||Diana Cassandra Volturi

Ik wist niet dat Paul zo hard in zijn mensengedaante kon hardlopen. Uiteraard, als je kijkt naar de lengte van zijn benen en de spieren die er als een soort marmeren kunstwerk omarmen, zou je verwachten dat hij snel kan rennen. Maar in de paar maanden die ik hem ken heb ik nog nooit moeite hoeven te doen om hem bij te houden. Mijn longen branden zowaar als we eindelijk de laatste traptrede op zijn en ruw trek ik mijn hand uit de zijne.
      Paul kijkt verbaast over zijn schouder en begint op een haast beledigende manier te lachen.
      Ik rol met mijn ogen en trek mijn neus naar hem op. 'We kunnen nou helaas niet allemaal zo atletisch zijn als jij en je vrienden, Paul,' zeg ik nadrukkelijk, terwijl ik nogmaals met mijn ogen rol.
      'Aan het atletische zal het niet liggen,' zegt Paul met een glimlachje. Hij slaat zijn arm om mijn schouders en trekt me zachtjes tegen zijn warme lichaam aan. 'Je bent alleen een beetje klein.'
      'Komt alleen maar door het feit dat ik elf eeuwen geleden geboren ben en de gemiddelde lengte zo'n elf centimeter korter dan nu was,' zeg ik schouderophalend. Ik trek even een nonchalant gezicht en steek dan mijn tong uit naar Paul.
      Het is ongelofelijk hoe erg een persoon in een paar maanden kan veranderen. Van een weerwolf-hatende, eeuwenoude, kille vampier met vier vrienden ben ik veranderd naar een half menselijk wezen met een vriendje als weerwolf en een pack vol vrienden. De wereldwonderen zijn zeker de wereld nog niet uit.
      Paul duwt de deur van het kantoor van Carlisle over en zijn arm glijdt van mijn schouder. Dat kan ik waarderen. Ik mag dan wel elf eeuwen leven en de verandering van formaliteit naar klefheid met mijn ogen aanschouwd hebben, maar dat betekent niet dat ik er zelf een handje in wil hebben. Ontzettend ouderwets, natuurlijk, maar ja. Sommige gewoontes verdwijnen nooit.
      'Cas,' begint Carlisle gelijk met een stem die mijn lichtelijk sarcastische stemming gelijk doet om laten slaan.
      Carlisle zit achter zijn bureau, zijn handen in elkaar gevouwen en een frons op zijn gezicht die me niet aanstaat. Aan de ene kant van zijn bureau staat een enorme stapel met boeken die waarschijnlijk uit de veertiende eeuw komen, want ze zijn slecht gebonden en staan op instorten en aan de rechterkant van zijn bureau ligt een enkele brief. En op die brief staat mijn naam in een handschrift die ik uit duizenden herken.
      'Demetri?' vraag ik met opgetrokken wenkbrauwen. De verbazing is duidelijk in mijn stem te horen en vragend richt ik mijn ogen op Carlisle. Ik heb geen eens oogcontact met Demetri durven te maken, realiseer ik me nu. Mijn beste vriend.
      'Ja,' antwoordt Carlisle simpelweg. Hij schuift de brief mijn richting in en vouwt daarna zijn handen weer statig in elkaar. 'Emmett vond de brief in de tuin. Waarschijnlijk heeft hij het zo subtiel als mogelijk uit zijn mantel geschud tijdens het vertrek. De enige reden die ik daarvoor zie is omdat hij het niet mocht doen, of hij had de brief wel persoonlijk afgeleverd.'
      Ik knik instemmend, terwijl ik de stugge envelop in mijn handen neem. 'Eens kijken wat Demetri te melden had.'



-oH My GosH. Dat heeft echt ontzettend lang geduurd, maar eindelijk, eindelijk is het hoofdstuk er! Sorry guys en hopelijk vonden jullie dit een oké hoofdstukje! Love you alllll

Reacties (2)

  • LarryNiam

    Oehhh ik ben zo benieuwd:)

    1 jaar geleden
  • VampireMouse

    Owwwwwww ik wil die brief lezen!!!! Spannend!!
    Leukleukleuk

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here