De grond voelde koud onder zijn knieën. Het beeld van Regulus stond voor eeuwig op zijn netvlies gebrand en hij zag het alsmaar voor zich. Zo klein was hij geweest, zo weerloos. Hij was verdomme een kind geweest! Maar hoe ver hij zijn hand ook uitstak, aanraken kon hij Regulus niet. De jongen was afkomstig uit een ander leven haast en nu lang verleden tijd. Zodra zijn hand bij het beeld kwam, verdween het beeld. Regulus was er niet meer. Hij was er al jaren niet meer geweest.
      Het geluid van voetstappen liet hem met een ruk opkijken. Wie waagde het om voet te zetten op dit veld?
      Zijn blik was wazig en heel even zag hij alleen een silhouet.
      "Ik dacht wel dat je hier zou zijn," hoorde hij een al te bekende stem. Remus!
      "Wat moet je hier?" snauwde hij. Remus had zijn ware aard al laten zien. Waarom kwam hij nog terug? Wilde hij Sirius verder vernederen? Er nogmaals in wrijven dat Sirius niemand meer over had?

      Het was de schuld van Moeder en Vader! Zij hadden Regulus gedwongen om zich bij You-know-who aan te sluiten! Zonder hen zou Regulus nog in leven zijn!
      Woede trok door hem heen. Wie dachten ze wel dat ze waren! Al zou het hem niet moeten hebben verbazen. Zij hadden het hele leven van Regulus, en een groot deel van dat van Sirius, gemaakt. Het was niet verwonderlijk dat ze ook zijn dood hadden bepaald.


      "Sirius- ik-" Remus' stem stierf weg. Sirius keek hem aan met onverholen woede.
      "Jij...?" vroeg hij. Nee, eiste hij.
      "Het spijt me."
      Een rode waas trok door zijn blikveld. "Nee, dat doet het niet." Hij wilde eigenlijk schreeuwen tegen Remus, maar zijn stem had nog nooit zo kalm en berekenend geklonken. Er klonk geen enkele emotie in door.
      Het bloed trok weg uit Remus' gezicht. Het zou Sirius goed moeten doen dat hij de man voor hem toch nog zo wist te raken. Het deed hem niks. Hij was gewoon moe. Hij was zo fucking moe. Kon de wereld niet gewoon even stoppen met draaien? Hem even rust geven?
      "Lily en James hebben me een verblijfplaats aangeboden," zei Remus uiteindelijk.
      "Goed voor jou." De woorden voelden aan als vergif op zijn tong. Remus kromp zichtbaar ineen door de vijandigheid. Waarom kwam Remus hem dat vertellen? Wist hij wat voor stoot in de maag hij Sirius nu uitdeelde? Sirius wilde het niet. Het deed pijn om deze woorden te horen, om te voelen hoe de betekenis langzaam maar zeker zijn bewustzijn in druppelde. Remus was niet meer van hem, was misschien nooit van hem geweest.
      "Veel plezier met deze illusie dan." Hij wilde het gif aan Remus doorgeven en zich er zelf van verlossen. Meer dan een illusie was dit voorstel niet. Dacht Remus nou echt dat ze hem een familie konden geven? James had hem jaren terug ook een familie aangeboden, en kijk een wat er daarvan gekomen was! Gepraat achter hem om, een messteek in de rug. Die belofte was niks meer dan woorden gebleken.
      "Ik heb nee gezegd." Het was amper een fluistering geweest. Sirius keek op en voor het eerst keek hij Remus echt aan. Hij zag de adoratie en het verdriet. Waarom? WAAROM?
      Sirius snapte het niet. Hoe kon Remus om hem geven? Na alles wat hij hem had aangedaan? Dat was niet zijn plan geweest! Hij wilde woede, beestachtigheid. Niet deze stille bewondering.
      Misschien had hij de wolf toch gebroken.

      De deuren van St. Mungos waren te wit. Hoewel het er licht en open van zou moeten worden, werd het slechts klinisch en kil, alsof ze te hard hun best hadden gedaan om te benadrukken dat dat vooral niet zo was. Het rook er te steriel.
      "Meneer Black, ik had u nog niet verwacht," zei de jonge heks achter de balie. Sirius hield zijn pas niet eens in.
      "Ik ben hier niet," was zijn antwoord. Heel even werden haar ogen groot en haar mond vormde een O. Aanstalten om zijn bezoek te registreren maakte ze niet. Als iemand van zijn status ongeregistreerd op bezoek wilde komen, dan zou hij dat doen. Zonder vragen.


      Hij wilde dat het zou eindigen. Hij wilde niet hier op de grond zitten met een gat in zijn hart en het idee dat hij niet kon ademen. Hij wilde zich levendig voelen, alsof hij alles aankon, en niet zo doods zijn.
      Remus was verkeerd gebroken. Hiervoor had hij Remus nooit laten komen. Het was zijn taak geweest om een monster te worden, om een einde te maken aan het miserabele bestaan dat Sirius' leven was geweest. Waar was het mis gegaan?
      Kon hij Remus nog weer veranderen in die persoon die op het punt had gestaan om te doen wat Sirius van hem verlangde?
      Sirius lachte. "Waarom? Waar kan je anders heen? Het is niet alsof iemand je wil hebben." Remus' schouders verstrakten. Sirius raakte hem, maar nog niet genoeg. Hij zag nog niet hoe het beest naar boven kwam borrelen en de man die Remus was aan de kant dwong.
      Hij wilde Remus' handen rond zijn nek voelen, zijn nagels in de zachte huid begraven. Hij wilde voelen hoe hij geen lucht meer kreeg en hoe het leven zijn lichaam langzaam verliet. Was dat te veel om te vragen?
      "Dat dachten je ouders ook, nietwaar? Ze wilden je niet hebben. Of is dat waarom Peter jullie verraden heeft? Wie wil er immers wel een monster hebben? Nou?" Dat laatste woord werd haast geschreeuwd. Waarom zag hij geen beestachtige woede in zijn ogen? Waarom leek Remus hem niet te horen?

      Hoewel Sirius kamer 203 nog nooit binnen was geweest, aarzelde hij toch even voor hij naar binnen stapte. Hij wist wat hij er aan zou treffen: twee keurig opgemaakte bedden en de schimmen van twee personen uit zijn verleden.
      Er werd niet eens opgekeken toen hij naar binnen liep en zijn toverstok op het tweetal richtte. "Jullie... Het is jullie schuld!" riep hij. Zijn stem klonk beknepen, alsof iemand hem probeerde te wurgen. Misschien wurgde hij zichzelf mentaal ook wel.
      Nu pas keek Walburga op. Haar man bleef voor zich uitstaren uit het raam. Ze leek niet meer op de Moeder die Sirius altijd gekend en gevreesd had. Haar blik stond leeg, alsof ze niks meekreeg van wat er gebeurde. Sirius betwijfelde of ze hem herkende.
      Heel even schoten Sirius' gedachten terug naar het moment dat dit gebeurd was. Het had goed gevoeld om zijn ouders eindelijk voor hem te zien kronkelen, ze te horen smeken. Toch had de leegte in hem niet gevuld kunnen worden door hun kreten toen hij eindelijk degene was die de cruciatus-vloek kon gebruiken. Toen hij hun geesten had gebroken.
      "Jullie hebben hem gedood!" schreeuwde hij. Hij greep zijn toverstok steviger vast. Zijn hand trilde licht. "Zonder jullie had Regulus nog geleefd!"
      Een blinde woede trok door hem heen. Hij zag alleen zijn ouders en hun schuld. Zij moesten boeten voor hun daden. Hij moest wraak.
      "Avada Kedavra."


      "WAAROM REAGEER JE NIET?" Er was slechts wanhoop in zijn stem te horen. "Hoor je me niet? Peter was een vriend van je ouders! Hij heeft jullie verraden! Dankzij hem is je gezin uit elkaar gevallen!"
      Er kwam geen reactie van Remus. Zijn gezicht was zo bewegingloos alsof het in steen gegraveerd was.
      "Kom op, doe dan iets! DOE IETS! Dat is wat je wil, nietwaar? Het eindigen zodat je vrij kan zijn?" Remus' kaak verstrakte en Sirius glimlachte iets. Hij likte zijn lippen. Nog even en hij had Remus waar hij wilde.
      "Je hebt het al eerder gedaan, nietwaar? Het staat in je dossier. Twee doden. Vertel me eens, Remus, hoe voelde het? Voelde je je machtig toen je zag hoe ze hun laatste adem uitbliezen? Toen je wist dat je nooit meer hun schande zou zijn en ze nooit meer zouden wensen een andere zoon te hebben? Voelde het goed om je ouders te vermoorden?"
      Nu begon Remus te bewegen. Sirius wachtte. Wachtte tot hij de druk op zijn keel zou voelen, de adem van Remus op zijn gezicht. Wachtte tot hij slechts de woede in de ogen kon zien en de euforie kon voelen van weten dat hij gekregen had wat hij wilde. Niks daarvan kwam ooit. Ja, Remus stak zijn handen naar hem uit, maar in plaats van zijn nagels in Sirius' keel te begraven, trok hij de man naar hem toe, tot Sirius tegen zijn borstkas lag. Een arm lag beschermend om hem heen. Met zijn andere hand streek hij troostend door Sirius' haar.
      Sirius' ademhaling stokte even. Hij beet hard op zijn lip. Dit was niet wat hij wilde! Hij wilde geen zachtheid. Hij wilde pijn en agressie en-
      Hij leunde tegen de warme borstkas aan die langzaam op en neer ging. Hij wilde verdwijnen in die armen, even alles vergeten. Remus' armen waren zacht en sterk, en voorkwamen dat hij nu echt uit elkaar zou vallen. Zijn hart voelde aan alsof het in honderden stukjes uit elkaar gespat was en elk stukje hem met de scherpe kanten in stukken aan het snijden was.
      Een korte snik verliet zijn mond. Hij beet nog harder op zijn lip in een poging het in te houden. De smaak van bloed vulde zijn mond. Hij mocht niet huilen. Sterk zijn, zich groot houden, dat was wat hij kende. Was dat niet wat zijn ouders hem altijd geleerd hadden? Geen zwakheid tonen en altijd je wraak opeisen. Het waren die lessen geweest die hem gedreven hadden om zijn eigen ouders te doden. Hij had slechts gedaan waarmee zij hem hadden gehersenspoeld. Zij hadden moeten boeten.
      Maar hij wilde niet sterk zijn en zich groot houden. Hier in Remus' armen voelde hij zich niet zo. Hij wilde gewoon weer klein zijn en hopen dat zolang Remus hem vasthield alles goed zou komen. De demonen in zijn hoofd riepen zo hard en het enige wat Sirius wilde was dat ze stil zouden zijn. Hij was gewoon een verloren kind dat zo hard zijn best deed zich vast te houden aan de werkelijkheid. In de realiteit verloor hij dag na dag steeds meer zichzelf.
      Voor het eerst in jaren huilde Sirius.

Reacties (1)

  • Sunnyrainbow

    Arme Sirius! Remus is zo lief!

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen