V​ier jaar geleden moest ik een nacht in het ziekenhuis blijven slapen, omdat ik met mijn fiets was gevallen en met mijn hoofd tegen de grond was geknald. Althans, dat was het verhaal dat ik mijn ouders en de arts vertelde.
Het verklaarde niet de talloze blauwe plekken en de gekneusde ribben, maar ik weigerde meer te vertellen. Zei dat ik me niets kon herinneren, behalve dat ik een smak met mijn fiets had gemaakt en wakker was geworden in een ambulance. Niemand geloofde me. Mijn moeder deed nog een paar pogingen om me de waarheid te laten vertellen.
'Het is oké, lieverd. Je hoeft je niet te schamen voor wat er is gebeurd,' zei ze zachtjes op een toon waar medelijden vanaf droop.
'Ik ben gevallen. Dat is alles wat ik weet,' fluisterde ik, terwijl ik aan het witte dekbed plukte. Mijn moeder zuchtte diep.
'Lieverd, we kunnen je alleen helpen als we weten wat er is gebeurd.'
'Er is niets gebeurd. Ik gleed gewoon uit. Je weet hoe onhandig ik ben.' Uiteindelijk gaf ze het op. De arts vertelde ons dat hij me een nachtje wilde houden voor observatie en dat een ouder mocht blijven slapen omdat ik nog minderjarig was. Het kostte me een uur om iedereen ervan te overtuigen dat ik gewoon alleen wilde zijn. Deels omdat ik al zestien was, deels omdat ik wist dat mijn moeder extra lief voor me zou zijn en ik me nog schuldiger zou voelen dan ik al deed omdat ik de waarheid voor me hield.
Toen ze eindelijk vertrokken was, viel ik in slaap, om middenin de nacht wakker te worden. Mijn hoofd bonkte, ademen was pijnlijk. Ik staarde naar het plafond en voelde me eenzamer dan ooit.
'Ik was even bang dat je de hele nacht zou doorslapen.' Ik schoot overeind. Mijn ribbenkast protesteerde schreeuwend en ik hapte naar lucht. In de hoek van mijn kamer zat een meisje onderuit gezakt op een plastic stoel. Ze keek nauwelijks op van haar telefoon, waar ze driftig op tikte. Ze was geen verpleegster, daar was ze te jong voor. Misschien lag ze op een andere kamer en was ze stiekem aan een nachtelijke zwerftocht begonnen?
'Wat doe je hier?' Mijn stem klonk nog zachter dan gebruikelijk.
'Ik verveelde me.'
'Je kunt niet zomaar in iemands kamer gaan zitten.' Het meisje keek voor het eerst op. Schaduwen dansten over haar gezicht.
'Ik wel. En ik was nieuwsgierig. Je heet Winter, toch?' Ik knikte.
'Hoe weet je dat?' Met een zucht stond het meisje op en liep naar de deur. Vaag zag ik dat ze een strakke spijkerbroek droeg en een shirt waarvan mijn moeder zou zeggen dat die te koud was voor deze tijd van het jaar. Ze liep naar buiten en was binnen een seconde weer terug met een kaartje.
'Winter van Wijk. Het hing naast je deur en is geschreven in een handschrift dat sowieso niet van een echte dokter is,' zei ze verveeld, 'Dokters schrijven altijd alsof ze vier flessen tequila achterover hebben geslagen.'
'Je kunt ook niet zomaar naamkaartjes van de muur trekken.'
'Dat heb ik anders net gedaan. Het kan dus prima.' Ze gooide het kaartje naar me toe, liep weer terug naar de stoel en plofte neer. Het scherm van haar telefoon lichtte op en ze typte verder alsof er niets aan de hand was. Alsof het niet raar was dat er een volkomen vreemde 's nachts mijn kamer was binnen gedrongen. Ik wist niets te zeggen dus keek ik alleen maar. Ergens had ik altijd bewondering voor mensen die zich onbezorgd gedroegen wanneer ze in het gezelschap waren van iemand die ze niet kenden. En dat dit meisje onbezorgd was, daar bestond geen twijfel over. Het was de manier waarop ze zat, hoe ze schaamteloos op haar kauwgom kauwde en eens in de zoveel tijd grote bellen blies die met een zachte 'plop' weer uit elkaar knalde. Alsof deze kamer, dit ziekenhuis, aan haar toebehoorde. Nee, alsof de wereld van haar was.
'Ik heet Zomer,' zei ze opeens, 'Daarom was ik nieuwsgierig. Winter. Zomer. Snap je? Ik wilde kijken of je daadwerkelijk mijn tegenpool bent.'
'En?' Ze keek op van haar telefoon.
'Oh, ja. Zonder twijfel. Dus je stelt me niet teleur.' Ik wist niet of ze dat als een compliment of een belediging bedoelde, dus zei ik maar niets. Eigenlijk wilde ik dat ze weg ging en mij weer alleen liet. Ik was gewend aan alleen zijn. Eenzaamheid, daarentegen, was iets anders. Maar zelfs dat was iets vertrouwd geworden. Het hoorde bij me. Winter van Wijk. Altijd de eenzame loser.

'Wanneer ga je ze vertellen dat je in elkaar bent geslagen?' Zomer's ongeïnteresseerde stem zweefde weer door de ruimte. Er ging een lichte huivering door mijn lichaam.
'Hoe weet je... Zo ging het niet. Ik ben gevallen,' zei ik, feller dan ik bedoeld had. Zomer stopte haar telefoon in haar broekzak en stond op.
'Oh, kom op. Dat kan je hen wijsmaken, maar mij niet,' zei ze, 'En het maakt me ook niets uit dat ze het hebben gedaan. Of dat je het nu wel of niet hebt verdient. Ik vraag me alleen maar af waarom je het niet gewoon zegt.'
'Het gaat je niets aan. En hoe weet je dit überhaupt?' vroeg ik verbijsterd. Zomer zuchtte.
'Mijn vader werkt hier in het ziekenhuis. We hadden vanavond eindelijk eens zo'n vader en dochter uitje. Gezellig samen naar een musical, Evita, niet dat dat direct mijn keuze was. Maar hoe dan ook, dat mens staat net op het balkon te bléren over hoe Argentinië niet om haar moet huilen en de vrouw die naast me zit, pakt een familiepak tissues uit haar tas en begint me toch een partij te snotteren, en opeens gaat m'n vaders pieper af. Heeft één of andere gek een mislukte zelfmoordpoging gedaan en hebben ze hem nodig in de operatiekamer. Dus wij hals over de kop die zaal uit, in een noodgang naar het ziekenhuis en nu mag ik mezelf vermaken terwijl mijn vader het leven probeert te redden van iemand die een paar uur geleden nog dood wilde.' Zomer snuift schamper. 'Maar ik ben niet boos. Goed, die idioot is zometeen weer helemaal opgelapt en gaat dan naar huis en schiet zichzelf nog een keer door z'n kop en hopelijk doet ie het dan een keer goed. En dan is deze hele avond voor niets geweest omdat de maatschappij zo nodig iemand wil redden die het met zichzelf heeft opgegeven. Wist je dat we eigenlijk een natuurlijk proces dwarsbomen? Natuurlijke selectie, of zoiets.'
'Dat is... hard,' zei ik voorzichtig.
'De natuur is hard. Maar ik liep hier dus al uren en besloot uiteindelijk maar even hallo zeggen tegen de nachtploeg op de kinderafdeling, want het is niet de eerste keer dat ik hier kom. En ik vraag of er nog nieuwe kindjes met kanker zijn, kindjes die zijn overleden of iets in die richting, en dan vertellen ze me dat er een meisje is binnen gekomen van mijn leeftijd die sporen van geweld vertoont, maar toch zegt dat ze van haar fiets is gevallen.' Ze doet een paar stappen in mijn richting, komt dichterbij me staan. 'Dus ik vraag waar dat meisje dan ligt en ze wijzen me haar kamer, maar verbieden me om naar binnen te gaan. Maar ik heb een kut avond dus op het moment dat ze even niet kijken, sneak ik naar binnen en hier ben ik dan.' Toen ze zo dichtbij stond, kon ik eindelijk haar gezicht zien. Zonder twijfel was ze bloedmooi. Zorgvuldig opgemaakt, haar lange haar gestijld. Om haar hals glinsterden verschillende kettingen die pasten bij de talloze armbanden om haar pols. Inderdaad precies mijn tegenpool.
Zomer keek me veelbetekenend aan, alsof dit het moment was waarop ik haar in vertrouwen zou nemen. Alsof ik nu alles zou vertellen aan een meisje die ik niet kende, zomaar hier was binnen gevallen en eigenlijk zei dat zelfmoord niets meer dan 'natuurlijke selectie' was. Als ze dacht dat ik dat zou doen, dan was ze nog gekker dan ze zich gedroeg.
'Ik vertel het ze niet omdat het geen zin heeft,' flapte ik eruit, 'Omdat het alles alleen maar erger maakt.' Meteen wilde ik mezelf voor mijn hoofd slaan, maar ik had al genoeg pijn. Zomer knikte opgewonden.
'Snitches get stitches,' zei ze op een samenzweerderige toon. Of een hersenschudding, dacht ik.
'Zoiets ja.'
'Man,' Zomer schudde lachend met haar hoofd, 'Je bent een stuk toffer dan je eruit ziet. Hoewel dat misschien niet zo lastig is, want je ziet er sowieso vreselijk uit.' Ergens, diep vanbinnen, voelde ik een drang om mezelf te verdedigen. Zo'n drang die ik altijd voelde als iemand iets zei wat niet waar was. Wat me kwetste, me verdriet deed. En zoals altijd zweeg ik. Assertiviteit is niet mijn ding. Was het dat wel geweest, dan had ik niet in een muffige ziekenhuiskamer gelegen. Zomer leek zich er in elk geval niet bewust van te zijn dat ze iets had gezegd wat me kwetste. Ze kwebbelde gewoon vrolijk door.
'Weet je, ik mag jou wel. Je hebt de goede mentaliteit. Lig je hier helemaal tot pulp geslagen en nog steeds hou je je mond dicht. Dat is echt cool. Zo weet ik dat je je vrienden ook nooit zal verraden.'
'Die heb ik niet,' fluisterde ik en ik voelde mijn wangen warm worden. Ik had nooit vrienden gehad. Niet in de kleuterklas, niet op de basisschool en ook niet op de middelbare. Altijd als ik ook maar voor een seconde dacht dat ik ze wel had, dan stak er weer iemand een mes in m'n rug. Je gaat alleen om met een loser als je zelf ook een loser bent. En zodra je de kans hebt om vrienden te worden met iemand die leuker is, dan laat je de andere loser vallen. Kortom; ik was al vaker op m'n bek gegaan dan me lief was.
Zomer lachtte alleen maar.
'Ik ook niet. Nou ja, ik heb genoeg kennisjes. Shoppen met Frieda, avondje blowen met Tim, friends with benefits met Dennis... Maar eigenlijk zijn het allemaal oppervlakkige idioten. Wil je nog niet dood naast gevonden worden. Maar jij bent anders, dat kan ik zo al zien.' Ze zette haar opmerking kracht bij door op het bed te ploffen, bovenop mijn rechterbeen. Onwillekeurig schoof ik een stukje naar de andere kant. Ze zat te dichtbij, teveel in mijn persoonlijke ruimte waar ik zo aan gehecht was. Wederom leek Zomer zich hier niet bewust van te zijn.
'Jij en ik,' zei ze zachtjes, 'Wij zouden een team kunnen zijn. Tegenpolen zijn een goede combinatie.'
'Dat zeggen volwassenen alleen om hun relaties te redden.' Zomer gooide haar hoofd naar achter en schaterde het uit.
'Je bent echt een leuke,' giechelde ze, 'Ben ik even blij dat die gast zich uitgerekend vanavond door z'n kop geschoten heeft.' Ondanks die vreselijke opmerking voelde ik een glimlach op mijn gezicht verschijnen, die groter en groter werd en overging in gelach. Ik kon er niets aan doen. We lachten samen, daar op bed, met de typische geur van ziekenhuis die onze neusgaten weg schroeiden. Ik lachte tot mijn ribben teveel pijn begonnen te doen en het ademen moeilijker werd en mijn geschater overging in een hoestbui. Zomer klopte bemoedigend op mijn arm.
'Maar even serieus,' zei ze, toen ik weer op adem was, 'Jij en ik. Vriendinnen. Oké?' Ze hield haar pink voor zich uit en keek me afwachtend aan. 'Ik beloof dat ik de allerbeste vriendin zal zijn die je maar kan hebben. Dat ik er altijd voor je zal zijn en dat niets ooit tussen ons komt. En jij doet hetzelfde voor mij. Pinky promise?' Ik keek naar haar. Naar haar slanke hand -hoe kon zelfs een hand zo perfect zijn?- naar haar gezicht en toen recht in haar ogen. Toen vouwde ik mijn pink om die van haar.
'Pinky promise.'

Reacties (3)

  • IrisThePiris

    Je schrijft zooo goed, ik ben denk ik verslaafd aan dit verhaal!

    2 jaar geleden
  • Teal

    Heel nice dit!

    2 jaar geleden
  • Welkin

    That's it, I'm hooked. Ik wil zo graag verderlezen! Je verhaal bevat leuke humor, en je schrijfstijl is heel prettig.
    (:

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen