Foto bij Hoofdstuk 18.5

      Een vreemd, paars licht omhulde Aileen in haar droom. Het leek op een visioen, maar de ruimte om haar heen was leeg en er dreunde een hard gebonk op de achtergrond. Een afbeelding van een zwarte slang, omringd door een krans, schoot door haar hoofd. Een stem klonk op de achtergrond, maar ze kon niet horen wat de persoon zei.
      "Aileen!"
      Bezweet schoot ze overeind. Met grote ogen keek ze naar Thórir, die haar net zo geschrokken aankeek. Zijn mond viel kort open, waarna hij met zijn hoofd schudde en fronste, "Sorry als je, nou ja..." Hij gebaarde naar haar oog, "...bezig was. Het is Zolin. Hij voelt zich niet goed. Kun je komen kijken?"
      "Oh, uh, uiteraard!" Zodra ze was bekomen van haar plotselinge ontwaking, sprong Aileen uit bed en holde ze achter Thórir aan, haar beddengoed om haar heen geslagen tegen de Albense kou.
      In de jongenskamer lagen twee simpele, lage bedden. Ze hadden genoeg dekens, maar alsnog was Zolin als een gek aan het huiveren. Aileen ging snel naast hem zitten, Thórir aan de andere kant, en sloeg haar eigen deken over hen heen, zodat ze de warmte konden delen. Voorzichtig pakte ze een van Zolins handen vast, maar zodra ze zijn handpalm aanraakte, voelde ze dat die gewoon warm was.
      "Het is ook geen koorts," zei Thórir zodra hij haar verwarde blik zag, "Hij bibbert gewoon om niks."
      "H-het is geen ziekte," mompelde Zolin zelf zwakjes, "Ik mankeer niks."
      "Ik ga hulp zoeken." Aileen stond direct op. Ze deelde een bezorgde blik met Thórir, maar ze beet op haar lip en fronste, "Blijf bij Zolin."
      "Ja, graag!" Thórir klemde zijn kiezen op elkaar zodra hij de gure wind door de kasteelgangen hoorde razen en stak een aanmoedigende duim op naar Aileen, "Succes, svass!"

      Voorzichtig begon Aileen de gang door te lopen. De hal was pikzwart. Ze moest met haar handen over de muur wrijven om haar weg te vinden. Ergens moest een lichtje branden. Er was vast nog een dienstmeid wakker, of een wachter. Waar was iedereen in deze hoek van het kasteel?
      Na een plotselinge bocht in de gang, zag Aileen eindelijk een spleetje licht onder een deur vandaan komen. Snel holde ze ernaartoe en bleef ze enkele seconden aarzelend stilstaan, waarna ze toch besloot de deur open te trekken.
      "Cedric, nogmaals, ik hoef geen-" De prins keek geschrokken op van zijn perkament toen hij Aileen in de deuropening zag staan. Hij was gekleed in lange losse slaapkledij en had diverse stukken verband om zijn lichaam heen gewikkeld. Meer kon ze niet zien. Direct doofde hij zijn olielamp, verdween het vuur uit zijn open haard, en sprong hij in zijn bed, "Ga weg. Ik slaap. Verdwijn, voor ik de wachters roep."
      "Wacht! Ik heb je hulp nodig! Mijn vriend voelt zich niet goed. Hij bibbert, maar hij is niet koud. Hij is voor de rest kerngezond!"
      Zhelimir keek haar in alle stilte aan. Het maanlicht scheen precies door zijn raam heen, waardoor Aileen duidelijk kon zien hoe de prins fronste. Even leek het alsof hij haar echt weg zou sturen, alsof hij haar zou opdragen het zelf op te lossen, maar toen sloeg hij zijn ogen neer en zuchtte hij, "Jullie zijn echt magiërs, hè? Hideki zei het me. Ik weet al waar het door komt. Laat mij maar."
Stilletjes sloop hij weer uit zijn bed, waarna hij met een simpele handbeweging zijn olielamp weer liet oplichten. Fronsend liep hij Aileen voorbij, de gang in, waar ze hem snel naar volgde.
      Na enkele stappen kwamen ze terug bij de kamer van de jongens. Thórir zat al op zijn eigen bed, vanaf waar hij wantrouwig naar de prins gluurde. Zhelimir zette nonchalant zijn lamp neer op het nachtkastje, waarna hij emotieloos naar Zolin staarde. De elfenjongen leek al iets opgeknapt. Zijn huid was minder bleek en hij bibberde een stuk minder. Zhelimir knipte kort in zijn vingers, waardoor Zolin opkeek en verwachtend naar hem staarde. Wederom lichten de ogen van de prins op met een indigo licht en scheen de tatoeage op zijn voorhoofd door het dunne verband dat hij om zijn hoofd had geslagen. Hij trok een grimas en prikte met zijn wijsvinger tegen Zolins voorhoofd, waarna hij beide elfen een kort commando gaf, "Slaap."
      Direct viel Zolin omver, half snurkend, alsof hij al die tijd al diep in slaap was gevallen. Thórir lag net zo vertoevend in het aangrenzende bed, zijn armen strak om zijn kussen heen geslagen. Met opgetrokken neusvleugels gooide de prins de juiste dekens over de twee heen en mompelde hij, "Oké. Misschien werkt markeren niet zo goed bij aanhangers van de andere god. Laat staan gelovige magiërs..."
      "Je bent een aanhanger van Ahote?"
      Zhelimir keek Aileen als antwoord enkel met een lege blik aan. Hij stroopte zijn mouwen op, waar ze subtiel een hint van indigo tussen linnen lappen kon zien, en wreef zijn handen samen om een klein vonkje te maken. Hij blies zachtjes in zijn handpalm en creëerde daarin een vlam, waarmee hij vervolgens de open haard van de jongens mee aanstak. Met een pufje doofde hij het vuur in zijn handen weer, waarna hij zijn olielamp weer oppakte en richting de deur liep. Voordat hij naar buiten stapte, draaide hij nog om met een zucht, "Houd hem warm. Hij moet gewoon wennen aan mijn vreemde energie. Vandaag of morgen is het voorbij."
      "Wat voorbij?" Aileen fronste verward, maar Zhelimir schudde alleen met zijn hoofd.
      "Laat maar," begon hij, "Het is niks belangrijks. Slaap, nu. Morgenvroeg is er een vergadering, waarschijnlijk een waar jij aanwezig zal zijn. Ik neem aan dat een ijsprinsesje geen nachtvuurtje nodig heeft?"
      Voordat Aileen iets terug kon zeggen, was de prins al weggelopen. Verslagen staarde ze naar de deuropening, naar de twee slapende jongens, en besloot ze dat dit alles haar hoofd te boven ging. Met een zucht liep ze terug naar haar eigen kamer, deken in hand, en plofte ze op haar bed neer. Als Zhelimir inderdaad een volgeling van Ahote was, was hij misschien wel degene waartegen Aiyana haar gewaarschuwd had.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here