Foto bij H.125.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Soms komt ineens de gedachte in me op dat, wanneer ik Evan weer in het echt zal zien, ik hem nooit, maar dan ook echt nóóit zal vertellen hoe hard ik gehuild heb op die dag dat ik weg moest. Maar dan besef ik me weer dat dat niet gaat gebeuren. Ik ga hem nooit meer zien. Maar ik kan me vasthouden aan de schrale troost dat, wat er ook gebeurt, we in ieder geval onder dezelfde sterrenhemel leven.

Het is echt niet dat ik niet meer kan glimlachen. Dat is het niet. Ik kan gelukkig zijn, op sommige momenten. Ik heb een week geleden in de middag lachend met James door de regen gerend, in plassen gesprongen. Drie dagen geleden heeft hij me leren pokeren - blijkbaar kan ik prima bluffen. Hij is langsgeweest bij de kinderboerderij waar ik werk en we hebben terwijl ik de geiten eten gaf de meest lichte gesprekken gehad in maanden.
Maar weegt dat af tegen die keer een paar weken geleden dat ik een rib gekneusd heb toen ik die in een onhandige hoek aan het aanrecht stootte en vervolgens een verschrikkelijke paniekaanval kreeg? Ik weet nog de blik vol horror toen hij me snikkend en bevend op de grond zag zitten. Hij probeerde me te helpen, maar ik bleef huilen dat hij van me af moet blijven, dat ik Evan nodig had, dat Evan moest weten dat het zoveel pijn deed. Ik was totaal van slag. Ik weigerde al zijn hulp. Hij heeft geduldig gewacht tot ik alle paniek en pijn uit mijn systeem had gehuild en heeft me toen naar bed geholpen. Ik werd de volgende dag pas na twaalf uur in de middag weer wakker en hij heeft geen moment geklaagd om mijn uitbarsting. Omdat hij waarschijnlijk al blij genoeg was dat ik überhaupt wilde eten, heeft hij zonder gemopper “ontbijt” voor me gemaakt, waarna hij met me naar de dokter is geweest om te kijken hoe hard de klap op mijn ribben was. Ik heb geluk gehad, want het is nu al bijna genezen, maar omdat ik een aantal maanden geleden gebroken ribben heb gehad, had het heel veel ernstiger af kunnen lopen.
De laatste tijd gaat het beter. Het gaat niet goed, maar beter. Het kost minder moeite om te lachen. Op momenten dat ik me normaal gesproken verschrikkelijk verdrietig had gevoeld, voel ik me nu alleen maar... leeg. Ik weet niet of dat beter is, of dat betekend dat ik aan het genezen ben, maar de pijn is minder erg. Mijn handen trillen al minder, als of er gewoon echt iets gebróken binnenin me is. Ik huil zelden meer zo hard dat het gewoon zeer doet.
Ik zie hoe James steeds meer ontspant. Hij maakt zich minder zorgen. Hij behandelt me meer als mens en minder als een ballon die op knappen staat. Maar nog steeds is hij wantrouwig. Hij maakt zich constant zorgen. Het blijft maar malen in zijn hoofd. Elke keer bedenkt hij nieuwe theorieën over de strijd die ik met mezelf voer. Zo nu en dan loopt hij gewoon naar me toe en stroopt zwijgend mijn mouwen op om te kijken of aan de binnenkant misschien sneeën te zien zijn. Ik vertelde hem dat hij zich daar geen zorgen over zou moeten maken, dat ik dat toch niet zal doen, maar hij blijft volhouden dat het geen keuze is. Wetend dat dit de enige manier is om ervoor te zorgen dat hij zich hier druk over maakt, laat ik hem zijn gang maar gaan.
Dus wanneer ik een zondagochtend, drie maanden nadat ik weg ben gegaan bij Evan, de woonkamer binnen loop, heb ik mijn mouwen alvast opgestroopt om te laten zien dat ik niks verberg.
Ik verwachtte eigenlijk dat hij aan de eettafel zou zitten, maar na een tijdje zie ik dat hij in de keuken staat. Hij heeft net een koekenpan uit de lade gehaald.
'Ik ging net eieren bakken. Wil jij ook?' vraagt hij. Ieder ander zou gevonden hebben dat hij er gespannen uit zag, te alert, maar in vergelijking met hoe hij de afgelopen paar maanden was, is hij verassend relaxed.
Het idee alleen al aan iets machtigs als eieren moet eten maakt me misselijk. Ik moet nu al bijna kokhalzen. Mijn lichaam wil er niets van weten. Dus ik glimlach en zeg: 'Ja, graag.'
Ondanks dat hij zich onder controle probeert te houden, zie ik de zucht van opluchting door hem heen gaan. Terwijl hij begint met het eieren bakken, dek ik zwijgend de tafel. En na een minuut of vijf zitten we zwijgend aan tafel. Dat doen we de laatste tijd een hele hoop. Maar bijna nooit begin ik zelf een gesprek, zo bang ben ik voor wat hij misschien wel zal zeggen.
'Moet je morgen weer werken?' vraagt James, die mijn hele werkschema uit mijn hoofd weet. Hij wil gewoon dat ik iets zeg, dat ik hem bewijs dat er ook nog maar íéts van hersenactiviteit in dat hoofd van mij te vinden valt. Ik ben bang dat ik hem zal moeten teleurstellen.
'Ja,' antwoord ik simpel, waarna ik met moeite een hap ei doorslik.
Hij knikt, waarna het gesprek op een uitzonderlijk ongemakkelijke manier weer stilvalt. Wat is er toch van ons geworden?
Nadat hij zijn laatste stukje toast heeft weggewerkt, staat hij ineens op, zo plotseling dat ik van schrik mijn vork laat vallen. Hij draait geërgerd een rondje om zijn as en haalt zijn hand door zijn haar. Dan kijkt hij me aan, zijn blik even fel als wanhopig.
'Dit kan zo niet langer, Gioa.' Zijn stem trilt zo erg dat ik verwacht dat hij elk moment al zijn gedachten naar de verkeerde plek kan schudden. 'Je... je maakt jezelf kapot en ik... ik weet niet wat ik ertegen moet doen. Ik weet het niet meer.' Hij gooit theatraal zijn armen in de lucht. 'Ik weet het echt niet meer.'
Met waterige ogen kijkt hij me aan, waarna hij zo onduidelijk mompelt dat ik nog maar net kan verstaan wat hij zegt: 'Oh God, wat heb ik toch met je laten gebeuren?'
Oh ja... James heeft, net als ik, dat ding waarbij hij zichzelf de schuld geeft van alles wat er misgaat. Ik was bijna vergeten dat ik niet de enige met een verziekt zelfbeeld.
'James...' begin ik stamelend, maar hij loopt al weg. Onzeker sta ik op, twijfelend of ik achter hem aan moet lopen, maar na minder dan een halve minuut komt hij zelf al terug, met mijn jas in zijn handen. Hij gooit het kledingstuk naar me toe en ik vang het reflexmatig uit de lucht. Ik kijk er even naar en dan weer naar James.
Ik zie dat hij iets gaat zeggen en even komt het in me op dat hij misschien wel gaat vertellen dat we teruggaan naar Evan, maar ik weet meteen al dat dat niet het geval is. Mijn vermoedens worden bevestigd wanneer hij zegt: 'Kom. We... we gaan naar een pretpark.'
Ik kijk hem aan alsof hij een beroerte krijgt.
'Een... pretpark?' zeg ik vragend.
Hij knikt, alsof dat de enige oplossing. 'Ja. Ja, we gaan naar een pretpark.'
Met duizend vragen in mijn hoofd trek ik mijn jas aan. Ik besluit er maar niet tegen in te gaan, maar dit is wel een hele vreemde beslissing.
Ja, tuurlijk. Een pretpark lost alles op. denk ik bitter bij mezelf. Gewoon twee mentaal volledig stabiele mensen die besluiten om in een andere achtbaan te zitten dan degene die we leven noemen. Wat kan er mis gaan?

Reacties (3)

  • GossipGirl21

    Mooi geschreven hoor.

    2 jaar geleden
  • BethGoes

    Goedzo Gioa! Maak een beetje lol! Maar.... neem Evan wel mee aub....

    2 jaar geleden
  • Luckey

    Laat Evan snel terug komen

    2 jaar geleden
    • AmeranthaGaia

      Hij komt wel weer terug in het verhaal, kan ik je beloven, maar waarschijnlijk niet precíés hoe jij het je voorstelt.

      2 jaar geleden
    • Luckey

      Ik voorspel helemaal niks
      Ik wacht af

      2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen