Foto bij Hoofdstuk 20

Toen Rowan wakker werd, kon ze ademen. Toch voelde ze nog de koude zee en proefde ze het zout op haar tong. Ze durfde bijna haar ogen niet open te doen toen de de wind voelde en koude armen om haar heen.
      “Zuster,” fluisterde een stem. “Wordt wakker.”
      Pas toen opende ze haar ogen. Het kostte haar een paar seconden om te realiseren waar ze was, en zelfs toen ze het zag, was het moeilijk te geloven. Ze keek in de donkere ogen van een zeemeermin.
      “Hallo,” haar stem klonk verrassend zacht. “Selkie.”
      “Hallo.” Haar eigen stem klonk rauw en praten deed pijn.
      “Sst,” fluisterde ze. “Spaar je krachten. We zijn er bijna.”
      Ze sloot haar ogen en voordat ze aan iets anders kon denken, zonk ze weer terug in het donker.

Toen ze weer wakker werd, was ze niet langer koud en nat. Ze was gewikkeld in dekens, die lichtjes prikten tegen haar naakte huid. Haar ogen openden zich langzaam, maar ze durfde niet verder te bewegen.
      Ze lag op haar rug en staarde naar een houten plafond. De nerven zweefden boven haar, maakten patronen, creëerden een zee van bruin. Ze dwong zichzelf uit de droomwereld en opende haar ogen weer. Het hout was stil. Het leek stil hier, afgezien van het geruis van de zee, ongetwijfeld van buiten. Toen merkte ze iets op: het geluid van een rustige ademhaling naast haar.
      Ze draaide zich om en zag een man naast haar zitten. Hij sliep, zijn hoofd licht naar voren gebogen. Blijkbaar was het een lichte slaap, want hij werd wakker van het geluid van ruisende dekens.
      “Je bent wakker,” zei hij. “Gelukkig.”
      Rowan fronste, en ze werd afgestraft voor die beweging met een knallende hoofdpijn. “Wie ben je?”
      “Mijn naam is Filip.”
      “Filip,” herhaalde ze langzaam. “Waar is de zeemeermin die me heeft gered?”
      “Elis. Ze is-”
      “Hier.”
      Een vrouw in een witte jurk liep langzaam naar haar toe. Ze leek op de zeemeermin van eerder, ja, maar de kieuwen bij haar hals, haar donkere ogen en het belangrijkste, haar staart miste.
      “Hoe…?”
      “Dit is de man waarvan ik houd. Filip.”
Haar bewegingen voelden onnatuurlijk, alsof de benen niet onder haar thuis hoorden. En, bedacht ze zich, dat deden ze ook niet.
      “Heeft hij je sluier?”
      “Nee,” zei ze, en ze reikte in de zakken van haar jurk. “Die heb ik. Ik heb nog geen keuze durven maken.”
      Filip antwoordde niet, maar keek even naar beneden. Hij keek van haar weg, maar ze kon de pijn in zijn ogen lezen.
      “Bedankt,” zei ze. “Maar ik begrijp het niet. Waarom heb je me gered? Wat deed je daar?”
      “Ik was daar voor hem. En jij…” Ze schudde haar hoofd. “Je was aardig tegen me.”
      “Dan…” Haar adem stokte toen ze zich iets realiseerde. Haar vrienden. Devan, Faraj… “Was ik de enige die je hebt gezien?”
      Ze knikte. “Je was al buiten westen en diep onder water toen ik je vond. Ik had geen tijd om rond te kijken.”
      “Nee,” fluisterde ze, “dat begrijp ik.”
      Ze durfde nauwelijks na te denken over wat dit betekende. Als ze niet gered waren door een zeemeermin, was er geen enkele manier waarop…
Nee. Als ze het niet accepteerde, zou het niet waar zijn, toch? Dan kon ze wakker worden op de Selkie en dan zou alles oké zijn, en laat alles alsjeblieft oké zijn. Ze ademde de lucht in, keek naar Elis, naar Filip, en realiseerde zich met elke voorbijgaande seconde dat dit geen droom was. Haar schip, haar vrienden en haar hoop was gestorven. En het was allemaal haar schuld.
      Elis ging op haar bed zitten en Rowan schoof een beetje op. “Je vrienden. Het spijt me.”
      “Het is niet jouw schuld.”
      “Ik had meer willen doen.”
      Ze zuchtte. “Je had niet meer kunnen doen.”
      Ze sloot voor heel even haar ogen, hopend dat alles zou veranderen als ze ze weer opendeed, maar het gebeurde weer niet. Natuurlijk niet.
      “Wat moet ik nu doen?”
      “Er is een mogelijkheid dat ze het overleefd hebben,” zei Filip. “Geef het nog niet op.”
      “Denk je?” Ondanks dat ze wel beter wist, veerde ze op. “Hoe dan?”
      “Misschien zijn ze aangespoeld op één van de eilandjes hier.”
      “Ja.” Ze glimlachte voorzichtig. “Er is hoop.”
      “Rust voor vannacht,” zei Elis. “Ik zal blijven zoeken naar je vrienden.”
      “Dank je.”
      Elis stond weer op en haalde haar zeewieren sluier uit haar zak, kuste Filip en glimlachte naar Rowan. Ze kon alleen maar hopen nu.

Reacties (2)

  • Sunnyrainbow

    Dat trek ik echt niet als ze dood zijn!!

    3 jaar geleden
  • Livgardet

    Neeeee, vertel me niet dat je ze hebt laten sterven!
    Ik hoop heel hard mee met Rowan :C

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen