Nog voor Remus goed en wel bij positieven was, was hij zich al bewust van de pijn in zijn lichaam. Hoe kon het ook anders? Zijn botten hadden zichzelf tweemaal binnen 24 uur tijd gebroken en waren op een andere manier weer aan elkaar gegroeid. Zijn spieren hadden zich maar mee moeten vormen met het veranderde lichaam. Natuurlijk voelde zijn lichaam aan alsof er een flinke kudde olifanten overheen gestampt was.
      Toch voelde het nog niet zo heftig als andere keren. Hoewel alles stijf was, had hij niet het idee dat er een bot was die niet meer geheeld was, en hij miste ook het gevoel van plakkerig bloed dat over zijn lichaam stroomde. De geur van bloed ontbrak ook
      Naast hem bewoog iets en langzaam opende hij zijn ogen, om ze meteen weer half dicht te knijpen tegen het felle licht dat dwars door de gordijnen heen scheen. Met iets meer beleid opende hij opnieuw zijn ogen. Het was altijd een rare sensatie zo vlak na de transformatie. Zijn lichaam was nog half wolf, zijn geest was nog half wolf. De zintuigen van mens en dier liepen dwars door elkaar heen, en soms wist Remus niet wat hij dacht en wat de instincten van de wolf waren.
      Hond.
      Nog voor Remus het echt bewust wist, wisten zijn instincten het al. Het was een hond, en toch weer niet. Hij zag eruit als een hond en rook als een hond, maar ergens achter al die geur zat een vleugje mens verborgen.
      De zwarte hond lag langzaam kwispelend naar Remus te kijken. Remus kwam overeind en kriebelde de hond achter zijn oor. "Goedemorgen Padfoot," zei hij zacht. Zijn stem klonk schor van het gehuil de avond ervoor. Zijn stembanden waren nog niet helemaal menselijk.
      De hond blafte zacht en hapte naar Remus' hand. Remus liet zich weer achterover zakken en sloot zijn ogen. Moony krabbelde aan zijn borst. De hond was ongehoorzaam geweest. Remus moest hem op zijn plek zetten. Moony was de alfa!
      Remus zelf wilde gewoon even rusten. Hoewel Moony zichzelf die nacht niet volledig uit elkaar getrokken had, was hij wel de hele nacht wakker geweest.
      Vriend.
      Zijn rust werd verstoord door een natte tong die over zijn gezicht gehaald werd. "Sirius, bah," mopperde hij op de hond. Moony wilde de hond op zijn plek zetten en zijn tanden ontbloten naar de ongehoorzame pup. Het resultaat was dat Remus' gezicht in een verwrongen grijns trok.
      Het was een rare week geweest. Nadat Remus Sirius in het veld had aangetroffen, had hij Sirius terug gebracht naar Grimmaulds Place. Daar was Sirius in zijn armen in slaap gevallen. De dag erna was anders geweest. De blik in Sirius' ogen was anders. De waanzin die er dag na dag meer in geslopen was, leek te zijn verdwenen. Nu had hij slechts moe geleken.
      Het was een goede week geweest. Het was slechts Sirius en Remus geweest, en dat was alles geweest wat Remus had gewild. De man had zich eindelijk welkom gevoeld bij Sirius.
      Nogmaals werd er een tong over zijn wang gehaald. "Nee!" bulderde Remus. De pup luisterde niet naar hem en moest de grenzen weten. Moony had al nee gezegd. Remus was niet zeker of hij of Moony gepraat had.
      Meteen dook Padfoot in elkaar. Het was niet genoeg. Moony was alfa. Padfoot niet. Langzaam kwam Remus overeind. Padfoot sprong weer overeind en Remus zag dat hij wilde spelen. Remus was in tweestrijd. Moony was alfa, maar Padfoot was Sirius. Remus wilde Sirius niet domineren. Hij wilde hem, dat was alles.
      Sirius moest uit Moony's buurt blijven. De wolf wilde nog steeds mensenbloed hebben, ondanks alles. Padfoot leek daar niet naar te luisteren en sprong tegen Remus aan. Moony had hem nooit uitgenodigd om dat te doen.
      Hij vloerde Padfoot en pinde de hond onder hem vast, hem daarbij op zijn rug dwingend. De zachte hondenharen kriebelden op zijn blote huid. Padfoot hief zijn kop en ontblootte zijn keel. Moony zette zijn tanden er zacht in. Padfoot moest weten dat Moony hem kon doden als hij dat wilde, dat hij was overgeleverd aan zijn genade. Remus baalde alleen van de hondenharen die hij nu in zijn mond had. Serieus, moest dit?
      De hond onder hem bewoog tot er geen hond meer was, maar slechts een man die nog vaag naar hond rook. Sirius grijnsde naar Remus. Remus trok zijn lip op in een waarschuwende grom. De wolf in hem rook mens en wilde mens. Hij wilde bloed en die weke keel openscheuren. Mensenvlees eten, zijn prooi vangen. Waarom was Sirius zo dom om halverwege de transformatie terug al mens te worden? Remus zou nooit sterk genoeg zijn om Moony te stoppen.
      Nogmaals bracht Moony zijn mond naar de onbeschermde keel van Sirius. Remus wilde zijn ogen sluiten. Hij wilde niet zien hoe hij nu zijn tanden in Sirius zou zetten of proeven hoe het bloed zijn mond zou vullen. Toch kreeg hij het niet voor elkaar.
      In plaats van zijn tanden in de keel te zetten, duwde Moony heel licht zijn lippen tegen de zachte huid.
      Mijn.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here