Foto bij H.135.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Dan laat hij mij los en de muur is het enige wat ervoor zorgt dat ik niet ineen zak op de grond.
Zonder van mij weg te kijken, zegt hij tegen zijn bewakers: ‘Ik ben voorlopig klaar. Breng haar maar weg.’

Na die woorden grijpt iemand me aan mijn haren vast en een soort pijnlijk gepiep ontsnapt uit mijn mond. Ik word uit de kamer gesleurd, door de gang naar de ruimte waar Evan zit, maar via een achterdeur, zodat ik tegen zijn rug aan kijk. Een man met krokodilgroene ogen en bruin, kortgeknipt haar kijkt me grijnzend aan. Zijn knokkels zijn kapot, wat me vertelt dat hij waarschijnlijk de klootzak is die Evan in elkaar heeft gegslagen. Hij loopt naar de hoek van het vertrek en sjort een houten stoel naar het midden van de ruimte. De stoelpoten schrapen over de harde vloer en automatisch trap ik op de remt.
Ik plant mijn hak op de voet van de man achter me en hij laat met een schreeuw van pijn en verbazing mijn haren los. De man die de stoel neerzette komt dreigend naar me toe gelopen en schopt haast achteloos mijn benen onder me vandaan, waardoor ik pijnlijk op de grond val.
De lucht wordt uit mijn longen geperst en ik hap naar adem. Na een paar seconden van desoriëntatie zet ik mijn handen op de vloer om mezelf overeind te duwen, maar hij zet zijn voet op mijn rechterhand. Ik kreun van de pijn en probeer mijn hand los te trekken, wat er alleen maar in resulteert dat het nog meer zeer doet. Ik bijt mijn tanden op elkaar, maar wanneer hij nog meer van zijn gewicht naar zijn voet verplaatst, komt er een snik opzetten vanuit diep in mijn borstkas. Ik duw mijn voorhoofd tegen de vloer en probeer me te focussen op het kalmeren van mijn gejaagde ademhaling.
‘Eli, hou eens op. Zodra Matthew je toestemming heeft gegeven mag je haar pijn doen zoveel je wilt, maar je moet nu nog voorzichtig doen,’ bemoeit een derde bewaker zich met de situatie.
De man die blijkbaar Eli heet snuift minachtend, maar haalt dan zijn voet weg. Ik krimp ineen en rol me op mijn zij, mijn pijnlijke hand tegen mijn borst gedrukt terwijl ik trillerig genoeg zuurstof binnen probeer te krijgen, maar dan geeft hij me nog een laatste trap in mijn maag en ik kerm weer van ellende. Mijn blik zoekt naar Evan en ondanks dat ik vlekken voor mijn ogen zie, kan ik zien hoe hij los probeert te komen van de touwen. Typisch voor hem, om zijn gezondheid op het spel te zetten voor iemand die hij niet kent. Ik ga er tenminste maar van uit dat hij niet weet dat ik het ben. Hij heeft geen enkele reden om te denken dat ik het ben die hier op de grond ligt te snikken.
Eli grijpt me bij mijn keel vast om me overeind te trekken, waarbij hij heel gericht druk zet op de snee in mijn hals, maar ik heb de kracht niet meer om het uit te gillen. Hij maakt een gespeeld bezorgde o-vorm met zijn lippen en veegt met de vingertoppen van zijn vrije hand de tranen van mijn wangen. Hij sleurt me mee naar de stoel die hij rug tegen rug bij Evan neergezet heeft en duwt me erop. Ik val neer op het zitvlak en durf niet tegen te stribbelen wanneer hij met touwen mijn polsen vastmaakt aan de achterste stoelpoten, waardoor ik mijn armen in een iets ongemakkelijke houding achter me moet houden. Ook mijn middel bindt hij vast aan de stoel. Hij geeft een laatste ruk aan de touwen om te kijken of ze goed vastzitten en ik krimp ineen.
Hij legt twee vingers onder mijn kin en dwingt me dan om hem aan te kijken. Hij blijft mijn blik even vasthouden met een geamuseerde halve glimlach en draait zich dan om. Hij loopt achter de andere twee bewakers aan naar buiten. Degen die ik op zijn voet getrapt heb, loopt mank. Ik hoop dat hij iets gebroken heeft, maar ik ben bang van niet. En dan gaat de deur dichten zijn Evan en ik nog de enige in de ruimte.
We zijn doodstil en ik hoor alleen onze ademhaling. Die van hem is onregelmatig en iets traag. Die van mij is snel en komt in horten en stoten. Ik durf niets te zeggen, hopend dat ik hem nog zo lang mogelijk kan laten denken dat ik het niet ben. Hij heeft me heel kort door de gang zien lopen en hij heeft mijn gekreun van pijn gehoord, maar ik moet erop vertrouwen dat hij me niet heeft herkend. Hij ziet wat hij verwacht te zien, en waarschijnlijk denkt hij dat ik niet eens meer besta. Hij is me vast al praktisch vergeten. Evan is slim genoeg om verder te gaan met zijn leven.
Heel lang zijn we stil. Na een tijdje zegt hij: 'Ik weet dat jij het bent, Gioa.'
Even weet ik niet wat te zeggen. Dan komt er heel kleintjes uit mijn mond: 'Oh.'
Zodra ik me pas echt besef dat we voor het eerst in drie maanden samen zijn, lopen mijn ogen vol tranen, maar ik verbied mezelf om in huilen uit te barsten. Het doet er niet toe hoe confronterend dit is; ik ben zélf weggegaan. Het was mijn keuze.
‘Evan, ik... het spijt-‘ begin ik, maar hij onderbreekt me.
‘Hebben ze je veel pijn gedaan?’ Vraagt hij. Even denk ik dat hij hoopt van wel, want dat zou ik volledig begrijpen, maar dan hoor ik aan zijn stem dat hij echt bezorgd is.
‘Het gaat prima,’ zeg ik, maar hij heeft het altijd al aan kunnen voelen als ik loog.
‘Gioa, je hebt geen idee wat ze gezegd hebben dat ze allemaal met je zouden doen wanneer je hier was. Ik wil weten wat ze gedaan hebben.’ Zijn stem klinkt onvast en tegelijkertijd weet ik meteen dan hij geen tegenspraak duldt.
Ik knijp mijn ogen dicht. Hoe moet ik het uitleggen zonder dat hij een hartaanval krijg. ‘Het is geen hele diepe snee.’
Ondanks dat we elkaar niet aanraken, zitten we zo dichtbij dat ik merk dat hij verstrakt.
‘Waar?’ Zijn stem trilt van pijn en woede en nog een paar andere emoties die ik niet kan of wil plaatsen.
‘Mijn hals.’ Als ik keel had gezegd, zou hij geëxplodeerd zijn. De manier waarop zijn ademhaling versnelt, zorgt ervoor dat ik snel zeg: ‘Evan, het is niet ernstig. Het gaat prima.’
Hij reageert niet, maar aan zijn versnelde ademhaling kan ik horen dat dat hem echt heel kwaad heeft gemaakt.
Toch klinkt hij in plaats van boos juist heel kleintjes wanneer hij een paar minuten later vraagt: ‘Heb je enig idee hoe lang ik heb gehoopt dat je terug zou komen?’
Ik bijt op mijn lip. ‘Het spijt me.’
‘Waarom ben je weggegaan?’ vraagt hij met krakende stem.
Ik knijp even mijn ogen dicht en probeer te vechten tegen de tranen, wat niet lukt. Het is maar goed dat hij me niet kan zien.
‘Omdat ik niet meer van je hou,’ lieg ik. Ik ga hier nooit levend vandaan komen. Hij kan zich maar beter niet aan me hechten.
‘Nee. Nee, dat klopt niet.’ Het klinkt alsof hij bijna huilt en er de steen die al maanden in mijn maag ligt, wordt nog zwaarder. ‘Niet waar. Je... we hebben urenlang gepraat over wat we later wilden doen. Je... je zei dat we... dat je nooit meer bij me weg wilde. Je zei dat we altijd samen zouden zijn.’
Ik knipper nog meer tranen weg en wanneer ik zeker weet dat ik kan praten zonder te snikken, zeg ik: ‘Dan moet ik vast heel veel van je gehouden hebben.’ Ik bijt op mijn lip en dan op de binnenkant van mijn wang, tot de smaak van bloed mijn mond vult. Ik wil alles terugnemen wat ik gezegd heb, zeggen dat hij mijn hele wereld is, maar als ik dat doe, zou hij niet weggaan als hij de kans zou krijgen zonder mij te te vluchten. ‘Maar nu niet meer.’

Reacties (1)

  • Luckey

    Ze kan beter eerlijk zijn
    Als die weg is kan die hulp gaan halen
    En samen sta je veel sterker als alleen

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen