Foto bij Chapter 9: Spoofed, Allies, Dreams and other Jokes

#respect voor conciërges (met uitzondering van bepaalde unieke hopeloze gevallen)

“Juffrouw Black, kan ik u even spreken?” De grommende stem van professor Moody deed me halt houden bij de deur. Het was de eerste week van december en ik had al vier keer strafwerk ontvangen. Dit verwachtte ik nu ook.
“Tuurlijk professor, ik heb alleen over een half uurtje Herbology...”
“Het duurt niet lang,” dat was finaal en ik sloot op zijn gebaar de deur naar de gang. Stilte daalde neer.
“U bent de zus van Norren Potter, toch?” ik knikte.
“Hij is een weerwolf...” het was geen vraag en ik knikte opnieuw, geen strafwerk blijkbaar.
“Heeft u een goede band met uw broer?”
“Ja.”
“Vind u hem niet een... monster?”
“Ik vind mensen die vinden dat hij een monster is, een monster, professor.”
“Juist... hoe brengt hij zijn volle maan door?”
“Als wolf...”
“Waar?”
“Dat is aan hem om te beantwoorden, niet aan mij.”
“Maar u weet het wel?”
“Misschien.”
“U beschermt hem?”
“Uiteraard.”
“Juffrouw Black, als er iets fout gaat, hebben we vijftig studenten die kwetsbaar op het terrein rondzwerven...”
“Dat weet ik.”
“Waar bevind hij zich met volle maan?”
“Wat doet het ertoe?”
“Antwoord mijn vraag.”
“Nee.”
“Pardon?”
“Nee.”
“Ik kan-”
“Punten aftrekken? Ga je gang. Strafwerk geven? Best, ik ga er allang niet meer heen. Mijn moeder schrijven? Ze zal je alleen maar uitlachen en zeggen dat ik een gedrocht ben. Naar McGonagall gaan? Die zal het alleen maar vreemd vinden...”
“- U veritaserum geven.”
“Dat is tegen de regels van school.”
“U lijkt ze niet echt op te volgen, die regels.”
“Daarom moet ik ze kennen, om ze te breken.”
“Juffrouw Black...”
“De dag dat u me herkent, professor, zal ik u vertellen waarom ik u het niet vertel.”
“Herkent?”
“Ja. Want ik lijk nogal op iemand, een prettige middag verder, professor.” En met die woorden verliet ik pissig het lokaal. Moody riep nog achter me, maar dat negeerde ik.

Die nacht sliep ik weer onrustig, te weinig gedaan die dag op compleet uitgeput te zijn. Ik was geen hond, en Norren was wel een weerwolf. Ik wilde gillen, maar er kwam geen geluid over mijn lippen, Norren de wolf rende achter een meisje in een lichtblauw gewaad aan. Ze was niet snel genoeg. Ik wou wegkijken maar ik kon me niet bewegen, ze struikelde en Norren sprong op haar. Ik wist te gillen en schoot gillend overeind in mijn vertrouwde bed op de meidenslaapzaal van Gryffindor. De anderen sliepen gelukkig nog, en stil stond ik op. Ik liep naar het raam, waar op de vensterbank een karaf stond met water. Ik schonk water in. Ik leunde met mijn hoofd tegen het koude glas. Buiten vielen dikke, witte vlokken; de winter was aangekomen. Ik besloot, toen ik het water op had en zag dat het half zes was, om me aan te kleden en naar beneden te gaan. Ik wou niet meer slapen. Beneden merkte ik op dat ik niet de enige was met slaapproblemen, Ron zat bij het vuur te peinzen.
“Hey Ron.”
“Hey Nayla.”
“Waarom ben jij niet aan het slapen?”
“Lukte niet meer...”
“Bugger...”
“Hmhm, jij?”
“Nachtmerrie...”
“Shit.”
“Dat inderdaad...”
“Heb jij nog huiswerk?”
“Nee, jij?”
“Nee, behalve dat ding van transfiguratie...”
“Ah, dat kost gewoon tijd...”
“Jup...”
“Zeg... weet jij hoe je een brulbrief moet maken?”
“Eh nee, jij?”
“Ja, Lee heeft het me geleerd...”
“Waarom zou ik willen weten hoe ik dat ding maak?”
“Nou...” er verscheen een ondeugende grijns op mijn gezicht en ik legde mijn ideetje uit aan de Weasley naast me.

Een paar uur later zaten we aan het ontbijt, de laatste dag voor het weekend. Harry zat tussen Ron en mij in, wat uiteraard bewust gedaan was. Het gebruikelijke geruis van de post deed me opkijken van mijn cornflakes. Een kerkuil landde met een brief van ‘Snuffels’ bij mijn bord en ‘Pig’ bij Ron met een brief van thuis. Ik verloste de uil van zijn baan en stopte hem in mijn binnenzak. Ik keek quasi verbaasd toen er een bruine barnuil bij Harry landde met de rode envelop van een brulbrief. Ron liet langzaam zijn thee zakken.
“Wie?” vroeg Hermione en Harry haalde zijn schouders op, trok de brief van de uil die het gevaar leek te ruiken en snel wegvloog. Harry keek naar de envelop maar er stond geen afzender op, alleen “Harry Potter, Grote Zaal, Hogwarts.”
Hij trok de zegel los en er gebeurde... niets... verward keek Harry in de brief en haalde er een klein kaartje uit, een kant was blanco, maar op de andere kant stond maar één woord: GEFOPT!
Ron en ik hikten van het lachen toen Harry het meest verwarde gezicht ooit trok.
“Tja, je bent nu wel Champion, maar dat wil niet zeggen dat je vrij bent van ‘gefopt’ worden!” Ik gierde het uit toen Harry langzaam van Ron, naar mij keek en toen weer terug.
“Jullie zaten er achter?” Ron en ik stonden op en bogen ‘hoffelijk’.
“Tot uw dienst, de grappemaker en companie.” ik stak mijn hand uit naar Harry die nu ook begon te lachen. Lachend begaven we ons naar de eerste les die dag; History of Magic.
Ik was hopeloos, ik was geheel vergeten dat we voor dat vak huiswerk hadden gekregen en dus toen Binns met zijn oersaaie stem naar het huiswerk vroeg stak ik mijn hand op.
“Professor?”
“Ja, juffrouw Black?”
“Ik heb het gevraagde huiswerk wel gemaakt, maar... dit is geen excuus, mijn hond heeft het opgegeten...”
“Juist ja... en het kwam niet bij u op het opnieuw te maken?”
“Het is vannacht gebeurd...”
“Ah, nou ja, niets aan te doen... vijftien punten aftrek van Gryffindor, juffrouw Black, en strafwerk vanmiddag bij mij...”
“Ik begrijp het professor...” Hij werd zo nog bijna menselijk...

Twee weken later hadden wij, the Jokers, een record gebroken van het aantal grappen uithalen, op het jaar ervoor. Om dat te vieren, uiteraard, staken we in de verse sneeuw buiten vuurpijlen af. Vreemd genoeg kregen we geen straf. En terwijl we de Grote Zaal weer in liepen botste Warrington, expres, tegen Harry op, en liep zonder iets te zeggen door. Harry deed alsof er niets gebeurd was en las een klein stukje perkament, dat hij blijkbaar in zijn handen gedrukt had gekregen, ik las mee over zijn schouder. Stel dat het een dreigement was? Maar dat was het niet:

Potter, houdt je ei onderwater, dat maakt ons gelijk, zeg niets tegen wie dan ook. C. W.

“Oh dan kun je de klassenoudste hun badkamer gebruiken, dan kan niemand je storen.” Norren stond ook achter Harry, “het wachtwoord is fluisterwater.” Dat Norren benoemd was tot klassenoudste had ik een schande gevonden, maar nu kwam het handig uit. Met die woorden liep mijn broer naar de tafel van Ravenclaw. Ik haalde een schouder op en liep met hem mee naar de tafel van Gryffindor.
Na het avondeten begaven we ons terug naar de toren van Gryffindor. Ik verlangde naar de kersttijd, maar dat duurde nog ruim twee weken. Twee weken waarin Snape alle gelegenheid had ons te pesten, Moody de tijd had om te doen alsof hij mij niet herkende en we stapels huiswerk kregen.
Misschien kwam het door de algemene rusteloosheid die dit jaar bij de aankomende kerstperiode hoorde, of misschien de wetenschap dat Harry moest dansen met iemand als openingsdans, dat ik de nacht van twaalf december opnieuw een nachtmerrie had over Norren. Deze nachtmerries waren erger dan mijn gewoonlijke.

Ik liep door Hogsmeade, toch zag ik de Big Ben over de daken van de lage huizen. Ik droeg een korte broek, een t-shirt en mijn trouwe afgetrapte gympen- die ik alleen nog bij elkaar hield met veters en herhaaldelijke reparo’s. Mijn haren waren korter dan nu en hemels blauw. Ik was om een of andere reden gespannen. Ik liep waakzaam door de straten. Net op het moment dat ik minder waakzaam werd zag ik een lichtblauwe broek liggen, besmeurd met rode vlekken. Er lag een hand naast. Ik draaide mijn hoofd weg, in afschuw, alleen om nu de hele straat vol kleren, bloed en lichaamsdelen te zien. Zelfs darmen, of andere organen lagen erbij. Een zachte kreun kwam uit mijn keel. Ik wou dit niet zien! Nee! Maar de droom ging verder, meedogenloos. Ik liep tussen de uiteengereten lijken door, enkel om maar al te bekende pootafdrukken te vinden. Ik schreeuwde mijn broer zijn naam, maar alles wat ik terugkreeg was het blazen van de wind. Ik begon te rennen. Plots was ik in Londen zelf. De sneeuw rees hoog over me heen en liet me rennen door smalle straten waar ik alleen de doden zag. Sporen van een wolf nog altijd zichtbaar. Poot afdrukken in de sneeuw, klauwsporen de sneeuw-wanden van de paden. krassen van nagels, bloed, op sommige plekken was de sneeuw zwart van het bloed.
Bij een splitsing stond eindelijk stil, geen idee welke kant ik nu op moest. Beide paden waren met sporen van mijn broer. Ik wilde schreeuwen maar mijn stem deed het niet. Ik wou mezelf dwingen rustiger te ademen, maar het lukte niet. Gegrauw. Het drong nog niet helemaal tot me door, maar het deed me doodstil staan. Ik luisterde, waar kwam het vandaan? Het leek niet van voor of achter me te komen… Wacht eens… er was nog een optie, een optie die voor honderd procent het einde zou betekenen. Net zoals de mensen van de blauwe en rode gewaden, heel, heel langzaam keek ik op. Daar boven me, zat mijn broer, zijn tanden rood. Ik slikte. Een beweging uit mijn ooghoek deed me de fout maken daarheen te kijken, nogmaals een wolf, en daar nog een, en nog een, en nog een, en nog een… Plots waren ze overal. Identiek aan elkaar, gele ogen, groot, bebloed, een hongerige blik in de ogen en klaar voor de aanval. Ze sprongen en eindelijk kon ik gillen.

Ik schoot gillend overeind in mijn bed, tot op het bot verkleumd, bezweet en grote ogen. Spierpijn schoot door elk ledemaat van mijn lijf. Na drie en een half jaar wisten de meiden op deze zaal wel dat het simpelweg nachtmerries waren en sliepen er inmiddels doorheen. Ik liet mezelf tot adem komen. Mijn keel deed pijn, waarschijnlijk had ik lopen schreeuwen. Met zekerheid kon ik wel zeggen dat ik geen idee had wat ik nou gedroomd had, waardoor ik wist dat het niet mijn gebruikelijke nachtmerries waren want die herinnerde ik me altijd. Ik stond op, liep naar het raam met het karaf ervoor en schonk een glas vol. Ik had het koud. Kippenvel kroop over mijn armen. Het lege glas zette ik neer. Ik trok mijn ochtendjas aan nadat ik een blik op mijn wekker wierp; 03:30.
Ik vluchtte de koude slaapzaal uit en begaf me naar de warme, beschermde wereld van de omhelzende kleuren van de Gryffindor commonroom. Ik had mijn tekenblok meegenomen en nadat ik het vuur weer wat had opgestookt, me had genesteld in een grote stoel, een Schots geruite plaid over me heen had gegooid begon ik met tekenen.
Ik keek nauwelijks naar het papier, noch naar mijn omgeving. Ik had, zolang ik me het kon herinneren, tijdens het tekenen van deze momenten, nauwelijks bewustzijn van deze wereld. Lijn voor lijn kwam het tafereel op papier. Pas een uur of twee later liet ik mijn potlood zakken. In bezemkast die dicht was, overvol en stoffig. Ik had nauwelijks schaduw gebruikt, maar eerder alles donker gemaakt. Fronsend keek ik naar het resultaat. Dit was de kast waar ik afgelopen februari over gedroomd had. Het enige verschil nu was dat er spullen van Filch in stonden.
Ik schrok op toen de staande klok abrupt zes uur sloeg.

Om het nare gevoel van de tekening af te schudden besloot ik om mijn stoute schoenen aan te trekken. Ik kleedde me aan, en verliet de leerlingenkamer. Het was buiten het uur dat we niet mochten rondlopen, dus ik maakte mij niet druk om gezien of gehoord te worden. Verderop zag ik Filch een van de duizenden harnassen van Hogwarts schoonmaken. Ik was onder de indruk van de vastberadenheid van deze conciërge. De ironie was dat ik minder respect kreeg van die man dan ik had voor hem. Buiten beschouwing gelaten dat ik verleden week er een mestbom in had gestopt. Filch was daar natuurlijk niet blij mee geweest. Ik wel, uiteraard. Filch vertrok en ik kreeg, zoals mijn vader zou zeggen; een briljant, spontaan, perfect idee, ik besloot het direct ten uitvoer te brengen.
De onschuld zelve bracht mij naar het ontbijt. Af en toe klonken er hard (metalen) gillen door het kasteel. Ook de lui van Beauxbatons en Durmstrang kregen hun dosis. De bezwering was eigenlijk heel simpel geweest, het ingewikkelde was om álle harnassen het te laten doen. Ik was blij met de zaterdag. Hierdoor had ik alle tijd, om én mijn (achterstallige) huiswerk te maken, mensen rondom harnassen te observeren en om te kletsen met Ben. Ik verklaarde mezelf voor gek. Ik mocht de gast niet eens echt. Toch moest ik lachen om zijn grapjes, bloosde ik om de complimenten en wist ik niet waar te kijken als hij naar mij keek. Ik walgde er bijna van, maar vond het ook weer leuk.

“Waarom wou je trouwens hier afspreken?”
“Hoe bedoel je?” Ik liet mijn transfiguratieboek zakken.
“Waarom op de gang, en niet in de bieb ofzo?” Ben was bezig met zijn huiswerk voor zijn Potions huiswerk. Hij had de ambitie om schouwer te worden, zoals zovelen in Gryffindor.
“Omdat ik mensen graag voor de gek hou.”
“Wat?” Zijn stem was verward.
“Ik heb die harnassen behekst, zodat zij schrikken van mensen waardoor die schrikken.”
Even was het stil, Ben keek me bedachtzaam aan.
“Er is bij jou echt geen dag zonder grappen, nietwaar?” Ik grijnsde en haalde mijn schouders op.
“Nope, dat is zo saai.”
“Hah, ik zou jou nou niet in dát vakje zetten…”
“Daarom.”
Vreemd genoeg leek het daarna een beetje prettiger tussen ons te worden, ook al probeerde Ben mij van de grappen af te houden (waar hij hópeloos in faalde). Ik vroeg me af of ik ooit een rustig leven zou hebben, ooit een vredige relatie - áls dit er ooit eentje zou worden, wat ik ten zeerste betwijfelde, zonder duizenden discussies die nergens over gingen (kom op, wie maakte zich nou druk over twee verschillende sokken, of over mijn warrige haren? Laat staan dat ik graag pizza at voor ontbijt…)
Maar zoals altijd bleef niets zoals het was. Dat bewees de dag na de volle maan van december maar al te goed.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here