Foto bij H.134.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Dan, heel gedempt, klinken er deuren die open en dicht gaan, stemmen. Het gaat minutenlang door. Zo nu en dan meen ik Gioa’s stem van de rest te onderscheiden, maar ik kan niks verstaan. Er klinkt een klap, alsof iemand tegen de muur aan slaat of iets omgooit. Ik kijk met een ruk op wanneer ik het geluid van de veiligheidspal van een wapen die naar achteren wordt gehaald herken. Er klinkt geen schot, maar ik ontspan niet. Er klinkt een onverstaanbare stemverheffing en dan weer een klap. Ik kan een kreun van pijn onderscheiden. Ik herken gelijk dat het Gioa is en mijn gezicht vertrekt, wat Eli verschrikkelijk amusant blijkt te vinden. Even is het zo stil dat ik het in deze kamer niet kan horen. Dan hoor ik Gioa het ineens uitschreeuwen van de pijn.

Heel voorzichtig waren ze niet toen ze me uit de auto sleurden nadat we eenmaal geparkeerd waren. Ondanks dat ik bij elke stap voel hoe ik met enkel verzwikt heb, weiger ik het te laten merken. Ik weet dat als mijn gezicht vertrekt, zij dat alleen maar leuk zullen vinden.
Buiten regent het zachtjes en tegen de tijd dat we binnen zijn aangekomen, is mijn haar al wat vochtig. Het is net te weinig om echt verfrissend te zijn en net te veel om me niet te irriteren.
Het besef dat ik in hetzelfde gebouw ben als Evan, komt pas echt aan wanneer ik hem opeens door een open deur zie. Ik weet niet wat ik verwacht had, maar als ik hem daar zo zie zitten, ineengezakt en vastgebonden op eens stoel, komt het toch aan als een klap in mijn gezicht. Ik minder even vaart en blijf naar hem kijken, probeer erachter te komen hoe erg ze hem nou echt hebben verwond. Voordat ik het goed kan zien, krijg ik en duw in mijn rug en ik kan maar niet voorkomen dat ik struikel.
Mijn ademhaling versnelt en ik voel hoe mijn hart zich een weg omhoog naar mijn keel werkt. Wanneer ik opkijk, zijn mijn ogen groot als schoteltjes. Mijn blik vindt die van Matthew. Hij loopt achteruit om me berekenend aan te kunnen kijken. Door de manier waarop hij naar me kijkt, krijg ik het gevoel dat ik een soort laboratoriumexperiment ben. Ik kijk weer weg. Ondanks dat mijn halve paniekaanval er vast heel amusant uitziet en ik er graag iets aan zou willen doen, kan ik me er niet toe zetten om mijn rug te rechten en mijn kin in de lucht te steken.
We lopen een grote kamer binnen, met in het midden achteraan een bureau en een archiefkast. Voor de rest is het leeg. De kamer is te groot voor het doel. Onze voetstappen echoën en bij het idee alleen al dat Matthews kille stem hier door de ruimte zal weerkaatsen krimp ik bijna ineen.
Ik sta stil midden in de ruimte. Achter mij, bij de muur met de deur, staan een stuk of zeven bewakers. Matthew staat nonchalant tegen zijn bureau aan geleund. Hij is er eigenlijk te lang voor. Het zou er in een andere situatie onhandig uitzien. En in het midden van de zaal sta ik, met trillende handen en neergeslagen ogen.
‘Ik had meer van je verwacht. Je bent nu al bang. Ik wist niet dat je toch echt zo zwak was,’ zegt hij, zijn stem balanceert ergens tussen minachting en teleurstelling.
Daardoor kijk ik ineens op, met een blik die feller is dan de afgelopen maanden ooit voor is gekomen. Ik ben dag in dat uit slachtoffer geweest van een hele bijzondere vorm van “moederliefde”. Ik heb me jarenlang elke dag kromgewerkt om voor Ammay te kunnen zorgen, alleen maar om na acht jaar de machteloosheid te voelen toen ze doodbloedde in mijn armen. Ik heb mijn vader getrotseerd. Mijn eigen moeder heeft me neergeschoten en ik weigerde dood te gaan. Ik heb mijn hoofd hoog gehouden in een wereld van pistolen en criminaliteit. Ik ben veel dingen, waaronder een moordenaar, maar niet zwak. Dus met een stem die zekerder klinkt dan gedacht, sis ik: ‘Ik raad je aan om mijn woede niet met zwakheid te verwarren.’
Hij trekt een wenkbrauw op en een van zijn wenkbrauwen krult geamuseerd omhoog. Hij knikt goedkeurend - een strakke, haast militaire beweging, alsof hij de boodschap op de goede plaats wil tikken.
‘Mooi zo,’ merkt hij op. ‘Ik zal hierdoor niet opeens genade tonen, maar weet dat ik genoeg respect voor je hebt dat het me pijn doet om je aan te doen wat ik je aan moet doen.’
Ik glimlachte eerst al niet, maar de groeven rond mijn mond worden nog dieper. Ik zou iets koppigs kunnen zeggen, of op kunnen merken dat het idioot is om me eerst boos te maken om me daarna te vertellen dat het geen zin heeft, maar ik slik het in. In plaats van dat, zeg ik iets veel belangrijkers: ‘Laat Evan gaan. Ik zal meewerken met elk ziek martelspelletje dat jullie in gedachten hebben, maar laat Evan gaan.’
Hij houdt even zijn hoofd schuin en loopt dan naar me toe. Hij loopt een rondje om me heen en houdt dan naast me stil. Ik draai me hij kijkt me kil aan. Ik krimp bijna ineen onder zijn brandende blik. Hij stapt nog dichterbij en met elke stap die hij naar me toe zet, doe ik er een naar achteren, totdat mij rug de muur vindt en ik naar adem hap. Hij zet zijn handen naast mijn hoofd.
‘Ik ga je een vraag stellen en daar ga jij even heel goed over nadenken,’ vertelt hij me dreigend. Ik kijk hem met grote ogen aan. ‘Ben jij in de positie om eisen te stellen, Gioa?’
Ik slik en kijk nog even in zijn donkere ogen, als bodemloze putten, als een nacht zonder sterren. Dan zeg ik met een beknepen stemmetje: ‘Nee.’
Hij knikt fel. ‘Inderdaad.’
Hij doet weer een paar stappen terug en ik durf mijn hartslag weer te laten vertragen. Ik probeer een stapje bij de muur vandaan te zetten, maar blijkbaar is hij daar niet van gediend, want in één vloeiende beweging belandt zijn hand op mijn keel en slaat hij me terug tegen de muur aan. Ik stoot hard mijn hoofd en mijn verbaasde kreetje verandert in een kreun van pijn. Met grote ogen van angst kijk ik hem aan en ik probeer zijn hand weg te halen van mijn hals, snakkend naar adem.
‘Je vergeet dat ik ondanks mijn respect er nog steeds toe bereid ben om je pijn te doen. Ik weet dat dat er andere manieren zijn om je te breken dan alleen door Evan in elkaar te laten slaan. Doe maar niet alsof je zelf niet kunt bloeden,’ dreigt hij.
Dit is mijn kans om de aandacht van Evan af te leiden. Ik twijfel even, denk aan hoe verschrikkelijk pijnlijk pijn kan zijn, maar dan neem ik die kans. Fel kijk ik hem aan. ‘Kom maar op. Ik heb een hoge pijngrens.’
Hij snuift en laat mijn keel los. Ondanks dat mijn luchtweg niet volledig dicht werd geknepen, ben ik dankbaar dat ik weer kan ademen. Hij steekt zijn hand uit maar een van zijn mannen en die geeft hem een mes. Mijn ogen worden groot. Ik zie ineens weer voor me hoe Ammay eruit zag toen mijn moeder haar in haar buik gestoken had. Gaat hij hetzelfde bij mij doen? Gaat hij me vermoorden? Alles in mij schreeuwt dat ik niet dood wil, dat ik nog wil leven, maar ik onderdruk de neiging om een ontsnappingspoging te doen.
Wanneer hij me weer aankijkt, zie ik dat hij niet van plan is om me te vermoorden. Dit is de blik van iemand die van plan is om me heel, heel veel pijn te doen. En mensen die daartoe bereid zijn, zijn verschrikkelijk gevaarlijk.
Mijn hart klopt wild in mijn borst wanneer hij met één hand mijn keel, net onder mijn kaak, vastpakt en dan het mes haast voorzichtig tegen mijn hals plaatst. Hij hoeft niet eens veel druk te zetten en ik voel hoe hij mijn huid splijt. Het is geen diep snede en ik zal er absoluut niet dood aan gaan, maar over een paar minuten heb ik waarschijnlijk genoeg bloed verloren om duizelig te zijn.
Heel langzaam trekt hij het mes verder naar beneden en ik bijt mijn tanden op elkaar om een gil binnen te houden, maar na een paar seconden kan ik niet anders dan het uitschreeuwen van de pijn. De wereld begint te draaien en ik begin donkere vlekken voor mijn ogen te zien.
Wanneer hij bijna tot bij mijn sleutelbeen is, houdt hij op en stopt hij het mes weg aan de binnenkant van zijn jasje. Ik ben te overdonderd om afkeer te voelen voor het feit dat mijn bloed nu in zijn binnenzak kleeft en hij doet alsof het normaal is.
Hij laat me los en met een snik zak ik ineen op de grond. Mijn hand glijdt naar mijn keel. Ik voel het bloed aan mijn vingers kleven. Met trillende adem dwing ik mezelf op te kijken naar Matthew. Ik probeer haat door de tranen heen door te laten schemeren, maar ik zie aan zijn hele houding dat ik mijn angst niet kan verbergen.
Hij grijpt mijn haar vast en sleurt me overeind. Een verschrikt geluid komt uit mijn borstkas omhoog. Ik ben de hele tijd geneigd om door mijn knieën te zakken, maar met een vuist in mijn haren houdt hij me overeind. Met een verwrongen gezicht van pijn kijk ik hem aan en ik zie aan zijn blik dat hij dit vaker heeft gedaan, dat mijn tranen hem niets meer doen.
Dan laat hij mij los en de muur is het enige wat ervoor zorgt dat ik niet ineen zak op de grond.
Zonder van mij weg te kijken, zegt hij tegen zijn bewakers: ‘Ik ben voorlopig klaar. Breng haar maar weg.’

Reacties (1)

  • Luckey

    Dit word een horror achtige dingen daar
    Møre!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen