Foto bij H.141.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Matthew begint net weer aan een nieuwe kwellende anekdote, wanneer hij opeens abrupt wordt onderbroken door een harde knal. Het is een pistoolschot. Er breekt buiten een vuurgevecht uit.

Matthew houdt midden in zijn zin op en kijkt met een ruk op. Gespannen wacht ik op een volgend schot, wat na een paar seconden gelost wordt. Achter me merk ik dat Evan ineenkrimp. Ik, daarentegen, kan alleen maar onbeweeglijk blijven zitten.
'Shit,' vloekt Matthew en hij brengt zijn hand naar zijn oor, waar een comminucatieapparaat vast is gemaakt aan zijn oorschelp. 'Eli, wat is er verdomme aan de hand?'
Het antwoord bevalt hem duidelijk niet, want hij maakt een grommend geluid, waarna hij boos snauwt: 'En niemand kon even op de uitkijk staan om in de gaten te houden of er een instabiele, gewapende gek aan komt zetten?' Die beschrijving geeft me om eerlijk te zijn het idee dat het James is die hier naartoe is gekomen en blindelings een vuurgevecht is begonnen, maar misschien moet ik iets meer vertrouwen in hem hebben en niet zo snel een conclusie trekken.
Matthew is even stil en schudt dan zijn hoofd, alsof Eli hem ook echt kan zien. 'Laat maar. Geen excuses. Kom hier heen.'
Minder dan een twintig seconden later, holt Eli naar binnen. Hij ziet er onzeker uit. Het is vreemd om iemand zo wreed en hard als hem twijfelend te zien. Matthew gebaart naar Evan en mij en gebiedt hem: 'Let op hen terwijl ik weer alle problemen op ga lossen.'
Eli opent twijfelend zijn mond en brengt na een paar seconden uit: 'Ik... ik kan misschien beter helpen door-'
'Spreek je mij tegen? Hoor ik dat serieus goed?' vraagt Matthew dreigend. Het is een vreemde machtsverhouding. De twee mannen zijn wel even lang, maar Eli is haast twee keer zo breed en duidelijk sterker. Toch schudt de man haastig zijn hoofd.
'Nee. Nee, is goed,' sputtert hij en na een ferme knik met zijn hoofd loopt Matthew de ruimte uit.
Eli haalt gefrustreerd een hand door zijn haar. Dan laat hij zijn blik op mij rusten en ik weet meteen al dat ik het slachtoffer ga zijn van alles wat er vandaag bij hem is misgegaan. Ik krimp ineen wanneer hij naar me toeloopt en met een vlakke hand slaat hij me in mijn gezicht. De klap weergalmt door de ruimte en ik maak een klein geluidje. Als hij het met zijn vuist had gedaan, was het pijnlijker geweest, maar mijn wang brandt alsnog en ik kan het niet helpen dat er tranen in mijn ogen prikken.
‘Ik had niet echt een reden,’ beantwoordt hij de vraag die ik niet eens gesteld heb. ‘Ik wilde gewoon iets slaan en jij kan niets terugdoen.’
Alleen hij kan zoiets niet eens een héél klein beetje verontschuldigend laten klinken. Ik hoor hoe Evan, die nog altijd achter me zit, een zachte bedreiging gromt en ondanks dat hij dat niet eens kan zien, kijkt Eli giftig in zijn richting en werpt hem een waarschuwende blik toe.
Net wanneer hij zijn mond opent om weer iets te zeggen, wordt hij onderbroken door een nieuw pistoolschot, dit keer dichterbij. Hij kijkt over zijn schouder naar de deur, zijn houding gespannen. Ik besluit misbruik te maken van zijn onoplettendheid, hoe oneerlijk dat misschien ook is. Ik weet niet precies waarom ik medelijden met hem heb.
Nadat Matthew me bewusteloos heeft geslagen, heeft hij me weer vastgebonden op de stoel, maar mijn benen is hij vergeten vast te maken. Onhandig sta ik op en draai me om. Een van de stoelpoten laat ik hard neerkomen op zijn voet. Ik gooi mijn hele gewicht erachteraan en ik hoor zijn voet breken, gevolgd door zijn geschreeuw van pijn.
Hij duwt me van zich af en ik val op de grond, waarbij de stoel kapot gaat. Een houtsplinter schrampt mijn arm, maar ik voel de pijn niet, zie alleen het bloed.
Een beetje duizelig van de klap weet ik de touwen van me af te slaan en als ik Eli aankijk, zie ik tranen in zijn ogen, maar al snel verandert de pijn in zijn blik in woede en hij grijpt naar zijn pistool. Hij schiet op me, maar mist. Voordat hij opnieuw heeft kunnen herladen en schieten, ben ik al bij hem en omdat zijn handen trillen, kan ik het wapen zo afpakken.
Hij probeert mijn haar vast te grijpen, maar ik trap op zijn gewonde voet en duw hem met mijn schouder om. Ik richt het pistool op hem en vanaf de grond kijkt hij terug. Ik kan zijn blik moeilijk lezen. Ik weet niet precies wat ik zie. Schaamte? Pijn? Haat? Verdriet? Angst?
Met trillende handen blijf ik naar hem kijken, het wapen op zijn hoofd gericht. Hij ziet er zo hulpeloos uit, zo onschuldig. Het voelt alsof ik hem ga executeren. Ik wil niet schieten. Ik wil het niet.
Maar dan probeert hij overeind te komen. En ik schiet in een reflex. Er komt een schreeuw over mijn lippen terwijl ik de trekker overhaal.
Totaal in shock kijk ik naar hem en met levenloze, grote ogen kijkt hij terug. Ik heb hem doodgeschoten. Ik heb hem vermoord.
Het pistool glipt tussen mijn vingers door en ik breng een hand naar mijn mond om de gil te dempen.
Zo veel bloed.
Gedempt hoor ik Evan mijn naam roepen, maar ik ben volledig in trance en het voelt alsof ik in een soort luchtbel zit en alles daarbuiten wazig is, er niet langer toe doet. Mijn oren suizen en het pistoolschot echoot door in mijn hoofd.
‘Gioa?!’ roept Evan dan opnieuw en ik hoor de rauwe paniek in zijn stem. Hij weet niet of het ik of Eli is die net is neergeschoten. Het is genoeg om me weer naar de werkelijkheid toe te trekken.
‘Ja?’ reageer ik, wat misschien wel het meest onbenullige antwoord is wat ik in deze situatie zou kunnen geven.
‘Gaat het?’ vraagt hij met bezorgde, trillende stem.
‘Nee,’ antwoord ik schor en ik slik. Mijn keel blijft droog en het voelt alsof iemand hem dichtknijpt.
Ik stop het pistool weg in mijn broeksband en zak op mijn knieën bij Eli’s lijk. Ik doorzoek zijn zakken tot ik een mes vindt. Ik kijk naar mijn eigen bewegingen. Het voelt niet alsof het míjn handen zijn die dit doen.
Overweldigd loop ik naar Evan toe. Ik kan niet ophouden met beven. Mijn handen, mijn knieën, mijn hele lijf. Alles beeft en schokt en weigert mee te werken. Het verbaast me dat het me lukt om de touwen rond zijn polsen en enkels los te snijden zonder hem per ongeluk ook te raken met het scherpe lemmet.
Hij komt overeind uit de stoel en mijn adem stokt in mijn keel wanneer ik zijn polsen zie. Die van mij zijn ook wat rood van het tegenstribbelen en trekken aan de onverbiddelijke boeien, maar de zijne zijn haast helemaal ontveld. Het is één grote schaafwond.
Ik weet dat ik zijn blik niet langer kan ontwijken en twijfelend kijk ik naar hem omhoog. Er zit een snee in zijn wenkbrauw en zijn kaak is blauw en gezwollen. Hij ziet er moe uit en hij heeft een blauw oog.
Ik zie ook meteen dat hij gespierder is geworden, wat me vertelt dat hij nadat ik weg ben gegaan gelijk weer overdreven is gaan sporten. Ik weet zeker dat wanneer we weer bij zijn huis aankomen - als dat überhaupt gebeurt - ik zal zien dat hij de bokszak weer opgehangen heeft, net zoals voordat ik echt in zijn leven kwam. Het is me wel duidelijk dat zijn knokkels niet alleen gebarsten zijn omdat hij misschien terug heeft gevochten toen ze hem ontvoerden.
Hij kijkt naar me terug alsof ik een spook ben. Zo zie ik er waarschijnlijk ook uit. Ik ben bleek en afgevallen en uitgeput. Ik draag een wit shirt met gele mouwen, maar het is helemaal roodgekleurd van mijn eigen bloed en kleeft aan mijn huid. Ik voel me ellendig.
Alsof hij niet helemaal zeker weet of ik wel echt ben, steekt hij vertwijfeld een hand naar me uit, maar hij trekt hem weer terug. Misschien wil hij het niet weten, of misschien haat hij me. Misschien wel allebei.
‘Heb je...’ Hij slikt en aarzelt een paar seconden. Kort werpt hij een blik op de plek waar Eli op de grond ligt. ‘Is hij dood?’
Een mooie manier om het te verwoorden. Het lijkt zo bijna alsof hij gewoon met een hartaanval ineen is gezakt, in plaats van dat ik hem heb vermoord.
‘Ja,’ antwoord ik hees en in veeg verbeten de tranen uit mijn ogen.
Buiten klinken er weer een paar pistoolschoten, gevolgd door geschreeuw. Hij kijkt even gespannen naar de deur, alsof hij elk moment verwacht dat er iemand doorheen zal springen.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt hij.
‘Geen idee,’ antwoord ik en ik bijt op mijn lip. Het is verschrikkelijk verleidelijk om even een paar minuten de tijd te nemen om te rusten, maar we moeten hier zo snel mogelijk vandaan. Ik wil zijn pols vastpakken, maar dan herinner ik me de schaafwonden weer, dus ik pak Eli’s pistool weer vast en begin naar de deur te lopen. ‘We moeten gaan.’

Reacties (1)

  • Luckey

    Oh boy
    Dat word nog heel spanned

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here