Ik draai me niet om. Mijn zintuigen staan op scherp en mijn aandacht ligt volkomen op het punt achter me, maar ik draai me niet om. Ik dwing mezelf niet om te draaien en te doen alsof ik het niet gehoord heb. Blijven staan, en afwachten. Een ijskoude hand klemt zich om mijn hart. De situatie komt onaangenaam overeen met eerder.
      Bij het eerstvolgende geluid dat mijn oren registreren draai ik als een gifslang in het nauw, fel op mijn as. Zonder mezelf tijd te geven op te kijken, haal ik meteen hard en meedogenloos uit naar de bron van het geluid.
      Er is niets.
      Even staar ik ontzet naar de groene stengels die op de grond vallen, er geen seconde aan gedacht dat het misschien een valstrik zou kunnen zijn. Ik bevries op mijn plek, met mijn ademhaling zo zacht en oppervlakkig dat het lijkt alsof ik niet eens adem haal.
      Dan breekt er rechts van me een tak.
      Niet op de manier zoals wel vaker in het park gebeurt.
      Dit scherpe geluid komt van een tak die knapt onder teveel gewicht.
      Opnieuw draai ik me met een bovenmenselijke snelheid om en opnieuw haal ik zo hard ik kan uit. Mijn bloed ruist in mijn oren en mijn hart dreunt met luide slagen onder mijn ribbenkast. Maar alweer is er niets. Geen Florian te zien, helemaal niets op het groen na dat mijn zwaard wel raakt. Een zachte vloek is al aan mijn lippen ontsnapt voor ik hem kan tegenhouden. Mijn oriëntatie ben ik volledig kwijt, en ik heb geen idee meer waar ik eerst Florian gedacht had te horen. De realiteit klemt zich als een wurgslang om mijn borstkas.
      Te laat.
      Twee armen klemmen zich plotseling om mijn bovenlichaam, als banden van staal. Een misselijkmakende doodsangst schiet door mijn lichaam en in pure paniek verlaat een vreselijke gil mijn mond. Het ijselijke geluid galmt na in mijn oren, voordat ik het geluid kan stoppen. De paniek neemt haast bezit mijn lichaam en verspreid zich als een dodelijk verlammend gif, de gil verstikkend afkappend. Er gaat een schok door me heen, waarna ik onbeheersbaar begin te trillen. In één klap komt alle angst van vannacht weer terug. Het is Florian, kalmeer! Hij doet je geen pijn, houd jezelf in de hand!
      In mijn paniek merk ik niet dat Florian me bijna loslaat, geschrokken van mijn angst. De kracht verdwijnt, en hij omhelst me meer dan dat hij me vastklemt. Schokkerig zuig ik lucht naar binnen, wanhopig trachtend het trillen te stoppen.
      ‘Rustig, ik doe je niets. Kalmeer.’ Florians stem klinkt kalm en vast. Het helpt wel. Zijn warme adem voelt vertrouwd aan op mijn huid.
      ‘H-het concept van de Spelen gaat nogal langs je heen, hè.’ Verstikt dwing ik de woorden uit mijn keel, trachtend het bijtende toontje erin te leggen. Het lukt niet. Bijna dankbaar maak ik ervan gebruik dat hij wel op zijn eigen benen kan blijven staan, zonder om te vallen. Ik wil ook niet dat hij luistert naar mijn woorden, maar naar de zijne. Want hij doet me niets. Hij zei het zelf.
      Wonder boven wonder verdwijnt de paniek inderdaad en het rustige en kalme gevoel laat me bijna omvallen van opluchting. Uit alle macht probeer ik mezelf bij elkaar te rapen, terwijl mijn hart moeizaam tot bedaren komt. Ook probeer ik de gedachte te negeren dat het door Florian komt, dat ik zo snel mezelf weer enigszins in de hand heb, want ik was kwaad op hem.
      Florians hand verschuift van mijn schouder naar mijn heup. Toch. Toch laat ik mijn hand heel langzaam naar mijn messen gaan, onderwijl mijn gejaagde adem tot bedaren trachtend te brengen. Florian lacht zachtjes, en ik voel hem lichtjes schudden.
      ‘Bij jou wel ja. Ik ben hier niet gekomen je te doden.’ De jongen spreekt zoals gewoonlijk weer in raadsels. Als hij niet gekomen is om me te doden, wat dan wel? Bloemetjes plukken? De paniek is volkomen verdwenen en ik kan weer helder nadenken.
      ‘Pech. Ik wél!’ Vastberaden laat ik mijn zwaard uit mijn hand vallen, hopend dat ik mijn kracht weer terug heb, zodat ik die hand vrij heb voor een mes. Met een ruk probeer ik van hem los te komen, wild uithalend naar zijn zij als het niet lukt. Even voel ik een schok door hem heen gaan, voordat zijn armen me ineens loslaten. Een flits van pijn schiet over zijn gezicht. Zo snel ik kan, spring ik bij hem vandaan, buiten zijn bereik. Echter schiet er een scherpe pijnsteek door mijn voet en komt de grond opeens verbazingwekkend snel op me af.
      Centimeters boven de grond blijf ik wonder boven wonder hangen. De warme hand die zich om mijn arm geklemd heeft, kan er echter niet voor zorgen dat ik met mijn andere zijde tegen de grond klap, maar ook dat maar nauwelijks. Als Florian niet zo bijster snel had gereageerd had het een stuk meer pijn gedaan.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here