Foto bij Hoofdstuk 15

      Terwijl de lucht al goud kleurde, hobbelde de koets ruig over de schuine kasseien van de handelsroute naar Lyzov. Thórir was na een half uur al opgehouden met het zeuren over zijn positie als koetsier. Zijn moeder had hem daarbij dan ook ouderwets uitgedost in een donkergroene fluwelen jas vol gouden borduursels. Onder de lange mantel droeg hij nog een goudbruine gilet en pantalon. Zijn haar was ondanks zijn krullen nog strak in een scheiding gekamd en al met al zag hij er dus beslist niet als een koetsier uit.
      Zolin en Aileen zaten samen net zo opgemaakt achterin de koets. Aileen droeg een groene jurk van velours met gouden versiersels rond de hals en wijde mouwen terwijl haar rode haar in intrinsieke vlechten was geweven door Thórirs moeder. Zolin had dezelfde operatie meegemaakt voor zijn haar, maar hij droeg een veel simpeler pak. Hij moest het doen met een bruin wollen kostuum, maar in de steeds kouder wordende wind van het noorden kon hij als laatste lachen.
      "Daar voorbij de grote poorten is Lyzov, de hoofdstad van Albandor," kondigde Thórir aan terwijl hij naar de gigantische zwarte muren wenkte, "Tevens de allerrijkste stad van Lidrone. Dat is, als je de duizenden werkloze paupers en rioolbewonende moordenaars niet meetelt. Even kijken in de brochure van mijn koninklijke uitnodiging… vanavond is de grote jaarmarkt er! Een echte toeristische trekpleister! Dit is namelijk écht een gewéldige stad voor buitenlanders, dus ik wens jullie veel plezier toe als jullie het aandurven om de straten in te gaan straks."
      "Bedankt voor de tips! Je bent niet heel erg aanmoedigend!", riep Aileen nog straf terug. Thórir haalde enkel zijn schouders op en grijnsde, "Dat bedoelde ik ook niet te zijn."

      Toen de koets het nog hobbeligere bruggetje over de slotgrachten bereed, waaide er plots een ijskoude wind door de wagen heen. Toen de twee vrienden hun hoofden buiten het raampje staken, zagen ze de twee enorme wachttorens langs de poorten waarin norse schutters hen in de gaten leken te houden.
      "Toegangsbewijzen, uitnodigingen, legitimatie." Een zwaar noordelijk accent bromde van voor de koets en Thórir leek in zichzelf te vloeken terwijl de wachter door sprak, "Zijne majesteit verwacht belangrijke gasten, brothir, we kunnen geen slechte mannen binnenlaten."
      "Uiteraard, uiteraard." Thórir zuchtte en rommelde met wat papieren, "Thórir Arnesen, ik kom hier om generaal Arnvid van Mulafell te vertegenwoordigen op het koninklijke feest. Met mij reizen Aileen O'Connell als vertegenwoordiger voor haar vader, generaal Gearalt van Kilreen, en haar sveitung."
      "Waarom bestuurt de lakei niet uw koets, herra Arnesen?" De wachter liep naar het raampje toe en tuurde wantrouwig naar binnen. Zolin vermeed direct oogcontact zodra hij de bekende puntoren van de man zag en ging netjes rechtop zitten. Aileen stak glimlachend haar hoofd uit het raam om zijn zicht te blokkeren en lachte, "Oh, hij is een verschrikkelijke koetsier, maar heer Thórir is een ware meester in het besturen van wagens! Ik heb deze hele rit nog geen hobbeltje gevoeld!"
      De elfenwachter fronste lichtjes en keek aandachtig naar haar haarkleur, waarna hij met een zucht knikte en een gebaar richting de poorten maakte, "Open de poorten!"
      Meteen rammelden er kettingen en draaiden er tandwielen. Terwijl het hekwerk langzaam open kraakte, leunde de elfse wachter nog voorover en bromde hij zachtjes in Aileens oor, "En geef je sveitung niet te veel rechten, rothin. Voor je het weet bijt hij terug. Hier in Lyzov ben je net zoveel waard als alle andere myrkzils." Zodra hij haar geschrokken reactie zag, gaf hij een scheve grijns en lachte hij haar uit terwijl ze de ijzeren deuren passeerden, "Veel plezier in Lyzov, glimlachend snoetje! Geen gekke dingen doen!"
      "Negeer het, zo zijn ze altijd." Thórir fronste en reed direct een rustigere straat in. Voor de zekerheid hield hij zijn spraakvolume laag, "Als hij niet zo pronkt met zijn zielige baantje ligt hij voor morgen al op de brandstapel. Ljoss of niet. Daarom zeg ik je hier niemand te vertrouwen. Alles hier is nep. Enkel de het ongedierte, letterlijk en figuurlijk, in deze stad is echt."
      Aileen ging bescheiden terug op haar plek zitten en keek naar Zolin, waarna hij zijn schouders ophaalde en cynisch lachte, "Ach ja. Samen uit, samen dood. Of thuis, uiteraard. Dat kan ook."
      Aileen gaf hem een halfhartige duw, maar ze wist dat ze moeilijk iets positiefs over de onbekende stad kon brengen. Niet met Thórirs ervaren pessimistische blik en Zolins beïnvloedbare bittere houding. Ze koos er in plaats daarvan voor om uit het raam te staren naar de grimmige stenen huizen langs de straat.
      De sfeer in Lyzov was anders dan in Adonya's Moed. Zelfs in het afzwakkende zonlicht waren de wegen nog pikzwart, alsof ze het donkerbruine gesteente uit de enorme bergen voor de bestrating hadden gebruikt. De wind was koud en werd met de minuut scherper. Het enige wat de droevige uitstraling van de stad doorbrak, waren de kille witte stenen tussen de houten balken waarmee de huizen gebouwd waren. Achter de ramen sloten de mensen snel hun gordijnen en Thórir zuchtte toen hij twee Albense kinderen snel naar binnen zag rennen. Hij schraapte zijn keel en klopte tweemaal op de koets, "Nou, vrienden. Als jullie in ieder geval één mooi ding in de stad willen zien, zou ik na deze bocht aan de linkerkant kijken."
      De wielen kraakten lichtjes toen de wagen de draai maakte, maar daarna verscheen er een steile berg in zicht. Direct staken Aileen en Zolin hun hoofden uit het kleine raampje om te zien wat er zo mooi kon zijn.
      Achter een gouden poort liep er een zigzaggende weg naar boven, welke was belicht met duizenden fakkels en omringd door stekelige muren. Bovenop de piek stond een indrukwekkend kasteel, dominerend over de rest van de berg. Hoewel het niet zo mooi was als het paleis van Caerulon, had dit gebouw dezelfde indruk. De massieve muren en dreigende torens staken ver boven de rest van de stad uit. Het was alsof de koninklijke familie niet bij het gewone volk hoorde, maar zich had verheven tot een plek ver boven het gepeupel.
      "Fort Kazymir. Het meest ondoordringbare kasteel van héél Lidrone. Althans, tot morgenavond wanneer we er hard gaan feesten." Thórir maakte een onverwachte bocht en stopte abrupt, waardoor de twee inzittenden stijlvol over elkaar heen vielen en over de koetsvloer rolden. Hun val werd opgevolgd door een openklappende deur en Thórirs grijnzende gezicht in de opening, "En als dat kasteel je in zwijm liet vallen, heb je er de hele nacht nog uitzicht op. Kom, uitpaktijd."
      "Oké, oké." Met een kreun kwam de twee overeind en hielpen ze met het uitladen van de spullen. De koets en het paard werden netjes gestald achter een zware deur en Thórir opende het huis met een roestige sleutel. Langzaam kraakte de eikenhouten deur open, waarna de drie naar binnen stapten.
      Het was een simpel huis: het was wel erg groot, met twee verdiepingen en extra kamers op de begane grond, maar het weinige meubilair dat er stond was oud en versleten. Het rook een beetje muf, maar dat was te verwachten met het koude en natte weer in het noorden. De woonkamer bestond uit een grote tafel bij een open haard, waarboven wat simpele gietijzeren pannen hingen. Aan de linkerkant was een steile trap naar de bovenverdieping en rechts leek een slaapkamer met studeerruimte te zijn.
      "Het is misschien wat stoffig, want we zijn hier al geen tien jaar meer geweest," mompelde Thórir afwezig, waarna hij met een oude doek over de eettafel in het midden van de woonkamer wreef, "Maar goed, er is genoeg plek voor vier man, dus wat valt er te zeuren?"
      "Dit huis is enorm!", riep Zolin plotseling terwijl hij snel de trap op liep. Halverwege de eerste verdieping klonk zijn stem opnieuw, "Er zijn zelfs meerdere slaapkamers boven! Oh, en een altaar van Aiyana! In huis!" Snel rende hij de trap af en keek hij Thórir hijgend aan, "Waarom wonen jullie niet hier?"
      "We zijn boeren. We verdienen hier geen geld." De andere elfenjongen haalde zijn schouders op en zuchtte, "We zouden eigenlijk het huis moeten verkopen, maar mijn moeder wilde het houden voor het geval ik een baan in de stad vond. Niet dat ik daar achter stond. Uiteindelijk blijft wonen in Lyzov geen pretje. Er zijn dieven, en huurmoordenaars, en als buitenlander ben je een makkelijk target omdat de koning en het recht toch niks om je geven."
      "Dat klinkt… niet eerlijk." Aileen beet op haar lip en fronste. Thórir lachte alleen maar en leunde nonchalant tegen een voorraadkastje, "Welkom in Albandor, svass. Nog steeds zin om vanavond naar die markt te gaan of blijf je liever thuis?"
      "Wel... wat is er op de jaarmarkt te zien?", vroeg Aileen voorzichtig. Ergens wilde ze niet toegeven aan Thórirs getreiter, hoe echt de afgunst in zijn ogen ook leek. Ze ging wat rechter staan en sloeg haar armen over elkaar heen, "Ik neem aan dat ze de beveiliging opschroeven met het feest en zo."
      "Ha, jij durft! Dat mag ik wel!" Thórir lachte, "Oké, goed. Er is veelal rommel, dus ik zou geen waren kopen, maar er zijn ook lekkere hapjes. Eerlijk gezegd zal er op de markt zelf geen kwaad gebeuren, denk ik, eerder op de weg er naartoe." Thórir pulkte afwezig aan een uitstekende splinter van het kastje, "Jullie zijn met z'n tweeën, dus de kans is klein dat ze jullie pakken. Ik red mezelf wel hier, overduidelijk, dus heb vooral plezier als je dat wilt. Neem gewoon weinig geld mee, houd je stil en niemand valt je lastig."
      "Zullen we?", vroeg Zolin opeens, waarop Aileen hem verward aankeek. De elfenpriester glimlachte alleen maar en haalde zijn schouders op, "Ik was niet heel lief tegen je, maar nu we hier zijn, kan ik wel een hapje voor je kopen als een symbool van vrede. Zie het als een goedmakertje."
      "Je kan ook gewoon zeggen dat je trek hebt," grapte Aileen terug, waarna ze haar zakken leegte van kostbaarheden en enkel een paar zilverstukken achterliet, "Maar goed, aanbod aangenomen! Laten we gaan."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen