Het was nu zo'n twee dagen geleden dat ik hier wakker werd, in deze ellendige grauwe cel van nog geen twee vierkante meter groot. Ik opende mijn ogen om vervolgens een wereld te zien die in niets leek op de wereld die ik dacht te kennen, met onbekende wezens waarvan ik altijd had gedacht dat ze alleen maar in sprookjes of bizarre dromen bestonden. Alsof dat alles nog niet angstaanjagend genoeg was, kon ik me niets meer herinneren. Niet wie ik was, niet hoe ik hier in godsnaam was gekomen. Zelfs de meest simpele vragen kon ik onmogelijk van een antwoord voorzien. Het was alsof iemand al mijn herinneringen had afgenomen en het voelde leeg van binnen, alsof ik nooit echt een leven had gehad. Maar toch wist ik wel van alles te vertellen over de plek waar ik vandaan kwam. Over de bladeren aan de bomen, of over de heldere blauwe lucht, die 's nachts plaats maakte voor een adembenemende sterrenhemel. Hier leek het nooit echt dag te worden en ik vroeg me af of ik ooit nog eens daglicht zou zien. Op dit moment kon ik alleen maar hopen dat de wezens me zo snel mogelijk uit mijn cel zouden halen. Ik zag regelmatig anderen door de gangen lopen, altijd begeleid door een van de wezens. De wezens hadden wel wat weg van mensen, maar waren in veel opzichten ook erg anders. Ze zagen er in elk geval een stuk langer uit en hadden een huid zo wit als sneeuw. Sommigen hadden grote zwarte vleugels, anderen niet. Het was slechts een kwestie van wachten totdat iemand mij om wat voor reden dan ook uit mijn cel zou halen.

'Cedric', hoorde ik een vrouwelijke stem onverhoeds vlak voor mijn cel roepen, 'haal deze vier cellen leeg en breng de nieuwgeborenen naar Braeden voor de veiling.' Het vrouwelijke wezen wees naar mijn cel en ik voelde mijn hart in mijn keel bonzen toen ik het mannelijke wezen dichterbij hoorde te komen. Zou mijn cel onder 'deze vier cellen' vallen? De cellen naast mij werden een voor een geopend en ik telde er drie. Ik wist dat hij waarschijnlijk zo bij de mijne zou komen. De voetstappen kwamen steeds een klein beetje dichterbij, tot ik oog in oog met het vreemde wezen stond. Had hij dit alles op zijn geweten? Zijn ogen waren donkerrood en hij stak een roestige sleutel in het sleutelgat om de celdeur te openen.

'Eruit!', snoof hij, terwijl de drie andere mensen achter hem verbaasd naar het tafereel stonden te kijken. Het was een opvallende verschijning, zijn half opgeschoren kapsel was even wit als zijn huidskleur en hij had een abnormaal breed postuur. Ik twijfelde even, maar het wezen had geen geduld. Hij greep mijn arm pijnlijk vast en sleurde me naar de gang, om me vervolgens naar voren te duwen. Zijn hand voelde zo ijzig koud aan dat ik de kou haast had kunnen voelen steken. 'Schiet op!'
Ik wierp een blik op mijn arm en zag dat hij een flinke blauwe plek had achtergelaten. Ik wilde er eigenlijk iets van zeggen, maar besloot dat het verstandiger was om te zwijgen. De wezens waren immers een stuk sterker dan wij mensen waren, het was een gevecht dat ik ongetwijfeld zou verliezen.

De andere mensen en ik volgden het wezen. Heus niet omdat we dat zelf zo graag wilden, maar meer omdat we geen andere keuze hadden. Niemand durfde tegen 'Cedric' in te gaan of de andere kant op te rennen, waarschijnlijk omdat we vanuit onze cellen allemaal al hadden kunnen zien wat er gebeurde met de mensen die dat wél probeerden. Die hadden over het algemeen geen positief vooruitzicht. Al begon ik me steeds meer af te vragen of wíj dat wel hadden. Misschien waren de mensen die tegen de wezens ingingen en bruut werden vermoord, op de lange termijn wel beter af dan wij. De eerste keer dat ik een wezen een mens zag vermoorden, moest ik overgeven. Letterlijk. Er was alleen niets in mijn maag dat ik kon overgeven, omdat de wezens ons geen voedsel hadden gegeven, dus besloot mijn lichaam dat flauwvallen een betere optie was. Wanneer ik een wezen weer een mens zag doden draaide ik mijn hoofd zo ver mogelijk weg, maar alleen de wanhopige kreten die ik het slachtoffer veelal hoorde maken, waren al genoeg om me een misselijk gevoel te bezorgen. Ik wilde helpen, maar ik kon niets doen en dat was frustrerend. Ik kon alleen maar machteloos toekijken, of mijn hoofd wegdraaien en hopen dat het zo snel mogelijk voorbij was; dat de wezens het snel en pijnloos zouden doen. Maar dat deden ze eigenlijk nooit. Soms duurde het uren tot het geschreeuw eindelijk stopte.

Er werd niet gepraat, maar zo nu en dan werden er onderling blikken uitgewisseld. De groep bestond uit twee mannen en een dame. Ik vroeg me af of zij meer wisten dan ik, maar aan de angstige en verwarde manier van kijken, vreesde ik dat we geen van allen wisten waar we waren beland, of wat deze wezens van ons wilden.

Ik bekeek het mannelijke wezen nog eens. Hij droeg een zwart overhemd, een zwarte broek, was zo'n twintig centimeter langer dan ik en had een heel wapenarsenaal om zijn middel. Geweldig. En dan had ik het nog niet eens over de geur van oud bloed die hij bij zich droeg, waarschijnlijk afkomstig van alle mensen die hij hier al had afgeslacht. Mijn maag draaide al weer om van de gedachte.

Na een poosje te hebben gewandeld, kwamen we eindelijk bij een ander deel van het gebouw, waar twee andere wezens op ons stonden te wachten: een vrouw en een andere man zoals Cedric. De vrouw zag er anders uit dan de vrouwen die ik in de gangen had zien lopen: ze had een bruine huid, in plaats van een sneeuwwitte en ze had geen vleugels, maar haar ogen gloeiden net zo rood op als die van de twee mannelijke wezens. Ze perste haar lippen bij elkaar en glimlachte. 'Hi Cedric. '
'Vier nieuwgeborenen, zoals je vroeg', mompelde hij op een zakelijke toon.
'Neyla heeft de orders dus goed doorgegeven. Zet haar maar aan het werk met een andere groep, dan gaan Jay en ik deze maar eens even door de keuring halen.'




Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here