De tweede keer dat Sirius hem vertelde dat ze naar buiten zouden gaan, liep Remus niet meer naar de deur toe. Hij had zijn les geleerd. In plaats daarvan wachtte hij tot Sirius zijn hand uitstak. Hij pakte hem aan. Sirius' grip was stevig en warm, en heel even hielden ze elkaars hand vast voor er een ruk achter zijn navel plaatsvond en de kamer verdween.
      Ze eindigden niet op het veld van de vorige keer, of op welk ander veld dan ook. In plaats daarvan stonden ze in een grote hal. Naast hen stond een grote fontein van een heks en een tovenaar op een berg. Bij nadere inspectie bleek de berg te bestaan uit een House Elf, een kind en een weerwolf.
      Mensen stormden langs het duo heen zonder acht te slaan op ze. Om hen heen verschenen mensen, verdwenen juist, vlogen uilen rond en was het een groot geschreeuw door elkaar heen. Het inmiddels bekende gevoel van paniek begon zich aan te dienen. Remus' ingewanden trokken samen en hij had het idee dat zijn ontbijt er zo weer uit zou komen.
      Nee Remus, adem diep in en uit. Rustig, probeerde hij zichzelf te vertellen. Erg goed werkte het niet, maar hij was vastbesloten niet volledig in paniek te raken. Dat wilde Sirius waarschijnlijk al te graag en waarom zou hij hem dat genoegen geven?
      Wel deed hij een stap dichter naar Sirius. Hij wist niet waar hij beland was, er waren teveel onbekende geuren en geluiden, en alles leek in een waas voorbij te gaan. Sirius wist wat er moest gebeuren. Sirius kende dit. Hij zou Remus kunnen beschermen.
      Sirius grijnsde en stak zijn hand in zijn jaszak. "Ik heb nog iets voor je," zei hij. Toen hij zijn hand er weer uit haalde, bungelde er een leren halsband met zilveren ketting aan. Remus slikte. Hij kende zulke kettingen maar al te goed. Zijn hele leven had hij hem om gehad. Zodra er geen druk meer stond op de ketting sloeg het zilver tegen ontblote borstkassen, met alle pijn tot gevolg.
      Zijn hart sloeg tegen zijn ribbenkast terwijl Sirius de halsband omdeed. "Voorschriften," werd in zijn oor gefluisterd. Sirius' vingers bleven heel even bij Remus' hals en schouders hangen. Automatisch spanden zijn schouders aan en duwden harder tegen de vingers, als om het contact te vergroten. De band voelde beperkend aan. Het was pas anderhalve maand dat hij niet meer met een halsband door het leven ging, maar alles was anders geworden. Hij was anders geworden. Waar de halsband eerder vertrouwd was geweest en hij hem zelfs gemist had toen hij af was gedaan, was het nu een middel om hem nogmaals te vertellen dat hij niet in deze wereld thuishoorde. De mensen wilden geen monster zoals hij was. Het was een middel om hem te domineren, om hem van zijn vrijheid te beroven.
      "Kom, mijn wolf, we worden verwacht." Doordat de ketting strak moest staan, kon Remus niet zo dicht naast Sirius lopen als hij wilde. Hij had zich het liefste diep weggedrukt tegen de enige die hij hier kende.
      Mensen keken naar hen, wezen en fluisterden. Remus voelde zich zo ontzettend nietig. Hij was gewend om een object te zijn waar mensen voor hun eigen plezier naar keken, maar dat maakte niet dat hij het leuk vond. Zijn schouders krompen ineen en met de stap leek hij kleiner te worden. Als hij maar klein genoeg was, zouden ze hem niet zien.
      Uiteindelijk kwamen ze dan toch aan bij het kantoortje waar een streng uitziende vrouw in maatpak stond. "Meneer Black, kom binnen. Wie is uw compagnon?" Zodra haar blik op de ketting viel, vertrok haar gezicht. Ze hoefde niks te zeggen. Het was al duidelijk dat ze haar vraag niet meer beantwoord hoefde te hebben.
      Sirius werd een stoel aangeboden. Remus niet. Als een soort bodyguard versus schoothond stond hij ongemakkelijk schuin achter Sirius te wiebelen terwijl de vrouw door een stapel papieren rommelde.
      Toen overhandigde ze Sirius een map. "Casus 0418, zoals afgesproken. Je begrijpt vast dat het dossier de ruimte niet mag verlaten."
      Sirius glimlachte zijn gulle lach waarmee hij iedereen kon overtuigen om te doen wat hij wilde. Stomme Sirius met zijn stomme lach. Ook Remus was er niet ongevoelig voor. "Natuurlijk, Kimberley. Mag ik Kimberley zeggen?"
      De vrouw knikte, en leek ook licht aangedaan te zijn door die lach. Sirius bladerde door het dossier. Heel even was het stil in de ruimte op de occasionele omgeslagen bladzijden en het ge'hmm' van Sirius na. Kimberley keek vooral niet naar Remus, Remus keek om zich heen. Hij verzette zijn gewicht van de ene voet op de andere en weer terug. Hoe hij ook ging staan, het bleef ongemakkelijk, zeker omdat hij ook licht gebogen moest staan.
      "Zegt de naam 'Fenrir Greyback' je iets?" vroeg Sirius hem plots. Kimberley leek nog verbaasder dan Remus zelf dat Sirius de wolf aansprak en niet haar.

      De maan scheen haar zachte licht door het openstaande raam. Remus zat rechtop in bed, zijn haren bezweet. De dromen spookten nog door zijn hoofd. Er waren rode ogen geweest, een zwarte vacht. Ze hadden hem pijn willen doen.
      Hij wilde om mama roepen, maar hij was al vijf. Hij was al een grote jongen, en grote jongens riepen niet meer om hun moeders bij een nachtmerrie. Het was maar een droom. Dromen konden hem geen pijn doen.
      De gordijnen bewogen licht door de wind. Het klopte niet. Mama liet de ramen nooit open staan. Dan kwamen er beestjes en konden de monsters binnenkomen om onder zijn bed te gaan zitten. Bijna was hij uit bed gekropen om zijn ouders te storen en bij hen in bed te gaan zitten, terwijl zijn vader zijn kamer onderzocht op monsters en het raam weer zou sluiten.
      Bijna. Want net toen hij de deken van zich af wilde slaan, zag hij de zwarte verschijning midden in zijn kamer staan. Rode ogen, zwart haar. Het was de wolf uit zijn droom. Droomde hij nog steeds?
      Als bevroren bleef Remus zitten. Met zijn ogen volgde hij de wolf die steeds dichterbij liep tot hij alleen zijn hand hoefde uit te steken om hem aan te raken. Hij kneep zijn ogen dicht. Dit was gewoon nog steeds een droom. Alles was goed.
      Het was niet goed. Voor hij het doorhad, deed zijn bovenarm zo'n pijn. Zijn ledematen voelden aan alsof ze in brand stonden. Hij wilde huilen, gillen, om mama roepen, of misschien wel alles tegelijk. Zijn lichaam was bevroren en werkte niet mee.
      De tong van de wolf ging eenmaal over Remus' wang heen. Hoewel het kietelde, voelde het niet zoals die keer dat de puppy van de buren hem gelikt had. Het voelde bedreigend, claimend.
Mijn. Toen verdween de wolf. Was het niet voor de pijn in zijn arm, dan had Remus echt gedacht dat het een droom was geweest.
      Hij schreeuwde.


      Remus verplaatste zijn gewicht nogmaals. De blik van Kimberley brandde inmiddels in hem. Wat voor bijzonders was de wolf dat hij aangesproken moest worden? Waarom sprak de knappe Lord Black niet tegen haar?

      "Kom dan, kleine wolf." Fenrir die om hem heen cirkelde. Die met hem speelde. Het was zijn eerste en enige arenagevecht, waar hij ingestuurd was om te sterven. De favoriete wolf zou winnen. Remus zou sterven.
      Hij wilde niet op zijn knieën vallen en smeken. Hij wilde zijn trots behouden, nog een laatste poging doen om te leven, zelfs als ze allebei wisten dat het tevergeefs zou zijn.
      "Speeltijd is over, kleine pup." Het gevecht ging snel. Fenrirs aanvallen waren hard, Remus moest zich terugtrekken tot hij met zijn rug tegen de muur gedrukt stond. In Fenrirs handen glinsterde een zilveren ketting. Remus kon alleen wegduiken en hopen op het beste. De vonken sloegen van de muur waar de ketting het raakte.
      Remus werd tegen de grond gewerkt. Zijn lichaam bloedde uit vele wonden. Zijn rug lag op de ketting en de pijn werkte verlammend. Hij had verloren en zou nu sterven ter vermaak van de mensen die stonden te roepen om bloed. Zowel hij als Fenrir hadden hun rol gespeeld. Fenrir als overwinnaar. Hij als verliezer.
      "Fenrir, stop!" Met een aantal zilveren staven werd Fenrir achteruit gedreven naar de hoek. Ook nu de druk op zijn borst van Fenrirs voet weg was, bleef Remus op de grond liggen. Zijn ademhaling ging te zwaar. Hij kon alleen maar wachten. Wanneer zou het einde komen? Wanneer was het voorbij?
      "Sta op en kom mee." Een gelaarsde voet prikte in zijn zij. Met alle mogelijke moeite duwde Remus zich overeind. Zijn spieren protesteerden bij elke beweging. De mensen schreeuwden boos nu er minder bloed vloeide dan verwacht. Een enkeling gooide met spullen. Schoenen, flessen drinken, eten. Remus negeerde het zo goed en kwaad als het ging terwijl hij de arena uitstrompelde. Hij zag niet dat hij werd nagestaard door twee grijze ogen.


      Hij ademde diep in.
      "Nee."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen