Foto bij Hoofdstuk 33

Rowan werd wakker met haar hoofd tegen de paal, en wakker worden betekende dus dat ze geslapen had. Ze had geen enkele herinnering van in slaap vallen of dromen, maar de zon kwam op en haar maag knorde. De honger zette in.
      Natuurlijk verwachtte ze geen schip bij het eerste sein van trek, maar toch keek ze naar de horizon. Het was stil, als altijd.
      “Ik begin te begrijpen waarom mensen hier gek kunnen worden,” zei Devan met een zucht. “Ik heb de meest bizarre dromen gehad.”
      Rowan zuchtte. “In elk geval heb je geslapen.”
      “Dat is waar.” Devan grijnsde. “Maar ik wed dat ik de eerste ben die gek wordt. Ik bedoel, ik heb de dromen, nu al honger, en deze hoofdwond kan niet helpen.”
      Devan’s humor was maar een schrale troost, want eigenlijk sprak ze uit wat iedereen wist: het zal slecht met hen eindigen, of ze nou gek werden van de zee of de honger of de dorst, of gewoon op een dag zouden neervallen, dit verhaal zou geen gelukkig einde krijgen. Waar ze op hoopten, op wachtten, was niets minder dan een wonder.
      Ze mocht dan in selkies geloven, maar ze geloofde niet in wonderen.
Ze staarde naar de mast, en vroeg zich af of ze op pure windkracht terug zouden kunnen varen naar Hynvèn. Ze had geen idee hoe of waar ze heen moest, maar Faraj misschien wel, met of zonder kaart. Maar zonder sturing waren ze overgeleverd aan de zee, en de waarheid was echter dat ze er helemaal geen wind was, geen enkele verlichting van de hete zon die op haar huid brandde. Warm was het niet, nee, echt warm werd het hier nooit, maar het brandde.
      Devan’s hoofdhuid was het eerste dat rood verbrandde. Het tweede was Rowan’s wangen. Alleen Faraj, wiens huid donkerder was, leek er geen last van te hebben.
      “In de woestijn thuis,” vertelde hij, “winden we vaak doeken om ons lichaam om ons tegen de zon te beschermen.”
      Davon zuchtte. “Dit voelt net een woestijn, gemaakt van water. Ondrinkbaar water.”
      Faraj trok aan zijn shirt en met een scheurend geluid liet de stof los.
      “Hier,” zei hij. “Bij ons noemen we zoiets een tulband, maar daar hebben we niet genoeg stof voor.”
      Devan boog automatisch haar hoofd en Faraj drapeerde de stof om haar hoofd heen. Rowan dacht dat het meteen zou loslaten, maar dat deed het niet. Ook toen ze haar hoofd bewoog, bleef het vast zitten. Een stuk onderbuik was nu zichtbaar, maar het leek Faraj niet te storen. Hij glimlachte bemoedigend naar Devan.
      De dorst zette in voordat de echte honger op kwam zetten. De opmerking over ondrinkbaar water echode na in haar hoofd. Nu wist ze nog dat het zout haar nog dorstiger zou maken, maar toch trok het water haar aan. Ze wilde niet denken hoe het zou veranderen na nog een dag. Nog een dag in de zon, in de boot… Ze miste haar huid, ze miste haar ware vorm, en ze droomde over de zee, en de zandbanken, en vis tussen haar tanden tot haar dagdromen veranderden in dromen.
      “Dit was een slecht idee.”
      Rowan had niet eens meer door dat ze het hardop zei. Ze wist eigenlijk niet eens meer zeker of ze wakker was of sliep. Maar Filip antwoordde.
      “Ja. Ik weet het.”
Ze zou reageren als ze daar de energie voor had, maar haar mond opendoen l      eek al teveel. Dus ze staarde naar het water, waar ze eenzaam dobberden. Wat een dom idee. En wat dom dat ze hier ooit akkoord mee was gegaan. Als ze haar huid had gehad, had ze die omgedaan en iedereen --
Nee, dat was niet waar. Ze zou de mensen hier nooit kunnen achterlaten. Zelfs Filip met zijn idiote ideeën en zijn piratenverleden, of heden, of wat dan ook. Ze was gaan geven om hem, ondanks alles. Wat een ellende.
      Ze zou willen dat het regende. Niet alleen omdat die ellendige zon dan zou verdwijnen, maar vooral om het water. Hoe ironisch om te vergaan van de dorst in een boot dobberend in water. Zout, ondrinkbaar water.
      Als zeehond haalde ze haar water uit de vissen die ze ving. Ze zou willen dat ze er één kon vangen hier, maar ze had in haar eerste dagen als mens geleerd dat mensen dat niet konden. Handen, die zo goed waren voor het grijpen van alles, behalve van vis. Vis moest nu van de markt komen, gevangen door andere handen. Nee, netten. Netten en hengels. Mensen vond ze raar. Eigenlijk nog steeds. Nutteloos waren ze, op hun eigen manier. Compleet nutteloos.
      Ze wist niet waar de tweede dag eindigde en waar de derde begon. Ze wist niet of de derde dag ooit begon, want ze kon niets anders meer doen dan aan water denken. Water, dat klotste onder hun boot en haar naam riep. Ze praatten niet meer, maar ze zag hetzelfde verlangen naar water op de gezichten van haar medereizigers. Ze leken dunner zelfs, maar eten leek al lang niet meer relevant, ondanks dat haar maag knorde.
      Af en toe droomde ze van schepen. Schepen in de lucht en schepen op het water en zelfs schepen onder het water. Schepen met water, zoet water. Zoveel schepen en water en elke keer als ze haar ogen opende zocht ze naar de schepen, en ze waren er nooit.
      We gaan hier sterven, bedacht ze. Ik sterf als mens.

Reacties (2)

  • Lancome

    Oké of;
    ze vinden net het schip als ze op het punt staan te sterven
    of;
    ze worden gevonden door piraten (en laat filip die toevallig kennen!!!)
    of;
    ze gaan dood lol

    1 jaar geleden
  • Delahaye

    Oh noooo, de redding lijkt nog niet in zicht :C

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here