Ik heb dit hoofdstuk maar in twee delen geknipt, gezien hij anders wel heel erg lang zou worden. Het volgende hoofdstuk zal dus ook vanuit Remus zijn.

Wat Remus verwachtte terwijl hij de arena binnenliep, wist hij niet. Het voelde alsof alles anders moest zijn in vergelijking met de vorige keer. Alsof hij volledig klaar moest zijn om de man die hem tot dit leven had vervloekt tegen te komen. Hij was alles behalve. Zijn hart klopte in zijn keel en zijn handen waren nog nooit zo zweterig geweest. Zijn eerste en meteen laatste keer in de arena stond hem nog duidelijk voor ogen. Hij was toen niet sterk genoeg geweest om Fenrir te verslaan. Waarom zou nu anders zijn?
      Misschien hoopte Sirius daar wel op. Misschien was hij Remus wel helemaal zat en rekende hij erop dat Fenrir een einde aan hem zou maken. Had hij Sirius niet genoeg geplezierd in bed? Had hij niet genoeg geluisterd? Hij had alles gedaan wat Sirius van hem verlangd had. Was het niet genoeg geweest? Het idee had hem niet zoveel pijn moeten doen. Sirius had hem niks mogen doen.
      Het gejuich van de mensen was aan dovemansoren gericht. Remus hoorde niks en zag niks, behalve de man recht voor hem, die hem met een uitdagende grijns stond op te wachten.
      "Wel, wel, wel. De kleine pup is weer teruggekeerd. Ben je nog niet genoeg vernederd de vorige keer?"
      Remus kneep zijn handen tot vuisten en ademde diep in en uit. Hij voelde zich leeg en bang, met de herinnering aan de vorige keer nog vers in zijn geheugen. Hij had toen gedacht te sterven. Zou hij deze keer echt aan de beurt zijn? Maar hij voelde zich ook boos. Zijn hele leven had hij aan deze man te danken. Aan deze wolf. Zonder Fenrir zouden zijn ouders geleefd hebben, zou hij geen wolf zijn, maar een doodnormaal kind met een doodnormaal leven.
      "Ditmaal zal ik niet verliezen," gromde hij.
      Fenrir zette zijn rondes om Remus in. Hij wilde de jonge wolf aftasten en raken met opmerkingen. Opnieuw vernederen. "Heeft de pup zijn tong teruggevonden?"
      Remus speelde het spelletje niet mee. Het was te laat om nog af te tasten en te kijken waar de zwakheden lagen. Waarom zou hij zich nog laten beledigen? Hij wilde niet meer wachten. Zijn hele leven had hij al gedroomd van wraak. Nu was zijn kans.
      Hij sprong op Fenrir af.
      Fenrir aarzelde. Het was alles wat Remus nodig had om een flinke striem over Fenrirs ontblote borstkas te maken. Als automatisch waren zijn nagels verschenen en zijn gezicht was iets misvormd. Ineens snapte hij wat hij het vorige gevecht gemist had. Toen was hij bang geweest voor de verandering. Hij was bang geweest de controle over zichzelf te verliezen en een monster te worden. Nu wilde hij zich juist overgeven aan zijn instincten. Hij was niet meer bang. Hij was slechts boos.
      Erg lang had Fenrir niet nodig om van de schrik te bekomen. Remus moest achteruit springen om hem te ontwijken. "Wie had dat verwacht? De pup heeft een trucje geleerd." Het klonk spottend. Hij wilde Remus naar beneden praten en laten horen dat hij beter was. Eerder zou het gewerkt hebben, maar Remus had de korte glimp van onzekerheid in Fenrirs ogen gezien. Hij was niet zo onoverwinnelijk als hij Remus wilde laten geloven.
      Toch was het snel duidelijk dat Fenrir de sterke van de twee was. Nu Remus het element van de verrassing kwijt was, kwamen zijn aanvallen er niet meer doorheen en langzaam maar zeker werd hij achteruit gedreven. Telkens weer moest hij wijken om niet geraakt te worden door de klauwen of tanden van Fenrir.
      Toen hij bijna met zijn rug tegen de muur stond, werd er iets richting Fenrir gegooid. Het was een zilveren ketting. Remus kon het vage dejavu gevoel niet negeren.
      Fenrir grijnsde. Het bezorgde Remus de rillingen. De ketting zwaaide in cirkels boven zijn hoofd en voor het eerst voelde Remus echt angst. In plaats van wraak zou hij een nederlaag krijgen.
      De ketting werd uitgeworpen. Remus dook weg. De vonken spatten weer van de muur af. Waar kon hij heen? Nergens. Fenrir hield zijn uitweg goed dicht. Hij moest overeind komen. Maar hoe? De ketting hield hem in bedwang. Elke beweging zou worden afgestraft.
      "Dit was niet de afspraak! Geen wapens had je gezegd." Vaag drong de stem van Sirius tot hem door. Hij maakte de fout zijn ogen van Fenrir af te halen en naar Sirius te kijken. Sirius' gezicht was verwrongen van woede en hij stond met boze gebaren naast Jackson. Zijn ogen verlieten de arena geen moment.
      Het korte moment van afleiding was genoeg geweest voor Fenrir. Nog voor Remus doorhad wat er gebeurd was, drong een brandende pijn bij zijn pols tot hem door. Het was verlammend. De ketting had zich er stevig omheen geslagen.
      Een gepijnigd kerm kwam uit zijn mond en toen Fenrir aan de ketting trok, werd hij half meegesleurd. Zou Fenrir hem eerst de arena mee doorsleuren voor hij het zou eindigen? Moest hij eerst met zijn prooi spelen?
      Zijn gedachten schoten naar de woorden van Sirius. Het was opzet. Deze man hier had hem bewust veranderd met het doel zijn leven kapot te maken. Dankzij hem waren Remus' ouders dood. Hij had geen greintje spijt.
      Een haast bovennatuurlijke woede greep hem en met zijn vrije hand pakte hij de ketting vast. In een harde ruk trok hij Fenrir uit evenwicht. Hoe het zilver in zijn handpalm brandde, had hij niet door. Zijn gedachten waren maar op één ding gericht: wraak.
      De struikeling was alles wat hij nodig had om zelf overeind te komen en de ketting om Fenrirs hals te slaan. Hij kneep. Het zelfvertrouwen in de blik van de wolf veranderde in angst en pijn. Hoewel hij geen geluid maakte, zei zijn blik genoeg.
      Remus gromde zacht. Hij bleef naar Fenrir kijken. Hij wilde hem zien spartelen, wilde zijn doodsstrijd zien. Hij wilde zien hoe Fenrir zich zou realiseren dat Remus de sterkste was en dat hij verloren had. Hij wilde-
      Een spreuk raakte hem vol in de buik. Hij verloor de controle over zijn lichaam en zakte als een zoutzak in elkaar. Vanuit zijn liggende hoek kon hij net zien hoe twee mannen gewapend met toverstok en zilveren staaf de arena binnenkwamen. De ketting werd van Fenrirs nek afgehaald, en tussen de twee mannen in werd hij de arena uit geleid. Heel even leek hij zich op de nu hulpeloze Remus te willen storten, maar de geheven staaf maakte daar een einde aan.
      Dit is nog niet het einde, zeiden zijn ogen. Ik krijg je nog wel.
      Ik kijk ernaar uit. Remus moest het afronden. Hij moest tegenover Fenrir komen te staan en krijgen wat hij wilde, of sterven tijdens het proberen. Zijn weg was nog nooit zo helder geweest.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here