaam adem te halen - een duidelijke uitnodiging om hem na te doen.
Ondanks dat ik al die ademhalingsoefeningen al een keer geleerd heb, zou ik het niet kunnen zonder hem als voorbeeld, zonder hem om na te denken over wat ik doen moet, in welk ritme het moet.
Hij raakt me niet aan, maar steekt wel uitnodigend zijn handen naar me uit, zijn handpalmen naar boven. Na een korte aarzeling pak ik ze vast en heel langzaam beweegt hij ze naar boven en beneden, in het ritme van onze ademhaling. Hij heeft me niet echt vast. Ik zou me elk moment terug kunnen trekken.
Zou hij hier ervaring mee hebben? Met Lily? Een van de collega’s? Heeft hij er zelf wel eens last van?
Het werkt ik ieder geval wel en de paniek ebt zo dusdanig weg, dat mijn gehap maar adem en angstige blikken veranderen in een verslagen gesnik. De shock verdwijnt eindelijk en maakt plaats voor schaamte.
Ik laat zijn handen los en hou ze trillend voor mijn gezicht terwijl ik opnieuw in huilen uitbarst. Het is in ieder geval beter dan de paniek van eerst.
James komt geduldig naast na zitten en pas wanneer ik tegen hem aanleun neemt hij de stap om zijn armen om me heen te slaan.
Met een vreemd, onverstaanbaar gejammer verberg ik mijn betraande gezicht in zijn schouder en sussend strijkt hij met zijn ene hand over mijn haar en met zijn andere over mijn rug, waar het t-shirt haast aan vast zit geplakt door het zweet.
Dan zegt hij uiteindelijk: ‘Het komt wel goed.’ En ik geloof hem, want je kunt zeggen over James wat je wilt, maar eerlijk is hij wel.

Reacties (3)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen