Het gesprek met Lily bleef door Remus' hoofd spoken. Hij lag in de tuin van de Potters. Wie had ooit gedacht dat hij gewoon zo op het gras zou liggen? Dat hij de zon op zijn gezicht zou voelen en er nergens een ketting of tralie te bekennen zou zijn om hem op zijn plek te houden? Als hij zou willen zou hij nu kunnen opstaan en weglopen, en niemand zou er ooit naar omkijken.
      De deur van de Potters zou altijd openstaan voor hem, had Lily hem gezegd. Als hij ooit onderdak nodig zou hebben, waren ze er en stond er een bed voor hem klaar. Voorlopig kon hij dan ook blijven tot hij wist wat er nu zou gebeuren. Tot zij wisten wat er zou gebeuren.
      Het was nog steeds een rare situatie, met hem als logé bij de Potters. Het was nooit de bedoeling geweest om bij ze uit te komen, en toch lag hij hier in hun tuin op zijn rug naar de wolken te staren. Hij kon niet voor eeuwig blijven, maar had ook nergens waar hij naartoe kon. Hij stond als 'overleden' in de documenten, of zo had Sirius in elk geval ooit eens tegen hem geschreeuwd in een poging hem uit te lokken. Hij bestond niet meer volgens de overheid. Waar moest hij dan heen? Hij was hier illegaal, met een verleden dat vernietigd was. Hoe zou hij ooit een toekomst kunnen hebben in de mensenwereld?
      Het geluid van Harry's lach drong tot hem door. Hij zat iets verderop samen met Lily, en probeerde de bellen die Lily liet verschijnen te pakken. Het klonk zo kinderlijk, zo zorgeloos... Dat was nog iets wat Remus nooit gekend had. Zijn jeugd was hem afgepakt vanaf het moment dat hij gebeten was. Hij kon zich niet meer herinneren hoe het was om kind te zijn en je nergens druk over te maken. Tegelijk had hij in deze wereld net zoveel kennis als een jong kind. Er was zoveel wat hij niet begreep of niet kende. Zoveel dingen die voor de rest de gewoonste zaak van de wereld was, en die hem alleen met vragen vervulden. Ongeschreven normen, het gebruik van voorwerpen... Niks was vanzelfsprekend.
      Zijn gedachten schoten naar Sirius. Het was inmiddels ruim vier dagen sinds zijn vlucht uit Grimmauld Place. Vier dagen waarin hij de man die zo'n tweeënhalve maand zijn leven had bepaald niet had gezien. Het was vreemd geweest om niet gestoord te worden terwijl hij bezig was. Om zich niet al te bewust te zijn van de man met de grijze ogen die hem vanuit de deuropening aanstaarde, of om geen vingers over zijn lichaam te voelen. De blauwe plekken en de tandafdrukken waren inmiddels bijna weggetrokken. Als Remus nu in de spiegel keek, zag hij amper meer een bewijs van het bestaan van Sirius.
      Zou hij blij moeten zijn met deze ontwikkeling? Waarschijnlijk wel. Waarschijnlijk zou hij James op zijn knieën moeten bedanken voor de redding uit dat hol en hem moeten smeken om hem nooit meer terug te laten gaan. Het voelde niet zo voor Remus. Hij voelde zich leeg, alsof hij een deel van zichzelf vergeten was. Alsof een deel van hemzelf nog steeds bij Sirius was achtergebleven.
      Hij dacht terug aan de afgelopen tweeënhalve maand. Het waren bewogen maanden geweest, waarin alles wat hij gekend had overhoop gehaald was. Hij had Sirius gehaat voor wat de man hem had aangedaan, voor het eeuwige uitlokken, prikken op de zwakke plekken van Remus, maar hij had hem ook gewild. Soms was het niet eens Sirius geweest die hem benaderd had, maar was hijzelf juist degene geweest die Sirius' gezelschap had opgezocht. De man had hem dingen laten voelen die hij nooit voor mogelijk gehouden zou hebben. Het was beangstigend geweest. Hij kende het niet, hoe kon het ooit veilig zijn om zich zo aangetrokken te voelen tot Sirius?
      Hoewel hij amper meer was geweest dan een huisdier voor Sirius, was Sirius zoveel meer voor hem geweest. Hij was een niemand geweest toen hij bij Sirius gekomen was, slechts een verwilderde wolf die beter af was in een kooi. En nu? Hij lachte naar de wolken en de zon die hem vanaf hun plek in de hemel aanstaarden. Nu lag hij hier met letters in zijn hoofd en kleding aan zijn lijf! Nu wist hij hoe gras aanvoelde, hoe zacht een bed daadwerkelijk was! Hoe vrijheid voelde!
      Sirius had hem laten zien wat leven was en hem bevrijd uit zijn kooi. Niet alleen de letterlijke kooi van tralies gemaakt van zilver, maar ook de kooi in zijn hoofd. Hij was slechts een schim geweest van zichzelf toen Sirius hem had ontmoet. Nee, niet ontmoet. Gevonden. Sirius had hem gevonden en in een andere versie van zichzelf veranderd.
      De man had hem pijn gedaan en hij haatte dat. Hij haatte dat de man hem had willen breken, maar Remus had ook iets anders gezien. Hij had de man achter de wrede woorden gezien, de man om wie hij was gaan geven. De man die zelf gebroken was.
      De man bij wie Remus wilde zijn.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen