Foto bij H.137.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Voordat een van ons tweeën een nieuwe klap uit kan delen, wordt de deur geopend. Eli loopt naar binnen. Net even te lang raak ik afgeleid en daarbij geef ik Matthew de kans om me hard tegen mijn slaap te slaan. Nog voordat ik de pijn kan voelen, wordt het zwart voor mijn ogen.

Ik droom dat ik in een grijze kamer zonder ramen sta, met aan mijn voeten mijn moeder. Haar handen en enkels zijn met touwen aan elkaar gebonden en er is een donkergrijze doek voor haar mond geknoopt om haar smekende woorden te doen vergaan. Ik hoor haar snel en paniekerig door haar neus ademhalen. Ze lijkt bijna op Ammay, nu ze zo bang is.
Ik kijk op en ik zie Matthew en Evan staan, een paar meter bij me vandaan. Evan zit op zijn knieën en heeft zijn hoofd gebogen en Matthew staat achter hem, net als ik en mijn moeder. Ik weet niet of ze daar al die tijd al stonden of dat ze van het een op het andere moment gewoon verschenen zijn, maar dat is niet hetgeen wat me tot op het bot doet verkillen. Matthew heeft een pistool tegen Evans achterhoofd gedrukt. Met zijn vrije hand haalt hij een tweede pistool tevoorschijn en hij gooit het naar me. Verward vang ik het op.
Net wanneer ik wil vragen wat hij in hemelsnaam van me verwacht, zegt hij: ‘Ik geef je tien seconden. Vermoord haar of ik haal de trekker over.’
Ik begin wat te sputteren, maar dan begint hij met aftellen en ben ik abrupt stil.
‘Tien.’
Ik moet mijn moeder vermoorden. Mijn moeder, die Ammay heeft doodgestoken en me jarenlang heeft mishandeld, zowel fysiek als mentaal. Ze heeft me haast aan mijn haren de wereld van criminaliteit in gesleurd en heeft me neergeschoten. Maar wil ik haar wel vermoorden? Ik wil niemand vermoorden. Ik heb ooit al iemand vermoord en om eerlijk te zijn voel ik er vrij weinig voor om dat opnieuw te doen. Ik haat mezelf al genoeg.
‘Negen...’
Maar dan denk ik weer aan Evan en ik weet meteen al dat het niet een hele moeilijke keus is. Evan heeft een goed hart. Dat van mijn moeder is bitter en donker. En ik houd van Evan. Van mijn moeder niet.
Ik zet het pistool op haar hoofd en het verbaast me hoe makkelijk het is om de trekker over te halen, ook al krimp ik ineen bij het geluid van het schot.
Maar er is geen bloed. Mijn moeder zakt niet in elkaar. Er is geen kogel uit het pistool gekomen. Het is niet geladen.
‘Acht...’
‘Het is leeg!’ gil ik, totaal in paniek. Ik kan haar niet vermoorden als hij me de kans daartoe niet eens geeft.
‘Zeven...’
‘Er zitten geen kogels-‘
‘Zes...’
‘Het pistool is leeg!’
‘Vijf...’
En dan besef ik het me. Hij zei dat ik haar moest vermoorden. Hij zei niet dat ik dat per se moest doen door haar dood te schieten.
‘Vier...’
Wat verwacht hij van me? Dat ik binnen vier seconden het leven uit haar kan wurgen?
‘Drie...’
Moet ik haar doodslaan? Is dat wat hij wil? Hoe verwacht hij in hemelsnaam dat ik dat zomaar voor elkaar kan krijgen?!
‘Ik kan het niet!’ gil ik.
‘Twee...’
‘Geef me meer tijd!’ smeek ik hem terwijl de tranen over mijn wangen rollen. ‘Alsjeblief-‘
‘Één...’
Hij haalt de trekker over. Ik schreeuw. Evan zakt in elkaar. Ik word wakker.
‘Gioa? Gioa?!’ vraagt een paniekerige stem. Het duurt even voordat ik doorheb dat het Evan is. Hij leeft.
Ik zit weer vastgebonden op de stoel. Mijn borstkas gaat hevig op en neer. Mijn keel doet pijn van het huilen en schreeuwen. Mijn hoofd bonkt van de klap die Matthew erop heeft gegeven. Ik voel de tranen over mijn wangen druipen.
Evan probeert geruststellend mijn handen vast te pakken en ondanks dat de touwen niet meegeven, voel ik hoe zijn vingertoppen kort lang mijn hand strijken. Het werkt bijna kalmerend.
‘Gaat het?’ vraagt hij zacht.
Wanneer ik antwoord probeer te geven, komt er alleen een pijnlijke snik uit mijn mond. Ik schud van nee, maar hij kan dat natuurlijk niet zien. Toch denk ik dat hij het antwoord wel kan raden.
Het duurt heel lang voordat ik gekalmeerd ben, maar heel lang kan ik niet van mijn rust genieten, want vrijwel direct word ik overspoeld door een nieuwe golf paniek. Mij heeft Matthew bewusteloos geslagen, maar waarschijnlijk is dat niet de enige straf die hij voor mij in petto heeft. Ik heb hem immers geprobeerd te vermoorden en een erg vergevingsgezinde man is het nou niet echt. De kans is vrij groot dat hij Evan iets aan heeft gedaan, want hij weet dat dat de enige manier is om mij in bedwang te houden.
Ik hap naar adem. ‘Heeft hij je pijn gedaan?’
‘Nee,’ antwoordt Evan.
Ik bijt op mijn lip. ‘Ik heb het altijd echt zo gehaten als je liegt,’ mompel ik zachtjes, maar hij kan het wel horen.
Hij prevelt iets wat lijkt op "moet jij zeggen", maar ik weet niet zeker of dat echt is wat ik versta, of dat is wat ik verwacht dat hij tegen me wil zeggen. Opnieuw is het weer stil, maar na een paar minuten is Evan de eerste die het stilzwijgen doorbreekt: 'Is het waar, wat hij zei?'
Het duurt even voordat ik antwoord. Er zijn zo veel dingen gezegd. 'Wat bedoel je?'
Ik hoor hem slikken. 'Matthew zei...' Zijn stem trilt. 'Hij vertelde dat je hallucinaties had. En paniekaanvallen en dat je gedronken had en...' Hij valt stil.
'Hij zorgde ervoor dan het erger leek dan dat het was,' murmel ik ontwijkend.
Evan laat een gekwelde kreun horen. 'Altijd als je zoiets zegt, weet ik dat het zelfs nog erger is dan het leek.'
Ik bijt op mijn lip. Hij heeft gelijk, maar ik vraag me af of het wel goed is om hem daarmee te belasten. Hij heeft al zoveel meegemaakt. Maar dan besef ik me dat als er iets is wat ik níét moet doen, dat liegen is. ‘Het... het was vrij erg,’ geef ik toe.
Details ga ik niet geven, al zou hij me er op zijn knieën om smeken. Als hij zou weten hoe ellendig de afgelopen paar maanden voor me waren, zou hij zonder twijfel een manier vinden om zichzelf daarvan de schuld te geven.
Heel lang zijn we stil, en alles wat ik van zijn houding mee kan krijgen vertelt me dat hij zich compleet hulpeloos voelt.
'Ik loog,' zeg ik dan en hij maakt een vragend geluidje, niet wetend waar ik het precies over heb. Ik twijfel even, maar dan besef ik me dat het leugens zijn die voor deze situatie gezorgd hebben. Als ik gewoon eerlijk tegen hem zou zijn geweest over alles, zou het misschien heel anders zijn gelopen. Geen leugens meer. 'Ik loog toen ik zei dat ik weg ben gegaan omdat ik niet meer van je houd. Dat is niet waar.'
'Waarom ben je dan weggegaan?' Het klinkt niet zo opgelucht als ik had verwacht, alsof hij zich erbij had neergelegd dat mijn haat de reden was voor mijn vertrek en hij nu weer volledig in het duister tast.
Maar ik geef geen antwoord. Niet omdat ik het niet weet, want ik heb wel een vermoeden, maar het voelt opeens niet meer als het belangrijkste om te zeggen. 'Evan, ik denk niet dat we hier allebei levend weg gaan komen.' Net wanneer ik daaraan toe wil voegen "Dus als je de kans krijgt om te vluchten, moet je die nemen." onderbreekt hij me.
'Maak je geen zorgen. Ik haal ons hier wel weg,' zegt hij met die toon in zijn stem die hij altijd heeft wanneer hij overtuigend probeert te zijn, maar zelf nog zo zijn twijfels heeft.
Net wanneer ik koppig wil vragen hoe hij denkt dat hij dat voor elkaar gaat krijgen, gaat de deur open. Eli komt naar binnen en ik krimp ineen bij de herinnering van wat hij heeft gedaan. Hij lijkt dat heel amusant te vinden. Hij wordt gevolgd door Matthew, die me geen blik waardig gunt. Er lopen nog twee andere figuren achter hem aan. Een daarvan is een volwassen vrouw, met rechte rug en tranen van woede en verdriet in haar ogen. De andere staat een beetje ineengedoken. Wanneer ik hem een beetje beter kan zien, stokt mijn adem in mijn keel. Hij is haast nog maar een kind.

Reacties (1)

  • Luckey

    WAT aar er nu weer gebeuren?!

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen