Foto bij Hoofdstuk 16

Ja, uh, deze compenseert voor de lengte van de vorige

      De markt was nog een aantal blokken van Thórirs huis verwijderd, maar de gekleurde lichten zorgden ervoor dat het makkelijk te vinden was. Er stonden een tiental kraampjes omringd door mooie versiersels en lekkere geuren. Hoewel de meeste bezoekers op de markt duidelijk niet van Albense afkomst waren, waren de verkopers dat wel en vonden ze het schijnbaar niet belangrijk dat hun klanten ze konden verstaan.
      "Pst, Aileen. Die vent probeert je te roepen," fluisterde Zolin opeens, "Maar ik zou niet kijken. Volgens mij probeert hij zink als zilver te verkopen."
      Zodra Aileen zich omdraaide en oogcontact maakte met de man in kwestie, grijnsde hij en wenkte hij naar een ketting in zijn kraampje, "Mooi! Mooi!"
      "Ja, heel mooi!", riep ze terug, waarna ze Zolin snel mee trok naar een andere kraam. Ergens had ze de neiging om te gniffelen alsof ze de man voor de gek had gehouden, maar ze had zichzelf op tijd door. Zolin lachte echter wel zachtjes en gaf Aileen een duwtje richting een eetkraampje dat vrij populair leek te zijn, "Kom, door al die afzetters krijg ik écht trek!"

      "Heet! Heet!" Zolin leek even op een schoorsteen door de hoeveelheid rook die hij uit zijn mond blies, "Die vulling is heet, kijk uit!"
      Aileen lachte alleen maar en nam voorzichtig een hapje uit haar eigen deegbolletje, waarna ze over de rokende vulling blies om het hapje af te koelen. Terwijl ze wachtten op hun tussendoortje was het grootste deel van de menigte alweer richting huis vertrokken. Uiteindelijk hadden ze niets anders gekocht dan het eten, maar dat was wellicht maar beter ook.
      "Er zijn wel veel kwakzalvers hier, of niet?", begon Aileen tegen Zolin, waarop de elf direct knikte, "En hoe? Die ene vent met die vazen was echt geen Caerulen. Zijn handen waren vier tinten lichter dan zijn gezicht! Als je jezelf schminkt, doe het dan goed!"
      "En die vrouw met haar Flavaanse aardewerk dan! Je zag de blokken klei in haar kist liggen! Wat een afzetterij!"
      "Het is bijna zonde dat we Thórir hiervoor hebben achtergelaten, maar goed, in ieder geval zijn deze hapjes wel verrukkelijk!" Ter demonstratie nam Zolin nog een flinke hap, waarna hij opnieuw manisch begon te blazen, "Jwe tsou genken gat ge kouge wucht gie hahjes ahkoelt!"
      "Je moet gewoon vooraf blazen! Dan heb je er geen last van!" Aileen blies over haar eigen hapje heen, waarna de rook verdween en ze het gevulde balletje zonder moeite weg kon slikken. Zolin rolde enkel met zijn ogen en pakte nog een deegbal uit het papieren bootje, "Dat is vast een of andere vorm van ijsmagie. Ik geloof niet dat specifiek jouw helft een stuk verder afgekoeld was dan de mijne!"
      "Uh, Zolin…" Zodra het woord 'magie' klonk, werden er een aantal ogen op het duo gericht, waardoor de elfenpriester zijn warme hapje snel doorslikte en de laatste bal uit het bakje pakte. Met zijn andere hand greep hij naar Aileens pols, waarna hij vlug van hun tafeltje weg begon te lopen, "Nou, dat was lekker. Zullen we naar huis gaan?"
      "Lijkt me een goed plan," fluisterde Aileen terug zodra ze twee mannen hen zag achtervolgen, "En misschien iets sneller ook, we hebben bezoek."
      "Kleine omweg dan maar?" Vastberaden slikte Zolin zijn laatste hapje door, waarna hij een onverwachte afslag nam en hard begon te rennen. Aileen liet zich gemakkelijk meesleuren, maar trok hem al snel een ander steegje in zodra ze hardere stappen achter zich hoorde. Samen schoten ze direct weer een andere straat in, waarna ze als twee gekken in de eerste beste hooibaal sprongen. Achter de berg hooi was een luik dat waarschijnlijk leidde tot de binnenkant van een stal, dus de twee besloten om daar zo snel mogelijk in te klimmen nu de mannen nog op afstand waren.
      Zodra ze binnen waren, sloten ze het luik en verscholen ze zich achter een stapel kratten vol bieten en wortelen. Hijgend keken ze voorzichtig uit het raampje toe hoe de twee mannen de schuur voorbij renden, waardoor het duo opgelucht zuchtte.
      "Oké, laten we Thórirs waarschuwingen vanaf nu in acht nemen," fluisterde Aileen een tikkeltje hees door haar gehijg heen, maar voordat Zolin een antwoord kon geven, opende de deur achter hen opeens. Direct hielden de twee hun adem in en bleven ze stokstijf achter de kratten zitten. Ondertussen leek de persoon in kwestie in alle kalmte een kaars aan te steken, waarna zijn schaduw op de muur tegenover de twee verscheen. Opnieuw opende de deur en een tweede, kleinere gedaante liep langzaam richting de man.
      "Ik neem aan dat je blij bent met je nieuwe baan als koninklijke beul, Aelrick? Je was altijd al een goede moordenaar." De tweede gedaante klonk als een jongeman, waarschijnlijk reeds volwassen, maar sprekend met de toon van een machtig man, "Je moest hier de details van je volgende target ontvangen, niet? Laten we eventjes kletsen tot de opdrachtgever komt! Hoe was het om het bloed van onze broeders aan je handen te hebben? Was het makkelijk om ons contract te breken? Voelde je je schuldig?"
      "H-Heer Katsuro!" De eerste man, Aelrick, draaide geschrokken om en leek paniekerig om zich heen te graaien, "Ik had geen keus! Echt niet! Mijn andere optie was de dood! Ik-"
      "Sst." Katsuro hield zijn hand in de lucht, waardoor de schuur met een indigo licht gevuld werd en de man zijn mond gesnoerd werd, "Je nam de keuze om mijn vertrouwen te schenden, terwijl er andere opties waren. Je hebt de ergste zonde nu begaan. Kom op, Aelrick, hoe erg kan de dood nou werkelijk zijn?"
      "U bent gek…! Gek zeg ik u! U bent net zo erg als de koninklijke familie die u veracht! U doodt zonder genade! U gunt uw broeders geen vrijheid en geluk!" Aelrick schreeuwde en stak de vlam van de kaars richting Katsuro. De jongere man hield enkel razendsnel zijn beide handen in de lucht en bewoog ze naar voren, waardoor er een steekvlam in de schuur ontstond en Aelrick krijsend op de grond stortte. Ondanks de gloeiende sprieten hooi in de houten schuur en de brandende kaars die over de grond rolde, stapte Katsuro rap naar voren en trok hij de jankende man bij zijn keel overeind, waarna hij hem met kracht tegen de muur ramde en gromde, "Ik gun mijn broeders alles. Daarom moet ik jou persoonlijk uit de weg ruimen. Geen ander kan jou lang genoeg onder zijn invloed houden."
      Voordat de andere man iets kon zeggen, hief Katsuro opnieuw zijn hand en liet hij het indigo licht weer verschijnen. Langzaam bewoog hij zijn hand over de borstkas van de verstijfde man, waarna hij zijn vinger boven het hart liet rusten. Zorgvuldig maakte hij een opwaartse beweging en fluisterde hij, "Nu, sterf."
      Zonder een enkel geluid stortte de man in elkaar en viel hij levenloos op de grond. Katsuro haalde diep adem en zuchtte, om vervolgens de kaars van de grond te rapen. Aileen kon zich al inbeelden wat de jongen met het lichaam besloot te doen, maar toen ze Zolin voor de mogelijke brand wilde waarschuwen, schrok ze zich rot.
      De elfenjongen hing indiscreet over een van de kratten, gebiologeerd door het vreemde licht. Met grote ogen staarde hij naar de jongen, waarna hij in zichzelf mompelde, "Bij Aiyana… hij is knap."
      "Zolin…!" schreeuwfluisterde Aileen terwijl ze haar vriend een fikse trek aan zijn broek gaf, maar Zolin leek wel gehypnotiseerd te zijn door wat er achter hen gaande was. Voorzichtig draaide Aileen zich om en probeerde ze langs de houten kratten te gluren.
      Naast het lichaam van de gestorven man stond een tengere jongen met gitzwart haar. Zijn mond en neus waren bedekt door een donkere doek, alsof hij niet herkend wilde worden. Zijn ogen gloeiden met een bovennatuurlijke blauwe energie, een die tevens de tatoeage op zijn voorhoofd deed oplichten. De jongen, Katsuro, staarde perplex naar Zolin, alsof hij niet wist wat hij moest doen met een toeschouwer die zo onverholen naar hem staarde.
      In een wanhopige poging om problemen te voorkomen, trok Aileen Zolin bij zijn schouders achter de kratten, een hand over zijn mond geslagen. Direct keek hij haar geschrokken aan en maakte hij duidelijk dat hij niet wist wat hem overkwam.
      "Kom tevoorschijn!", riep Katsuro richting de twee, zijn mouwen opstropend, "Ik tel tot drie!"
Aileen perste haar lippen op elkaar en staarde angstig naar Zolin, maar hij kon enkel dezelfde blik teruggeven.
      "Eén…" De jongen deed een voorzichtige stap richting de kratten en hield zijn handen voor zich uit.
      "Twee…" Met een soepele beweging liet hij een soort energie tussen zijn handen verschijnen en kwam hij dichterbij.
      "Dr-"
      "Oké, oké!" Zolin kon de druk niet meer aan en kwam met zijn handen in de lucht achter de kratten vandaan. Aileen moest daarom ook maar toegeven en volgde zijn voorbeeld met een zucht.
      "Wat…" De jongen fronste en liet de energie tussen zijn handen weer verdwijnen. Met een grimas liet hij zijn ogen tussen de twee vrienden heen en weer schieten, waarna hij een vies gezicht trok, "Is dit-"
      "Hé, dat voorvalletje met de beste heer? Dat hebben we niet gezien, dus uh. We gaan maar, denk ik." Zolin glimlachte vriendelijk naar jongen en pakte Aileens hand beet, maar voordat hij weg kon lopen, stak de jongen al zijn hand op en verstijfde Zolin op de plek waar hij stond.
      "Stop." Zodra Katsuro het commando had gegeven, zuchtte hij en wenkte hij naar de man op de grond, "Draag dat voor me. Ik reken later wel met jou af."
      "Prima," antwoordde Zolin monotoon, waarna hij Aileens hand losliet en de dode man zonder problemen optilde. Aileen trok haar wenkbrauwen op en maakte een vragend handgebaar naar haar vriend, "Zolin?!"
      "Was dat niet genoeg?", mompelde Katsuro tegen zichzelf, waarna hij zijn hand richting Aileen stak en zijn stem verhief, "Volg mij."
      "Nee? Waarom?!", riep Aileen verward, "Wat heb je met hem gedaan?!"
      "Dit is problematisch." Katsuro kreunde en wreef zijn handen over elkaar, waarna hij Aileen met zoemende handen bij haar keel beetpakte en gromde, "Dan maar zo."
      Voordat ze kon tegenstribbelen, hoorde ze enkel nog maar een knetterend geluid, waarna alles zwart werd.

      Het eerste wat ze ze zag toen ze weer wakker werd, waren vochtige stenen en Zolin die paniekerig naast haar zat. Beiden hadden een touw rondom hun polsen, waardoor ze zich niet konden verweren. Om hen heen stonden honderden vreemde mensen van verschillende rassen, allen deels gemaskerd met een donkerrode doek.
      "Dus," klonk er van boven hen. Aileen keek naar de bron van het geluid en zag Katsuro nonchalant op een stenen pilaar hurken, een niet-geamuseerde blik in zijn ogen, "Jullie zijn getuigen, maar ik gok dat jullie ook een belangrijke functie hebben. Het meisje is een roodharige. Ze is te zeldzaam om zonder reden af te slachten. Mijn initiële plan was om jullie te hersenspoelen, maar helaas, dat lijkt niet op de rooie te werken. Ik ga geen uitspraken doen over wat een Elaense generaal met een Viridense boer in een schuur uitspookt 's nachts, maar ik mag hopen dat mijn kennis over dat akkefietje genoeg is om jullie stil te houden?"
      "We-"
      "Stop. Ik laat de elf het woord doen." Katsuro onderbrak Aileen bot en knipte in zijn vingers, waardoor Zolin weer netjes rechtop ging zitten, "Vertel, elf."
      "We zijn gewoon vrienden! Geen enkele situatie tussen ons heeft een beduidende invloed op onze statussen. We zijn hier alleen maar voor het koninklijke feest. We hebben een verzoek voor de kroonprins. Na dit verzoek zullen we Albandor weer verlaten. Verder gaan we-"
      "Genoeg. Wat is jullie verzoek aan de prins?" Katsuro leunde met zijn armen over zijn gehurkte knieën en sloeg ze over elkaar. Zolin slikte enkel en beet op zijn lip, "Orchis vertelde ons dat de prins hoogstwaarschijnlijk als magiër is geboren. Wij zouden hem verzoeken zijn krachten aan ons te lenen en een van zijn leraren aan ons toe te wijzen. We hebben zijn magische expertise nodig om-"
      "Heer Katsuro." De plotselinge binnenkomst van een andere zwartharige man verbrak de hypnose en Zolin sloeg snel zijn ogen neer. Hij fluisterde zachtjes 'sorry' tegen Aileen, maar ze knikte al begrijpend terug. Het was niet alsof hij er iets aan kon doen.
      "Hideki." Katsuro sprong van de paal af, waarna de andere man naar hem toe liep. Hideki leek een stuk ouder dan Katsuro, maar toch boog de oudere man respectvol en trok hij een dolk tevoorschijn, "De procedure?"
      "Nee. Laat hen gaan. Ze vormen geen bedreiging."
      "Ze hebben u gezien, mijnheer."
      "Ze kennen de organisatie niet. Morgen zijn ze weg. Laten we geen aandacht trekken. Ze is een yoganko."
      "Zoals u wenst…" De oudere man knikte en stond weer op, maar in zijn ogen was minachting te zien. Alsof hij het niet eens was met hoe dit alles verliep. Vier extra gemaskerde mannen kwamen uit de schaduwen naar voren. Hideki stopte ze door een vinger op te steken en gebaarde vervolgens naar de twee vrienden, "Ik neem aan dat we hen boven plaatsen."
      "Bij de brug is prima. Beheers de elf, dan zorg ik voor de rooie." Katsuro wenkte naar de vier mannen en liep weer naar Aileen toe. Enkele seconden staarde hij naar haar, waardoor ze de zilveren kleur van zijn ogen en de indigo lotus op zijn voorhoofd opmerkte. Zodra hij haar blik ontmoette, lachte hij geniepig in zichzelf. Met een korte beweging ontstonden er blauwe vonken in zijn handen, waarna hij een van zijn knetterende vingers tegen haar voorhoofd hield en grijnzend fluisterde, "Trusten."

      Toen Aileen weer wakker werd, zag ze Thórir en Zolin met grote ogen boven haar hangen. De twee zuchtten opgelucht zodra ze haar zagen bewegen en Zolin depte nog snel een watje met verkoelende olie over haar voorhoofd. Met trillende handen legde hij de fles terug op tafel en greep hij vast aan de bedstee, "Oh, goden. Je was zo lang buiten bewustzijn dat we dachten dat je niet meer wakker zou worden!"
      "Morgen gaan jullie niet meer naar buiten. Ik wil dat jullie bij mij blijven." Thórir fronste en ging gefrustreerd met zijn handen door zijn haar, "Jullie bleven maar weg en het werd steeds maar donkerder. En toen ik dan besloot om jullie te gaan zoeken, lagen jullie buiten in de kou te creperen! Weten jullie wel niet hoe laat het is?!"
      "We kunnen nu wel gerust gaan slapen," mompelde Zolin voorzichtig. Thórir richtte zijn frons op de andere elf en gromde, "Ik kan nu vredig naar bed, ja. Eindelijk. Omdat ik een bewusteloze vrouw en haar bezopen vriendje uit een eng steegje heb gesleept. Flik me dit niet nog een keer. Het is voor mij óók gevaarlijk om het huis te verlaten. Wie weet wat ons door jullie twee terug naar hier heeft gevolgd. Er zijn moordenaars die met lokaas werken, weten jullie dat? Maar goed, hè. Hirtha. Positief denken. Trusten."
      Aileen en Zolin keken toe hoe Thórir de deur achter zich dichtsloeg en richting zijn slaapkamer op de begane grond stormde. Zolin beet op zijn lip en tikte nerveus met zijn vingers op de bedrand. Opnieuw richtte hij zijn blik op Aileen en fluisterde hij zachtjes, "Leen, het spijt me zo. Zonder mijn onnozelheid was dit niet gebeurd. Straks hebben we een of andere bende achter ons aan. Hoe moeten we ooit terug naar Caerulon komen?"
      "Hé, Zol, je kon er niets aan doen. Die gozer gebruikte een of andere gare kracht." Aileen pakte voorzichtig een van zijn tikkende vingers beet en wreef erover, "Je hoeft je geen zorgen te maken. We waren toch niet interessant voor die lui? Anders hadden ze ons heus niet teruggebracht."
      "Omdat ze jou bijzonder genoeg vonden. Ik weet niet of dat positief is." Zolin glimlachte alleen maar zwakjes en haalde zijn schouders op. Hij aarzelde een aantal seconden voordat hij de kaarsen in de kamer doofde en stapte in het donker naar zijn tijdelijke bed. Zodra hij onder de dekens was gekropen, mompelde hij nog zacht 'welterusten'.
      Aileen pufte de adem uit die ze onbewust inhield en staarde afwezig naar het plafond.
      "Trusten."

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen