Foto bij H.133.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Dan haalt Matthew ineens zelf een pistool tevoorschijn en even ben ik ervan overtuigd dat ik degene ben waar hij op zal schieten, maar hij jaagt zonder verdere twijfel een kogel door Jasons hoofd. Ik voel zijn lichaam naast me slap worden en hij zakt zonder nog een geluid te maken tegen me aan. Spetters van zijn bloed spatten op mijn bijeengebonden handen en in mijn gezicht, in mijn haar, op mijn kleren, overal. Ik maak een klein geluidje van schrik en afgrijzen, maar daarna ben ik alleen maar heel erg stil.
'Dat was mijn neefje,' zegt Matthew met kille stem en ik voel hoe hij mijn blik zoekt, maar ik kan me er niet toe brengen om hem aan te kijken. 'Denk dus maar geen moment dat ik niet op jou schiet, of je schattige vriendje, of iedereen waar je ooit ook maar één woord tegen gezegd hebt. Begrijp je dat?'
Ik hoef niet eens te antwoorden.

Evan Maxwell POV


Ik weet niet precies hoe lang ik hier al ben. Ik ben al een dag bij bewustzijn, maar nadat ze dat serum bij me ingespoten hebben, ben ik een tijde bewusteloos geweest en ik heb een paar vage herinneringen aan een ronkende motor en een vrachtruim. Heel lang geleden kan het niet zijn dat ik ben meegenomen, maar het voelt alsof ik hier al eeuwen zit, in deze harde, houten stoel met ruwe touwen.
Alles doet pijn. Ik heb een paar keer eigenwijs gevraagd hoe laat het was of een andere bijdehante opmerking gemaakt, maar dat heb ik al snel afgeleerd. Het was een les die gepaard ging met een hele hoop klappen. Te veel om te tellen. Zelfs nog meer dan dat.
En ik ben bang. Ik ben echt heel erg bang. Als iemand ernaar zou vragen, zou ik het niet toe hebben gegeven, maar het is wel waar. Als kind had ik wel eens nachtmerries, dacht ik ergens in mijn ooghoek schaduwen te zien, maar dit is erger. Toen kon ik nog naar de kamer van mijn ouders rennen en mocht ik dan tussen hen in slapen, maar hier niet. En waar ik eerst gewoon mijn ogen dicht kon knijpen, moet ik de angst nu recht in de ogen aankijken.
Misschien ben ik zelfs wel bijna net zo bang als die avond dat mijn ouders vermoord werden. Ik weet nog dat ik me had verstopt in de kast en dat ik door een kiertje toekeek. Ik weet ook nog hoe de moordenaar eruitzag toen hij over het lichaam van wat ooit mijn moeder was stond gebogen. Hij had een machete vast die samen met zijn handen en kleren roodgekleurd waren van het bloed. Nadat hij klaar met haar was, greep hij haar haren vast en kantelde haar hoofd naar achteren, om daarna het lemmet langs haar keel te halen, alsof ze een dier was. Ik denk niet dat James ooit ook maar een beetje zal weten wat voor een gevoelige snaar hij raakte toen hij vertelde dat zijn zusje verkracht was.
Misschien was het engste moment van die verschrikkelijke avond nog wel dat hij opkeek, naar mij. Hij keek me recht aan met bloeddoorlopen, grote ogen en een grijns met bloederige tanden omdat mijn moeder er voor haar dood nog in geslaagd was hem in zijn gezicht te slaan. Hij ademde zwaar, hijgde zelfs. En hij keek me recht aan. Hij keek naar het twaalfjarige jongetje dat zich in de kast verstopt had en door een kiertje keek hoe zijn moeder op de verschrikkelijkste manieren pijn werd gedaan en ik keek door de waas van doodsangst en tranen terug. En hij bleef kijken, totdat mijn vader binnenkwam. Nadat hij ook hem had vermoord - met een steekwond in de buik, net zoals ik opnieuw moest meemaken toen Ammay vermoord werd - wierp hij me nog een laatste blik toe en ging hij weg, zonder ook mij te doden. Het was alsof hij erop kickte, alsof hij ervan genoot dat hij ervoor heeft gezorgd dat ik dat gezicht soms weer voor me zie wanneer ik mijn ogen sluit. Ik ben achttien en zelfs nu zie ik het nog steeds wel eens, op de meest onverwachte momenten.
Af en toe, wanneer het heel stil is, meen ik opnieuw te horen hoe mama’s gesnik overging in gekrijs. En, helaas voor mij, zijn er een hele hoop stiltes sinds Gioa weg is gegaan. Normaal gesproken kon ik naar haar ademhaling luisteren als ik ‘s avonds in bed lag, of kon ik horen hoe ze bewoog in haar slaap. Soms praatte ze terwijl ze sliep, al zal ze het waarschijnlijk zelf niet weten. Ondanks dat ze vertelde over de meest verschrikkelijke dingen, ondanks dat ik haar in slaap vaak genoeg heb horen smeken dat haar moeder op zou houden met slaan, leidde het af van wat er in mijn hoofd zou gebeuren als er geen geluid zou zijn. Maar de afgelopen maanden was er alleen de stilte die ik zelf vulde met het gegil van mijn moeder.
Er is een hele hoop veranderd sinds ik twaalf was. Ik ben volwassen geworden. Ik ben sterker geworden. Ik heb dingen geleerd. Ik heb dingen erbij gekregen en verloren. Maar nog steeds ben ik dat jongetje dat te laf was om zijn moeder te redden.
En nu, meer dan zes jaar later, zit ik daar maar op die stoel in een veel te grote, lege ruimte, terwijl wacht alleen maar op iets wat misschien niet eens komt. En ik ben opnieuw verschrikkelijk bang. Ondanks dat de touwen niet heel erg meegeven, lukt het me toch om nog iets verder ineen te krimpen op het moment dat de deur opengaat en Eli naar binnen komt lopen. De laatste keer dat hij er was, heeft hij me geslagen en geslagen tot ik dubbel zag. Ik weet zeker dat ik een paar ribben gekneus heb. Misschien wel gebroken. Nu ik zelf een idee heb hoe het voelt, kan ik niet anders dan me opnieuw verbazen over hoe sterk Gioa is gebleven nadat zij gewond was geraakt, zowel de eerste als tweede keer en waarschijnlijk nog tientallen keren daarvoor. Ik bijt op mijn lip wanneer ik alleen al aan de naam denk. Gioa.
Eli breng zijn hand naar zijn oor, waar een of ander hypermodern comminucatieding zit wat me niet heel veel kan interesseren, en grijnst dan. Even zoekt hij mijn blik, maar ik kijk snel weg.
Hij loopt naar me toe en zegt dan met sadistische ondertoon: ‘Ze hebben je schattige vriendinnetje gevonden.’
Ik veer op. Gioa. Ik zie haar nu al voor me. Klein, maar sterk. Een felle blik. Vastberaden. Een lichte blos op haar wangen. Maar dan zie ik voor me dat Eli haar slaat, zoals hij mij ook geslagen heeft. Ik stel me voor hoe ze naar adem hapt en dubbelklapt. Ik weet hoe ze eruitziet als je huilt. Ik weet hoe ze eruitziet als ze pijn heeft. Ik ken haar soms beter dan goed voor me is.
Ik kijk naar hem op met vernieuwde woede in mijn ogen. Hij staat voorovergebogen, zijn gezicht heel dichtbij de mijne. ‘Waag het niet om haar iets aan te doen,’ sis ik.
Eigenlijk had ik verwacht dat hij een wenkbrauw op zou trekken of me in mijn gezicht zou slaan, maar dat doet hij niet. Hij gaat weer rechtovereind staan. Net wanneer ik denk dat hij zich om gaat draaien en weg zal lopen, geeft hij me een trap, vol tegen mijn borstkas. Ik val met stoel en al achterover en klap met mijn achterhoofd tegen de grond. Ik kreun van de pijn; meer zit er niet in. Even later, wanneer hij me aan mijn kraag weer overeind sleurt, zie ik nog steeds vlekken voor mijn ogen.
‘Kijk me aan,’ zegt hij dan en ik wil wel doen wat hij zegt, doodsbang dat hij me opnieuw pijn zal doen, maar het lukt niet. Mijn lichaam weet niet meer hoe het moet. Mijn nek doet pijn. Ik heb het idee dat er genoeg pijn is om in te verdrinken.
Omdat het hem te lang duurt, grijpt hij een vuist vol haar vast en kantelt hij mijn hoofd hardhandig in de goede richting. Ik kan niet scherp zien, maar de kilheid in zijn ogen is moeilijk te missen.
‘Waag het niet om míj te bedreigen,’ snauwt hij. ‘Begrepen?’
Wanneer ik er te lang over doe om te antwoorden, schudt hij mijn hoofd heen en weer. ‘Begrijp je dat?!’
‘Ja,’ pers ik over mijn lippen, hopend dat hij dan op zal houden.
Hij knikt en haalt dan zijn pistool tevoorschijn. Hij drukt het tegen mijn voorhoofd en sist: ‘Ik doe alles met dat lieve meisje van je wat ik wil. Daar kun je niets tegen doen. Ik kan haar ophangen aan het plafond en je dwingen naar haar gespartel te kijken als ik dat zou willen. En daar zou je niets tegen kunnen doen. Maar als je wilt dat ik dat niet doe, zul je je gedrag wat aan moeten passen.’
Er komt een andere man die ik niet bij naam ken binnen en hij zucht. ‘Eli, je weet dat je hem niet mag vermoorden van Matthew, dus doe niet alsof,’ zegt hij, alsof het hem allemaal maar verveeld, alsof dit allemaal maar heel gewoon is.
Met een ontevreden grom laat Eli me los en zijn pistool stopt hij weer weg.
Nog voordat de onbekende man de deur achter zich dicht kan doen, zie ik dat er een groepje mensen door de gang loopt. En een van die mensen is Gioa. Eerst herkende ik haar niet, want om de een of andere reden is haar haar tot kaaklengte geknipt en is het bruin geverfd. Zelfs de krullen zijn eruit gehaald. Maar dan kijkt ze opzij, in mijn richting. Ze durft me niet recht aan te kijken, maar toch herken ik haar duidelijk. Ik dacht dat ze haar pas net ontvoerd hadden, want dat is wat Eli me vertelde, maar ze is zo mager geworden sinds de laatste keer dat ik haar gezien heb, dat ik me afvraag hoeveel weken ze haar al aan het uithongeren zijn. Voordat ik kan reageren wordt ze gedwongen verder te lopen en ik zie dat ze een klein beetje mank loopt, alsof ze haar enkel verzwikt heeft. Zou ze geprobeerd hebben te vluchten?
En dan zie ik het. James is er niet. Gioa is hier wel, maar James is er niet. Zou hij haar hebben verraden? Ik kan het me bijna niet voorstellen. We waren het eigenlijk nooit met elkaar eens en ontkennen dat er vijandigheid was is onzin, maar ik kan me niet voorstellen dat hij zich tegen haar zou keren. Zou hij dan dood zijn? Ik zou willen geloven van niet, want dan zou Gioa er nu wel anders bijlopen. Ze zou woedend zijn. Ze zou hebben gescholden en gehuild en teruggevochten. Maar dat doet ze niet. Of James is dood, of ze hebben alle strijdlust en hoop al bij haar vandaan getrokken. Ik weet niet wat ik erger zou vinden.
En dan is ze opeens weg. Ik kijk nog heel lang naar de deurpost, mijn mond hangt iets open en mijn ogen zijn groot. Eli sluit de deur en ik kijk hem even aan. Hij grijnst naar me.
Dan, heel gedempt, klinken er deuren die open en dicht gaan, stemmen. Het gaat minutenlang door. Zo nu en dan meen ik Gioa’s stem van de rest te onderscheiden, maar ik kan niks verstaan. Er klinkt een klap, alsof iemand tegen de muur aan slaat of iets omgooit. Ik kijk met een ruk op wanneer ik het geluid van de veiligheidspal van een wapen die naar achteren wordt gehaald herken. Er klinkt geen schot, maar ik ontspan niet. Er klinkt een onverstaanbare stemverheffing en dan weer een klap. Ik kan een kreun van pijn onderscheiden, een verschrikt geluidje. Ik herken gelijk dat het Gioa is en mijn gezicht vertrekt, wat Eli verschrikkelijk amusant blijkt te vinden. Even is het zo stil dat ik het in deze kamer niet kan horen. Dan hoor ik Gioa het ineens uitschreeuwen van de pijn.

Reacties (1)

  • Luckey

    Snel verder!!

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen