Foto bij Hoofdstuk 30

De dag voor vertrek stond ze met een slecht gevoel op. De stilte in het huis bevestigde alleen maar voor haar dat ze niet de enige was die zich zo voelde. Ergens hoopte ze dat iemand iets zou zeggen en dat iedereen dan eindelijk zou instemmen, dat ze eindelijk zouden zien dat het echt een slecht idee was. Een afschuwelijk idee. Het gebeurde niet.
Ze sloegen minimale voorraden in, en diep van binnen wist Rowan dat ze de pirateneilanden niet zouden halen. Filip hoopte dus niet alleen op de Sguaba, hij rekende erop.
      Toen ineens kwam er een verschrikkelijke gedachte in haar op, één waarvan ze geschokt was dat ze het niet eerder had bedacht: wat als Filip hen in de val probeerde te lokken? Hij wist dat ze op zoek waren naar een schat, en hij wilde daar vast wel een deel van. Zelfs als hij vermoedde dat de schat haar huid was, kon dat alsnog veel opbrengen op de zwarte markt. Dat moest hij weten, als piraat. Ex-piraat. Wat dan ook.

De eerste kans die ze kreeg om iemand aan te spreken, was toen Faraj en zij zijn geïmproviseerde hangmat aan het opruimen waren.
      “Heb je er ooit aan gedacht dat Filip ons misschien wel zal verraden?” vroeg Rowan hem.
      Hij knikte langzaam en dempte zijn stem. “Ja. Ik heb het overwogen.”
      “En?”
      “En ik denk het niet. Ik zou niet weten hoe, of waarom.”
      “Om mijn huid te pakken te krijgen.”
      Faraj schudde zijn hoofd. “Niemand heeft belang bij je huid behalve jij.”
      “Faraj, er is iets wat ik je niet heb verteld.”
      Hij keek verbaasd op. “Wat is dat?”
      “Hij was een piraat.”
Faraj stopte met vouwen. “Wat?”
      “Ik weet niet precies hoe het zit, maar hij vertelde me dat hij hiervoor een piraat was. Dat hij vertrok om met Elis samen te zijn.”
      “Weet je het zeker?”
      “Hij zei het zelf,” antwoordde ze. “Ik weet niet waarom hij zou liegen.”
      Faraj zweeg.
      “Faraj?”
      “Het zou een val kunnen zijn,” zei hij langzaam. “Daar heb je gelijk in.”
      “Ja!” riep ze uit. “Eindelijk.”
      “Maar we hebben geen keuze, Rowan. Het is of dat of hier blijven.”
      “Ik blijf liever hier.”
      “Hij was hier net zo goed een piraat als daar.” Hij pakte het vouwen weer op. “En hij heeft ons hier ook niet in een val gelokt.”
      “Hoe zou hij dat moeten doen?”
      Faraj haalde zijn schouders op. “Hij had vast wel een manier kunnen vinden als hij het wilde.”
      “Ik kan het niet geloven,” zei ze. “Ik dacht dat jij het juist met me eens zou zijn.”
      “Rowan.” Hij greep naar de rapier aan zijn zijde, die gelukkig aan zijn riem was blijven hangen door alle ellende heen. “Ik laat ons niet zomaar in een val trappen.”
      Als hij dacht dat ze daardoor gerustgesteld zou worden, had hij het flink mis. Wat kon hij alleen doen tegen een heel schip tegen piraten?
      “Ik ben op mijn hoede,” zei hij. “Ik beloof het.”
      Ze schudde haar hoofd. “ We staan geen kans.”
      “Luister, alle piraten die ik kan vermoorden, is er één. En als ik Cowell in handen krijg – ”
      “Je krijgt Cowell niet in handen!”
      “Niet alleen voor mijn vader, Rowan, maar voor jou. En voor wat hij jou heeft aangedaan.”
      Ze glimlachte. “Dat is lief. Denk ik.”

Ze wist niet wat ze moest denken van Faraj’s woorden, maar ze probeerde er niet teveel aan te denken. Ze had er toch niets aan. Diep in gedachten pakte ze een tas voor haarzelf in en botste tegen Elis op.
      “Sorry,” zei ze, “mijn schuld. Ik keek niet uit.”
      Elis was weer gehuld in de witte jurk dat aangaf dat ze het water in zou gaan.
      “Het geeft niet. Ik keek ook niet uit.”
      “Jawel, ik was gewoon diep in gedachten.”
      “Maak je je zorgen?”
      Rowan zuchtte. “Ja. Het is nogal een risicovol plan.”
      “En je vertrouwt Filip niet.”
      Haar mond viel open. Oh nee. “Wat?”
      “Ik hoorde je praten.”
      “Oh. Oh god, het spijt me.”
      “Nee.” Ze lachte. “Ik snap het wel. Ik ontmoette hem toen hij nog een piraat was.”
      “Ja?”
      “Ja. Het is een lang verhaal.”
      “Lang genoeg om niet meer te vertellen voor we vertrekken?”
      “Goed dan.” Ze lachte weer en leidde haar naar buiten. “De korte versie is dat ik hem bijna verdronk. En toen keek hij me aan met die grote smekende ogen van hem en ik kon het gewoon niet.”
      “En al die andere mannen die je verdronken hebt dan?”
      “Er waren nooit anderen. Hij zou de eerste zijn, en… hij werd niet eens de laatste.”
      “Wauw.”
“Rowan,” zei ze, terwijl ze in haar ogen keek, “ik zag iets in zijn ogen die dag. Ik wist dat hij goed was, diep van binnen. En ik kon het niet. Ik kon hem niet verdrinken.”
      “Hoe weet je dat je gelijk had?”
      Ze denkt even na. “Dat weet ik niet. Misschien zal ik het nooit weten. Maar dat zal me niet stoppen het te proberen.”
      Ze knikte. “Ik snap het. En ik hoop dat je gelijk hebt.”

Het bootje leek nog kleiner met zelfs de minimale bagage die ze mee hadden genomen. Heel even vroeg ze zich af of ze überhaupt allemaal zouden passen, maar toen herinnerde ze Elis’ witte jurk.
      “Weet je zeker dat je dit hele stuk wilt zwemmen?”
      Ze knikte. “Zwemmen is natuurlijk voor mij. Meer natuurlijk dan varen.”
      “Het is zo lang geleden voor mij,” antwoordde Rowan dromerig.       “Zwemmen. Echt zwemmen, niet dat geklungel dat mensen doen.”
      “Ik moet toegeven dat het er niet uit ziet. Maar,” fluisterde ze, “niet tegen Filip zeggen.”

Rowan was de laatste die in het bootje ging zitten. Ze perste zich naast Devan, en staarde over het water. Het was alsof ze nu pas de gevaren van het water snapte. Gevaren die er natuurlijk altijd al geweest waren, maar die nu zo meer echt voelden, nu ze ooit was opgeslokt door de golven. Het maakte haar aan het rillen.
      Het zou allemaal weer goed komen als ze haar huid weer had. Dan was ze weer de meester van de golven. Dan zou ze weer zijn wie ze moest zijn.

Reacties (1)

  • Delahaye

    Oh Rowan.... Ik hoop dat Ellis je overtuigd heeft.

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here