‘Praten? Ik geloof niet dat dat nou echt nodig is, Flory.’ Wie hield ik voor de gek, ik genoot ervan om met hem te praten, hem te plagen en pesten. En zonder het bewust te doen, had ik zijn naam afgekort. De zin had sarcastisch moeten klinken, maar volgens mij was het niet echt gelukt. Voor het eerst had ik zijn naam zonder overdrevenheid vervangen en eigenlijk voelde het heel goed. De jongen boven me glimlacht. Zijn hele gezicht lijkt erdoor op te lichten, alsof hij zich heel gelukkig voelt- Ophouden, Aderyn. Doe. Normaal. Maar de waarheid was dat ik hier veel te veel van genoot.
      ‘Ik denk van wel.’ Een spottend geluidje verlaat mijn lippen en sarcastisch rol ik met mijn ogen. Ik meen het niet en dat weet hij zonder twijfel. Het is het spel dat we spelen. Pak me dan, als je kan. Met licht opgetrokken wenkbrauwen kijk ik hem aan, terwijl ik wacht op zijn uitleg. Heel even schiet er een steek van onzekerheid door me heen, me pijnlijk bewust van het feit dat ik niets tegen hem kan beginnen als hij Lichtjes ‘sarcastisch’ wat meer een formaliteit dan werkelijkheid is, wacht ik op zijn woorden. Een korte steek van onzekerheid schiet door mijn buik, wetend dat ik niet kan voorspellen wat hij gaat zeggen. Of doen. Misschien was dit alles wel spel geweest en bevindt hij zich nu in de perfecte positie om me genadeloos te vermoorden. Maar dit is Florian. Dat zou hij nooit doen. Toch?
      ‘Ik vind je leuk, Aderyn.’
      Excuseer, wát zei je?
      Mijn eerste reactie is hem te slaan, de tweede om zonder verdere uitleg hem sprakeloos aan te staren, mijn derde een spottend lachen. Ik houd het bij de tweede.
Hij liegt, let maar op, binnen een paar seconden barst hij in lachen uit en doet hij je alsnog pijn. Florian doet niets, behalve me met een onzeker glimlachje aankijken.
      Of hij steekt een mes tussen je ribben, nu je even niet meer oplet. Nog steeds niets.
      Of hij- ik heb geen enkel excuus meer, waarom hij zou liegen. Tenzij hij gewoon het spel aan het spelen is, maar die reden had ik al gehad. Cabe’s gezicht verschijnt op mijn netvlies. Niet de Cabe uit mijn herinneringen, maar de razende, kwetsende versie. De Cabe van na het interview.
      ‘Meen je dat?’ Mijn zachte, kwetsbare woorden weerspiegelen voor een keer wat ik vanbinnen voel. Eén enkele keer. Ik wil het weten. Of hij het meent. Nu. Nu gaat hij lachen. Zeggen dat hij loog. Nu, let maar op.
      ‘Waarom zou ik daarover liegen? Je weet dat ik dat niet doe.’ Hij glimlacht nog eens. En ik wil hem zo ontzettend graag geloven. Zo ontzéttend graag. Maar het kon niet. Mensen die te dichtbij komen, Aderyn, doen je pijn. Net zoals Cabe. Misschien speelt hij dit alles. Zodat hij dichtbij kan komen, om me uiteindelijk weer pijn te doen. En dat wil ik niet. Nu we zonder spelletjes de waarheid open hebben, dringt de monsterlijke realiteit pas tot me door. Hij moet weg. Het stemmetje heeft gelijk. Er kan er maar eentje winnen. Vroeg of laat zal hij de keuze moeten maken tussen mij, en thuis. Mijn hoopvolle glimlach vervaagt. De keuze is niet eens moeilijk. Wie wil er nou zelf dood zodat een ander kan leven. Dat doet niemand.
      Bovendien wil ik dat niet. Het is maar beter, als hij nooit dichtbij komt. Een nare smaak verspreidt zich in mijn mond, als ik een gemene grijns op mijn gezicht plak. Een immense golf van spijt dreigt me nu al te overweldigen, voordat ik ook maar iets heb gedaan. Dit is de juiste keuze. Hij mag niet nog dichterbij komen. Hij mag niet de mogelijkheid krijgen me pijn te doen. Dat mag niemand. Ik houd zijn blik vast, terwijl ik alle flintertjes liefde verzamel en wegstop. Ergens ver weg, waar het niet meer tevoorschijn komt.
      Om zijn lippen heerst een verwachtingsvolle glimlach, hoewel de onzekerheid in zijn ogen te lezen staat. De angst, voor wat ik ga zeggen. Met maar een paar woorden, kan ik alles kapotmaken. Grondig, en voorgoed. Alles. Het woedende gezicht van Cabe haal ik weer naar boven, met alle pijn en het verraad die erbij hadden gehoord.
      ‘Ga weg, 9.’ Die gefluisterde woorden aan hem, zonder haat, zijn mijn laatste. Een koude toon neemt het over, en bevriest al mijn kwetsbare emoties. Koud en onverschillig staar ik de jongen aan. Zijn hoop, dromen en verlangens, ik houd het allemaal als een tere glazen bol in mijn hand. Ik zou hem breken, voor altijd.
      ‘Je begint me te irriteren.’

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here