Remus werd wakker met zijn neus begraven in een zachte vacht. De geur van hond drong langzaam binnen. Nou ja, technisch gezien de geur zelf niet. Die rook hij al een hele tijd. De realisatie dat die geur 'hond' was wel.
      Hij wilde zich wegdraaien van de geur en het vachtje. Dacht Sirius nou serieus - no pun intented - dat alles een stuk beter zou worden als hij hem een vachtje zou geven om bovenop te liggen? Of was dit weer zijn zoveelste truc om Remus eraan te herinneren dat hij niet meer was dan een overmaatse hond?
      Iets te laat bedacht hij zich dat hij voorzichtig moest zijn met zijn bewegingen. Zijn lichaam was uit elkaar gerukt vannacht. Elke beweging zou pijn doen. Alleen deze keer bleef de pijn grotendeels uit.
      Heel langzaam inspecteerde hij zijn lichaam. Er waren wel een paar nieuwe wonden te vinden op zijn armen en zijn hele lichaam voelde beurs aan, maar meer was er niet. Hij had geen gebroken botten, geen wonden waar het bloed praktisch uit spoot. Hij was nog nooit zo ongedeerd uit een Vollemaan gekomen.
      Net toen hij weer op het - toch wel comfortabele - kleedje wilde gaan liggen, begon het kleed te bewegen. Remus schoot met een ruk achteruit. Vanuit het verste hoekje dat hij kon vinden, zag hij hoe het kleedje opstond en een levende hond bleek te zijn die hem verwachtingsvol aankeek.
      Paniekerig keek hij om zich heen. Waar was Sirius? Waarom was die hond hier? Waarom zag de hond er zo ongedeerd uit en kwam hij nu naar hem toegelopen? Hoe kreeg hij de hond weg? Hij was nog half wolf, hij voelde de honger van de wolf aan hem knagen. Straks deed hij de hond wat!
      Remus had geen goede ervaring met honden. Met dieren in het algemeen niet. Elk dier leek te voelen dat hij deels dier, deels mens was en ze meden hem als de pest. De weinige dieren die hij gezien had in zijn leven, waren voor hem weggevlucht en als dat niet had gekund, waren ze in de aanval gegaan. Hij had nog meerdere littekens van bijtwonden van honden, van hoeven van paarden, van gepik van duiven. Die kleine gevleugelde dingen waren nog flinke monsters wanneer ze in het nauw gedreven waren.
      Daarom snapte hij de hond ook niet. Hij zag er niet uit alsof hij bang was voor de wolf, maar alsof hij wilde spelen. "L-lief hondje," stamelde Remus. Hij verwachtte ieder moment de tanden te voelen. "Blijf... blijf maar daar." De hond ging braaf zitten.
      Vriend.
      Wat het was, wist Remus niet, maar dat woord schoot door hem heen. Het was de wolf die nog half de controle had, en die de hond niet erg vond. In tegendeel, hij zag de kwispelende staart en de uitgestoken tong, en het voelde vertrouwd aan. De hond hoorde erbij.
      Aarzelend stak Remus zijn hand uit naar de hond. De hond liep ernaar toe en vleidde zijn kop ertegen aan. Heel even stonden ze zo, tot de hond Remus' hand een grote lik gaf.
      Remus lachte verbaasd toen de hond achteruit sprong en hem begon uit te dagen. Hij dook ineen, om dan richting Remus te springen. "Druktemaker," zei hij hoofdschuddend. "Stop nu maar." De hond stopte niet, maar begon alleen maar meer uit te dagen.
      De wolf gromde zo hard dat Remus met geen mogelijkheid hem getemd kreeg. De grom klonk misvormd door zijn mensenkeel. Ophouden, pup! Meteen liet de hond zich vallen en ontblootte hij zijn keel. Remus dook ineen. De wolf leek door zijn aderen te spoelen met zeer gemixte signalen. Boosheid op de pup die hem kwam storen. Geamuseerdheid met zijn spel. Macht als alfa.
      De hond veranderde van vorm, net toen Remus besloten had dat de hond niet zo erg was. De wolf was de alfa en dat leek de hond zich ook te beseffen. Voor Remus' ogen verscheen Sirius.
      De hand die Remus op de flank van de hond gelegd had, trok hij met een ruk terug. Sirius grijnsde. "Wat is er, Remus? Is Padfoot niet meer zo leuk?"
      Sirius stond op en de wolf in Remus wilde op hem afspringen. Mens. Bloed. Woede raasde door hem heen. Hoe durfde Sirius! Hoe kon hij gebruik maken van Remus' zwakte tijdens de maan? Net toen Remus had gedacht dat de hond een vriend kon zijn, gebeurde dit.
      "Blijf. Uit. Mijn. Buurt," gromde hij zacht. Sirius zette een stap naar hem toe en Remus staarde hem met alle mogelijke woede aan. Als blikken hadden kunnen doden, had hij geen last meer gehad van Sirius.
      Sirius stapte nog verder naar voren. "Nee, ik denk niet dat ik dat doe," zei hij. Zijn ogen glinsterden door de lamp achter hem. Of misschien kwam het wel vanuit hemzelf.
      Ongehoorzame pup! Remus gromde nogmaals, waarschuwend. Hij was de alfa, niet de hond. Hij wilde rust hebben, dus Padfoot moest uit de buurt blijven. Zo waren de regels. Waarom luisterde hij niet?
      Omdat hij Sirius was en geen Padfoot.
      Maar Sirius en Padfoot waren dezelfde. Ze hadden zich aan de hiërarchie te houden, vertelde de wolf hem. Hij moest zijn plaats opeisen.
      Zonder waarschuwing sprong Remus/de wolf op Sirius af, om hem door de kracht van de sprong op de grond vast te pinnen. Remus' gedachten waren een grote chaos. Hij wilde Sirius geen winst geven. Was dit niet wat Sirius wilde? Maar hij moest wel laten zien wie de alfa was. Maar wat zou Sirius hem aandoen?
      De angst van de man en de gedachten van de wolf vermengden zich tot één geheel tot er niet te onderscheiden was wie wat dacht. Al die tijd lag Remus bewegingloos bovenop Sirius. Hij dwong niet verder, maar liet ook niet los. Hij wist niet meer wat hij moest doen.
      Zijn ademhaling ging zwaar. Hij haatte de man en hield van hem. Sirius haalde het bloed onder zijn nagels vandaan, maar hij kon ook kwetsbaar zijn. Hij was meer dan de man die Remus pijn wilde doen, zelfs meer dan de hond die gewillig de leiding aan de wolf gaf. Te complex voor de wolf om te begrijpen, zelfs voor Remus om te begrijpen. De wolf zag de man voor hem, maar scheurde niet zijn keel open, wilde het niet eens. De wolf zag de man, en dacht aan de hond. De wolf zag de man, en dacht aan gespeel in maanlicht.
      De wolf zag de man, en dacht aan zijn roedel.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen