Het bleek al snel dat Thijs niet te vermijden viel, mede door onze gemeenschappelijke vrienden en mede door het feit dat hij gewoon letterlijk overal was.
Al van het begin dat ik hem kende, had ik hem nooit stil zien staan. Ook de leerkrachten merkten dat hij niet oplette in de klas - altijd aan het tekenen of onzin aan het schrijven. Hij zat nooit stil in zijn stoel, soms tot op het punt dat de leerkracht zei dat hij rond de speelplaats moest gaan lopen "om zijn energie kwijt te raken".
Thijs las non-fictieboeken en verzamelde stenen en ik begreep er niks van. Toen ik had gezegd dat ik van natuurdocumentaires hield, hadden mijn vrienden me gay genoemd. Maar nu ze wisten dat Thijs hield van wat onconventionele dingen, werd hun interesse opgewekt.
Ik moest er niets van hebben. Ik tolereerde zijn bestaan nog maar net, en hij was altijd daar. Hij begon mee te fietsen naar school en ijsjes te gaan halen na afloop. Hij kwam zelfs in onze voetbalploeg - een groep die zo hecht was en elkaar al zo lang kende dat het eigenlijk schandalig was dat ze hem zo gemakkelijk opnamen. Het was om gek van te worden. En wat hij allemaal vertelde! Zijn vader was een diepzeeduiker en zat altijd in zijn duikboot. Ooit wou hij naar IJsland varen maar zijn koers was per ongeluk gewijzigd en dus was hij op de Noordpool beland. Daar was hij een jaar gebleven omdat de bevolking en het weer hem daar zo aanstond. Het weer. Op de Noordpool. En dan was er het verhaal over zijn moeder die het wereldrecord van langste sjaal breien had behaald, ook al vond ik daar niets over terug op internet. Ik wist dat ik er niets van moest zeggen, want niemand zou toch luisteren. Op een dag vertelde hij dat hij een storm kon voelen aankomen met zijn litteken. Als Harry Potter of zo. En iedereen geloofde hem.
Elke keer wanneer hij zoiets vertelde en ik met mijn ogen draaide, kreeg hij die blik op zijn gezicht. Hij wist dat ik het wist. Wat kon het anders zijn? Hij was in mijn dorp geplaatst om alles voor me te verpesten, en hij nam zijn baan heel serieus.
Op mijn vijftiende begon ik er genoeg van te krijgen dat hij zo goed was in voetbal. Hij was nu al zo lang mijn plaats aan het innemen, en ik moest er niets meer van hebben. Voortaan stond ik op om zes uur om te gaan joggen in het park, steeds verder en verder, tot ik nog vroeger moest opstaan om de groeiende afstand bij te houden.
Ik zat aan vijf komma vier kilometer toen ik Thijs zag staan stretchen tegen een boom. Ik was van plan om hem gewoon voorbij te lopen, maar natuurlijk had hij door dat ik daar was. Misschien voelde hij het ook aan zijn litteken, bedacht ik me.
"Hé, Kas!" riep hij en hij zwaaide. 
"Het is Kasper", zei ik, maar ik jogde toch naar hem toe. Om iets te bewijzen bleef ik op mijn plaats lopen. Ik ging echt niet voor hem stoppen. 
"Dat is het zeker." Wat betekende dat zelfs? God. "Kom je hier ook joggen?" Zijn blonde haren waren nu net lang genoeg om in een staart te binden en de meisjes hielden ervan. Hij maakte er dan ook misbruik van wanneer hij de gelegenheid had. Je zou denken dat zijn afgrijselijke litteken genoeg was om het vrouwelijk geslacht weg te houden, maar nee. Ze vonden het geweldig intrigerend.
"Elke ochtend, ja."
"Cool. Netjes." Hij leek afwezig, niet geïnteresseerd. Het maakte me woedend.
"En jij?" vroeg ik. "Kom je hier elke ochtend om... te stretchen?" Ik besefte me dat ik in de twee jaar dat ik hem kende nog bijna nooit een gesprek met hem apart had gehad. Daar had ik de behoefte niet aan en hij ook niet denk ik, maar het was toch vreemd. Mensen zouden ons vrienden noemen nu. Maar iedereen die wat beter zou kijken, zou kunnen zien dat er iets niet klopte.
Hij lachte, maar er leek iets achter te zitten, zoals bij hem meestal het geval was. "Ik kom hier al lopen sinds mijn dertiende."
Ik geloofde geen woord dat er uit zijn mond kwam. "Echt? Ik heb je hier nog nooit gezien."
"Misschien loop je niet snel genoeg", zei hij met een knipoog. Ik wou kotsen. "Zin om samen verder te gaan?"
Het klonk onschuldig genoeg, maar ik wist wat het was. Een uitdaging.
"Prima", zei ik. Het voelde alsof we één gesprek luidop voerden en een ander in ons hoofd. Het was vreemd. Het was frustrerend.
Hij begon zonder waarschuwing te lopen, waardoor ik meteen al wat sneller moest gaan om hem in te halen. Ik merkte dat hij sneller rende dan ik. Voor mij was het altijd het belangrijkst geweest dat ik mijn doel uitliep, niet om vlug te zijn. Maar hij leek daar anders over te denken, en ik ging echt niet zeggen dat ik niet kon volgen. Ik ademde diep in en uit en probeerde me te concentreren op de muziek die door mijn oortjes speelde. Maar hoe kon ik daarop focussen als Thijs naast me aan het lopen was?
Ik keek van zijn gespierde benen naar de botten die je bij mij bijna kon zien. Hij was niet zo gespierd, oké? Maar wel te gespierd voor een vijftienjarige jongen, dat was zeker. Niemand in ons jaar zag er zo uit.
We waren nu voorbij het punt dat ik normaal zou stoppen en ik voelde een steek in mijn zij. Alles in me schreeuwde dat ik moest ophouden, maar Thijs leek nog niet eens een beetje moe. Hij nam een slok van zijn drinkbus en water droop over zijn gezicht en over zijn kleren helemaal naar beneden. "Jij ook wat?" vroeg hij. Verdomme. Hij wist hoe moe ik was, niet dan?
"Nee dank je", hijgde ik.
"We kunnen stoppen als je-"
"Houd je mond." Ik zette nog een tandje bij, ging voor hem uit lopen. Ik probeerde wanhopig om de brandende pijn te negeren, het feit dat ik geen adem meer kreeg. Mijn benen protesteerden maar ik luisterde niet.
Thijs haalde me met gemak in. Hij moest hier zo van genieten!
"Kas", zei hij, mijn opmerking van eerder negerend. "Ik ben moe. Laten we stoppen."
Twee dingen. Eén: hij was niet moe. Echt niet. Hij was onuitputbaar. Altijd al geweest. Twee: dat betekende dat hij gestopt was om een andere reden. De meest voor de hand liggende was dat hij wist dat ik op was maar niet wou dat ik me zou schamen. Maar dat was belachelijk. Thijs haatte me. We haatten elkaar. 
Ik ging er in ieder geval niets tegenin brengen. Ik boog voorover en leunde met mijn handen op mijn knieën.
"Morgen nog een keer?" vroeg Thijs. Hij leunde nonchalant tegen een boom. 
Ik wou hem echt heel graag slaan op dat moment, maar mijn trots forceerde een glimlach op mijn gezicht. "Natuurlijk."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen