Foto bij Scar 35

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik ben verliefd op Paige. Dat wist ik zelfs al vóór het moment dat ik haar die keer probeerde te kussen. Ik wil haar weer kussen. Ik wil haar in mijn armen houden. Ik wil dat haar stem het laatste is wat ik hoor voordat ik ga slapen en het eerste wanneer ik wakker wordt. Ik wil haar kennen op een manier waarop ik aan haar gezichtsuitdrukking alleen al weet waar ze aan denkt en andersom. Ik weet dat ik dat wil. En Paige weet dat ook.
En heel lang heb ik niet begrepen waarom ze nog steeds contact met me wil hebben, ondanks dat ze dat alles weet en ze absoluut geen relatie met me wil. Maar nu snap ik het.
Paige Bourgeoiselle, misschien wel de sterkste persoon die ik ooit ontmoet heb, kan het niet meer aan om alleen te zijn.

Nadat ze haar tranen gedroogd heeft, waarschijnlijk veel eerder dan eigenlijk goed voor haar is, verhuizen we naar de bank.
Duizend maal biedt ze haar excuses aan voor dat ze moest huilen en ik heb haar misschien nog wel vaker heb verteld dat het niet uitmaakt. Ik vraag me af wie haar ooit ingeprent heeft dat ze zich zou moeten verontschuldigen voor haar bestaan over het algemeen, maar ik weet wel dat ik diegene gratis een paar gebroken ribben zou doneren. Zou die persoon eigenlijk weten hoeveel pijn die instelling haar gedaan heeft?
Wanneer haar handen op zijn gehouden met beven, raken we aan de praat. En ik kom erachter dat, ondanks al het verdriet dat ze met zich meedraagt, Paige de mooiste verhalen kan vertellen. Ze vertelt met de grootste glimlach op haar gezicht dat otters haar favoriete dieren zijn, al van kinds af aan. Ze laat me weten dat haar moeder als kind allemaal vreemde dingen met haar haar deed en dat ze daarom het liefst haar haar los draagt, gewoon omdat ze bij het zien van een haarelastiekje of speldje alweer geïrriteerd raakt. Ze vertelt over onderwerpen die me nooit iets hebben kunnen schelen, maar ineens laat ze ze klinken als het interessantste op aarde. Er zit een passie in haar verscholen waarvan ze duidelijk niet precies weet hoe ze die kwijt moet.
Na een tijdje valt ze stil en zegt ze zacht: 'Sorry. Ik praat te veel.' Haar glimlach is verdwenen.
Ik schud mijn hoofd. Het voelt alsof dit de eerste keer is dat ik haar ooit hoor praten. En ik zou nog uren langer naar haar willen luisteren.
'Ik weet niet wie je zoiets ooit verteld heeft, maar diegene is gewoon een klootzak.'
Haar gezicht wordt ineens grauw, alsof ze een spook heeft gezien. Misschien is ze zo bang voor die persoon dat ze nooit ook maar één scheldwoord heeft durven gebruiken wanneer ze over hem of haar praatte, maar misschien is ze gewoon zenuwachtig dat ik nu verdere uitleg wil. Misschien wel allebei.
'Ik ga weer even thee zetten,' kondigt ze nerveus aan om aan de situatie te kunnen ontsnappen. Ik zou het liefst precies willen weten wat er aan de hand is, maar ik laat haar haar vluchtroute maar uitzetten. 'Wil jij ook?'
Ik knik en wanneer zij opstaat, volg ik haar voorbeeld. Pas wanneer ik haar naar de keuken toe zie lopen, besef ik me hoe ze onbewust altijd bewust is van haar lichaam, zelfs wanneer ze zich onzeker voelt. Ze loopt soepel, behendig, bijna alsof ze denkt de vloer te kunnen breken als ze dat zou willen, maar besluit heel zorgvuldig met die kracht om te gaan. Iemand anders zou het misschien elegant genoemd hebben, maar daar gaat het niet om. Elke stap die ze zet is een voorbereiding op de volgende. Ze loopt niet op een normale manier en ook als ze stilstaat, staat ze niet met haar voeten netjes naast elkaar. Ze staat met een voet wat verder naar achteren, of schuin, zodat ze elk moment een draai kan maken. Ze loopt alsof ze danst. Of, besef ik, alsof ze klaar is voor een gevecht.
Wanneer ik er vol bewondering een opmerking over maak, worden haar wangen rood en sputtert ze wat onsamenhangends, ook al was het als compliment bedoeld.
We worden gered door de waterkoker die met een klikje aangeeft dat zijn taak erop zit en met het gemak alsof het haar eigen appartement is, schenkt ze twee mokken in. Ik vind het helemaal niet erg dat ze zich thuisvoelt.
Op dezelfde secure manier van voortbewegen waar ik blijkbaar geen opmerkingen over mag maken, loopt ze met de twee koppen naar de bank toe. Één geeft ze aan mij en met de andere gaat ze in het hoekje van de bank zitten, haar benen opgetrokken en tegen de leuning gezakt. Haar thee laat ze op haar knieën rusten.
‘Ballet,’ zegt ze dan en ik maak een vragend geluidje. ‘Ik loop zo omdat ik vroeger ballet heb gedaan. Later heb ik het ingeruild voor vechtsport.’
'Welke vechtsport?'
'Welke niet?' Ze glimlacht niet. Haar mond is een dunne streep.
Ze neemt een slok thee, die waarschijnlijk nog veel te heet is, alsof ze de herinnering zo weg kan slikken.
'Vertel eens over je familie,' vraag ik, eigenlijk zonder dat ik er eerst goed over na heb gedacht. Ik heb al eerder wat signalen van haar opgevangen dat dat een gevoelig onderwerp is.
'Mijn familie.’ Haar stem klinkt zacht en ze fronst, alsof het een woord is wat een bittere smaak heeft, maar dan glimlacht ze heel kort en zwakjes. Ze zegt het opnieuw, alsof ze erop oefent. Het klinkt zo anders, dat ik me afvraag hoeveel verschillende kanten van zichzelf haar familie aan haar heeft laten zijn. 'Mijn familie.'
Ze kijkt naar haar handen, die om de mok gekruld zijn. Ze gaat rechtop zitten, met haar voeten weer op de grond.
‘Wat je eerst moet begrijpen, is dat... Rusland... Rusland is geen slecht land of zoiets. Mijn familie is gewoon... kil. Het is moeilijk uit te leggen.' Wanneer ze opkijkt, lijkt het alsof haar ogen iets minder licht zijn geworden.
Ik open mijn mond om iets te zeggen, om terug te krabbelen, haar gerust te stellen, wat dan ook, maar ze wuift het weg.
‘Wat ik probeer te zeggen,’ zegt ze, heel langzaam, alsof ze over elk woord tien keer langer nadenkt dan normaal, 'is dat mijn opvoeding... niet is wat je gewend bent... als in, iets wat je echt totáál niet gewend bent.’
Mijn geforceerde halve glimlach vervaagt en ik kijk haar heel lang onderzoekend aan. Dan vraag ik, bloedserieus: ‘Hebben ze je geslagen, Paige?’
Ze schudt langzaam haar hoofd, duidelijk heel goed nadenkend over haar woorden. ‘Nee, niet echt. Ik niet, in ieder geval. Mijn broers... zij kregen af en toe wel een tik. Alleen.... ik moest zelf wel leren slaan. Ik had vier broers, Nathan. En die waren... ik bedoel... ik was de enige dochter. Ik moest mijn respect verdienen.’
Mijn gezicht is bijna net zo verwrongen als dat van haar. Ik weet niet eens precies wat ze bedoelt, kan me er geen beeld bij vormen, maar ik weet dat het niet zo hoort te zijn dat je je een plekje in je familie moet worstelen.
‘Mijn ouders wilden allebei dat ik geen littekens zou krijgen. Ik mocht niet liegen. Dat paste niet bij een dame. Daar waren ze heel streng op. Van jongs af aan hebben ze het bij me naar binnen gestampt. Ik was haast bang om iets te zeggen nog voor ik überhaupt kon praten. Maar ze waren onverbiddelijk, dus ik heb geleerd om... te liegen zonder te liegen. Halve waarheden. Je hoofd schudden of knikken wanneer iets hardop zeggen een leugen is. De waarheid vervormen tot iets wat mooier klinkt. Of gewoon genadeloos eerlijk zijn. Ik... ik had niet heel veel vrienden, kun je je wel voorstellen. Ik heb het nog steeds niet afgeleerd.’
Mijn gezicht vertrekt nog erger in een grimas. Mijn mondhoeken wijzen naar beneden.
'Nathan.' Ze kijkt me weer aan en ik zie tranen in haar ogen glinsteren. Bijna ademloos gaat ze verder. 'Je moet begrijpen dat mijn familie voor het grootste deel uit hele slechte mensen bestaat. Echt waar. Ik kan niet zeggen wat hij...' Slikt en haalt even schokkerig adem. Haar blik slaat ze neer. Dan herhaalt ze, bijna alsof ze een eed aflegt: 'Hele slechte mensen.'
Heel lang weet ik niet wat ik wat ik moet zeggen.
‘Wat erg,' lukt het me uiteindelijk om uit te brengen, maar ze kijkt op, bijna fel, met een strijdlustigheid die ik nog nooit in haar blik heb gezien, maar wel bij haar past. Ik zie tranen in haar ogen - misschien van woede, misschien van verdriet.
‘Dat mag misschien wel zo zijn, maar ik ga niet van je vragen om me zielig te vinden. Ik ben geen in elkaar getrapt hondje. Ik ben sterk genoeg om voor mezelf te z-’ Ze houdt abrupt op met praten, bijt haar tanden zo hard op elkaar dat het er bijna pijnlijk uitziet, haar ogen groot van schrik. Even frons ik, kijk haar wat vragend aan, maar dan snap ik het. Als ze die zin had afgemaakt, zou het een leugen zijn geweest. Waarschijnlijk kon ze zich maar net inhouden.
Paige Bourgeoiselle, de vrouw zonder littekens, heeft bijna gelogen.
Droevig kijk ik haar aan, zoekend naar de woorden om haar te troosten, maar die vind ik niet. En zij kijkt gewoon stug weg.
‘Kunnen... kunnen we gewoon doen alsof dat niet gebeurd is?’ smeekt ze me en door het onvrijwillige trillen van haar stem heen, hoor ik een behoedzaamheid, bijna iets diplomatieks.
Kunnen we doen alsof er niets gebeurd is? Nee. Eigenlijk niet. Eigenlijk is het van belang dat ze het eindelijk aan iemand vertelt. Eigenlijk kan ik gewoon zien hoe het haar kapot maakt. Maar in principe is het wel mogelijk. En ik kan haar niet dwingen.
Ik pers mijn lippen even op elkaar. Dan zeg ik geforceerd: ‘Oké.’

Reacties (1)

  • BethGoes

    Ahw... dat is echt heel zielig!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen