Foto bij H.113.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Gaat het ooit minder pijn doen?’ vraag ik schor, net tussen twee snikken in.
Dat hij geen antwoord geeft zegt genoeg.

Terwijl Evan weet ik veel wat aan het doen is, zit ik op de bank, met in een stoel aan de andere kant van de salontafel mijn persoonlijke waakhond.
Eigenlijk moet ik hem even spreken, onder vier ogen. Zonder James erbij. Maar op het moment weet ik niet eens waar hij is.
‘Weet je eigenlijk hoe je een dek kaarten moet schudden?’ vraagt James dan opeens, nadat hij een half uurtje of zo naar mijn nerveuze gepluk aan een van de knopjes van mijn blouse heeft zitten kijken.
Ik antwoord van niet. Toen ik jong was, speelden we wel eens een kaartspel, maar dan schudde mijn vader altijd. En na mijn achtste... werd er vrij weinig meer gekaart.
Hij staat op en loopt naar een kast, waar hij een pakje speelkaarten uit haalt. Waarschijnlijk had hij die al eerder opgemerkt, gezien de nonchalante manier waarop hij het weet te vinden. Dat betekent dat hij eerder de kamer uitgekamd heeft. Waar zou hij naar op zoek zijn geweest?
Hij gaat naast me op de bank zitten en terwijl hij het doosje openmaakt begin ik: ‘James?’
Met zijn herkenbare frons tussen zijn wenkbrauwen kijkt hij naar me op, met onderzoekenden blik.
Spontaan ontstaat er iets binnenin me wat ervoor zorgt dat ik twijfel over of ik het wel moet zeggen, maar dan herinner ik mezelf eraan dat dit James is. Hem kan ik alles zeggen. Ademloos vraag ik: ‘Wat moet ik doen?’
Het duurt heel lang voordat hij er een antwoord uit geperst krijgt. ‘Wat bedoel je?’
Ik kijk weg van zijn veel te aardige blik, naar mijn handen, die zenuwachtig op mijn schoot liggen. Ik durf pas verder te praten wanneer mijn onderlip is popgehouden met trillen.
‘Hoe moet ik verder? James... hoe kan ik weg hier? Ik... ik ben Ammay kwijt en ik ben neergeschoten en ik... ik heb zo’n stuk van mijn leven gemist en ik heb verdomme iemand vermoord en weet niet wie ik ben... ik...’ Bij welk woord de tranen precies zijn gaan rollen, weet ik niet, maar ik kan het op een gegeven moment niet meer binnenhouden. ‘Ammay zou me niet meer herkennen. Ik ben... ik vóél mezelf veranderen en... hoe moet ik ooit verder? Hoe moet ik terugkomen van... van dít?! Hoe kan ik ooit een normaal leven leiden?!’
Ik vraag me af hoeveel minuten we in stilte op de bank zitten, maar uiteindelijk, na heel lang nadenken, verbreekt James het zwijgen en wanneer hij spreekt, klinkt hij alsof hij denkt dat elk woord me zal breken.
‘Soms zal het... dan zal het ineens op je inslaan als een mokerslag. Gewoon plotseling. Vaak zul je echt niet weten waarom je er opeens aan denkt. Af en toe zul je het wel aan zien komen, voel je hoe het je bekruipt. En het gaat echt heel erg zijn. En uiteindelijk denk je dat je erover heen bent en misschien is dat wel ook zo, voor een moment, maar... het gaat nooit écht weg.’
Ik denk er even over na en zeg dan schor: ‘Leer me maar gewoon even kaarten schudden.’
En dat doet hij. Hij schakelt met al het gemak van de wereld over tot iemand die geen zorgen heeft om ‘s nachts over wakker te liggen en begint weer grapjes te maken terwijl hij me iets totaal onbelangrijks bijbrengt.
Twee keer moet ik zijn vrijgevige verzoek afslaan over het leren valsspelen bij pokeren en op de een of andere manier slaagt hij erin om alles wat ik bij me draag minder zwaar te laten voelen. Voor een moment denk ik er zelfs niet eens meer aan dat Evan ooit met deze kaarten gespeeld heeft, met zijn familie, toen die nog leefde. Totdat Evan weer binnen komt, tenminste, met twee boodschappentassen in zijn handen.
Haast nog voordat hij zijn jas heeft opgehangen, vraag ik: ‘Evan? Mag ik je even spreken?’
Even kijkt hij vertwijfeld naar de plastic tassen vol boodschappen, maar knikt dan.
Ik hoef maar één enkele blik op James te werpen om ervoor te zorgen dat hij begrijpt dat ik privacy wil en hij staat op van zijn stoel, kondigt aan dat hij een stukje gaat wandelen en zo weer terug is.
Evan volgt hem met zijn blik, totdat hij de deur achter zich sluit. Dan komt hij naast me zitten en pakt mijn hand vast. De andere legt hij op mijn wang terwijl hij me heel kort kust. Dan gaat hij schterover zitten, leunend tegen de bankkussens. Hij verwacht dat ik tegen hem aan ga zitten, maar dat doe ik niet. Ik kijk hem niet eens aan.
‘Gioa, is er iets aan de ha-’ begint hij, maar met trillende stem kap ik hem af.
‘Evan,’ zeg ik en werp hem een vluchtige blik toe, maar ik kijk weer weg omdat ik het niet aankan om alle emoties in zijn ogen te lezen. ‘We moeten praten.’

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen