Ik recht mijn rug en richt me op de doelwitten. Er rennen nog steeds kinderen rond om flessen neer te zetten. Fazim volgt hen met de loop van mijn pistool en roept voor de grap: ‘Pang! Pang! Pang!’, allen om de kinderen dan ineen zien te duiken. Wat zou het fijn zijn als zijn pistool terugslaat en die stomme smoel van zijn gezicht vaagt.
De kinderen zijn klaar en nu zijn alleen wij en de flessen nog over. We zijn de laatste groep van de eerste ronde. Naast me wordt al geschoten. Ik concentreer me op de flessen voor me. Ik zou dit geblinddoekt kunnen doen, maar ik ben voorzichtig. Ik focus me weer op de flessen en haal de trekker over. De fles spat uit een en ik zie het publiek in mijn ooghoek verbaasd met elkaar praten. De volgende drie flessen gaan erg snel achter elkaar neer.
Mijn vinger haalt voor de vijfde keer de trekker over. Een kreet haalt me uit mijn concentratie en vervolgens knalt er iets tegen me aan. Ik schiet mis.
Fazim werd opzij geduwd door een andere schutter en viel toen tegen mij aan. Een andere man was vervolgens boven op hem gesprongen. Onder luid boegeroep vliegen ze elkaar in de haren, maar de reus van de deur sleurt Fazim al aan zijn kraag naar buiten. Hasan kijkt hen verveeld na en richt zijn aandacht weer naar het publiek. ‘De winnaars van deze ronde…’
‘Hé!’ schreeuw ik zonder na te denken. ‘Ik wil nog een kogel!’
Er klinkt gelach. Mijn nek brand van alle ogen die op me zijn gericht. Maar dit was belangrijk. Te belangrijk niet te vragen. Hasan kijkt me minachtend aan en ik voel een mengeling van vernedering en woede opstijgen. ‘Zo werkt het niet, zevenentwintig. Zes kogels, zes flessen. Geen herkansingen.’
‘Maar dat ik niet eerlijk. Hij duwde me opzij.’ Ik gebaar naar Fazim, die met zijn hand om zijn kaak tegen de muur geleund zit.
‘En dit is geen schoolplein, jochie. We hoeven niet eerlijk te zijn. Je kunt je laatste kogel gebruiken en verliezen óf je kunt het opgeven.’
Nou, dat was een fijne keus. Ik was de enige die nog een kogel over had. De menigte begint te roepen dat ik het moet opgeven en ik krijg een kleur van woede op mijn verborgen gezicht.
Als enige op de streep hef ik mijn pistool. Ik voel het gewicht van die ene kogel in het magazijn. Met een lange zucht blaas ik de sjiema van mijn droge lippen af.
Een kogel, twee flessen.
Ik doe twee stappen naar rechts en vervolgens een halve stap naar achteren. Ik krom mijn rug en probeer het in gedachten voor me te zien. Recht in het midden van de eerste fles zou ik de tweede niet raken. Iets te ver opzij en ze zouden geen van beide raken. Ik sluit me af voor het gejoel en gehoon om me heen. Ik negeer het feit dat iedereen naar me kijkt en dat ik alle kansen om onopgemerkt te blijven had verpest.
Plots zie ik alles veel scherper. Ik en mijn doelwit, niets anders deed ertoe. Ik haal de trekker over.
De eerste fles breekt meteen. De tweede wankelt even op de rand van de balk. Ik kan het schilfertje waar ik het dikke glas geraakt had zien. Ik houd mijn adem in, terwijl de fles heen en weer wankelt.
Vijftig foeza.
Vijftig foeza die ik misschien nooit meer zou zien.
De tweede fles valt op de grond en de menigte begint te juichen. Ik slaak een diepe zucht. Als ik me omdraai zie ik Hasan naar me kijken alsof ik een slang ben die een valstrik heeft ontweken. Achter hem staat de vreemdeling me met opgetrokken wenkbrauwen aan te kijken. De grijns achter mijn sjiema zit vastgeplakt op mijn gezicht. Hasan trekt zijn lip op en zegt dan geïrriteerd: ‘Ga maar in de rij staan voor de tweede ronde.’
Ik weet niet hoelang we al schieten, maar lang genoeg om ervoor te zorgen dat het zweet me op de rug staat. Lang genoeg om Dahmad de kampioen om tussen de ronden door drie volle drankflessen weg te klokken. En lang genoeg om de ene na de andere man naar huis te laten gaan. Maar ik heb nog steeds een pistool in mijn handen.
Het doelwit bevindt zich aan het uiteinde van de ruimte: flessen, langzaam ronddraaiend op een plaat, die door een kind met een krukas in beweging wordt gehouden. Ik haal mijn trekker zes keer over. Door het gebrul van de menigte hoor ik het glas niet breken.
Er valt een hand op mijn schouder. ‘De laatste deelnemers van de avond.’ Schreeuwt Hasan hard. ‘Onze enige echte kampioen Dahmad!’ het publiek gilt en juicht bij het horen van zijn naam. ‘Onze terugkerende uitdager, De Oosterse Slang!’ weer juicht het publiek. ‘En een nieuwkomer op deze mooie avond.’ Met een ruk trekt hij mijn arm omhoog, de menigte gaat uit z’n dak, schreeuwt en stamp met hun voeten op de grond totdat de hele schuur ervan begint te trillen. ‘De Parelmoerogige Bandiet!’
De bijnaam smoort in één schok van paniek mijn opwinding. Mijn blik schiet door de schietkuil op zoek naar Fazim. Ik mag dan door kunnen gaan voor een jongen, maar mijn ogen kan ik niet verbergen. Verder ben ik zo donker als een meisje uit de woestijn hoort te zijn, maar ik val op door mijn Iriserende ogen. De kleur van parelmoer en zeepbellen. Hoewel Fazim zo dom is als een ezel. Zal hij – als hij hier nog is – misschien net slim genoeg zijn om één en één bij elkaar op te tellen. Toch blijf ik grijnzen achter mijn Sjiema en laat het gejuich over me heen komen. Hasan laat mijn arm vallen. ‘Tien minuten voor de laatste weddenschappen, mensen. Laat de laatste ronde zo beginnen.
Ik ga weer bij de streep staan. Ik sluit mijn ogen en denk even na. Het prijzengeld is duizend foeza. En ik ben aan de winnende hand. Maar ik kan de vreemdeling of De Oosterse Slang maar niet uit mijn hoofd krijgen.
Achter me hoor ik Dahmad nog een fles openen. De sterke geur van alcohol volgt hem als hij naast me komt staan. Ook De Oosterse Slang voegt zich bij ons.
Voor de laatste keer geven de kinderen ons onze munitie. Ik klik behendig de kogels in het magazijn en zie dat de vreemdeling me zin zijn ooghoek in de gaten houdt. Ook hij klikt de kogels in het magazijn, minder behendig als ik maar nog steeds als een professionele schutter. De enige die moeite lijkt te hebben is Dahmad. Met de halflege fles alcohol en de kogels in zijn ene hand en het pistool in zijn andere gaat het hem niet zo gemakkelijk af. Al zou hij de fles alcohol niet in zijn handen hebben, hij is nog steeds veel te dronken om überhaupt goed te kunnen functioneren.
Al morsend op zijn kleren krijgt Dahmad het uiteindelijk voor elkaar om het pistool te laden. Net op tijd voor de laatste ronde.
‘Oké iedereen klaar voor de laatste ronde?’ het publiek juicht hard en roept luid. Ik ben verast als ik ‘Parelmoerogige Bandiet!’ hoor. Het verbaast me nog meer dat ze de tijd nemen om die naam überhaupt uit te spreken.
Omdat dit de laatste ronde is krijgen we een lastigere opdracht. ‘Blind schieten!’ roept Hasan terwijl hij mij een blinddoek aangeeft. ‘De laatste drie deelnemers! Geef ze een groot applaus!’
Net als ik de blinddoek om doe wordt er geschoten en gegild. Ik word omvergeduwd en val op de grond met de blinddoek voor mijn ogen. Nu mijn hele gezicht is bedekt kan ik helemaal niets zien. Ik hoor mensen schreeuwen en rennen. Mensen rennen om me heen. Het schieten is al afgelopen maar de paniek niet. Ik probeer de blinddoek af te doen maar mijn mouwen zitten vast aan iets. Ik kan niets zien, ik kan niets doen. Voeten stoten tegen me aan en ik hoor mensen vallen. Ik panikeer. Ondanks het pistool dat ik in m’n hand voel liggen kan ik niets doen. Niets helpt. Ik voel hitte tegen mijn zij en ik gil het uit van de pijn.
Maar de pijn en frustratie zorgen voor adrenaline en ik ruk met een harde haal mijn armen los. Ik hoor mijn kleding niet scheuren onder het vele kabaal en gegil.
Plotseling voel ik een sterke hand die me optilt. Vlug doe ik mijn blinddoek af, en kijk recht in de ogen van de vreemdeling. Geschrokken breek ik vrij van zijn grip op mijn arm en kijk rond.
De schuur staat in brand. De vlammen likken de muren en vloeren, ze komen gevaarlijk dichtbij. Ik ren door de vlammen terug naar de ingang, waar ik de tafel met munten nog zie staan. Dit mag dan wel een leven op dood situatie zijn, maar ik kom hier niet weg zonder mijn prijs.
Het vuur brandt mijn sjiema wanneer ik bij de tafel aan kom. Ik voel de pijn van de brandwonden. Vlug schuif ik een berg munten in mijn zak. Tellen doe ik later wel.
Ik werp nog een laatste blik op de schuur en zie de vreemdeling aan de andere kant van de schuur ten einde raad een uitweg proberen te vinden.
‘Hé!’ roep ik naar hem. ‘Hierheen!’ en dan draai ik me om en loop weg. Het is ieder voor zich.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen