Foto bij H.143.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Als ik minder moe was geweest, had ik misschien op tijd herkend welke auto het was, maar omdat dat niet het geval is, herken ik pas wanneer de bestuurder uitstapt dat het James is die ons gevonden heeft.

'James.' Het komt als een snik over mijn lippen. Ik begin sneller te lopen en ook hij holt op ons af. Zodra hij binnen gehoorsafstand is, raap ik mezelf weer bijeen en zeg ik: 'Evan moet naar het ziekenhuis.'
Zodra James bij ons is, plant hij met een lijkbleek gezicht een hand op Evans borstkas en duwt hem grof van me weg. Even ben ik doodsbang dat hij om de een of andere reden besloten heeft hem in elkaar te slaan, maar hij heeft alleen maar oog voor mij, voor het bloed op mijn shirt.
Met één hand draait hij voorzichtig mijn gezicht omhoog en iets opzij, zodat hij de snee in mijn hals kan zien. Door de klap die ik erop gekregen heb, is het weer gaan bloeden.
'Jezus Christus, Gioa. Jíj moet naar het ziekenhuis. Wie heeft dat gedaan? Eli? Steve? M...' Zijn stem sterft weg en ik denk dat ik weet wat zijn volgende gok is, maar hij krijgt het niet over zijn lippen.
'Matthew,' bevestig ik. Ik vraag niet hoe hij in hemelsnaam al die namen weet. Ik wil alleen maar weg hier.
Onzeker raakt hij de wond aan, wat ten eerste helemaal geen nut heeft en ten tweede verschrikkelijk veel pijn doen. Door de onverwachtheid van zijn idiote actie, komt er voordat ik het tegen heb kunnen houden een schreeuw over mijn lippen. Alsof hij zijn hand aan me verbrand heeft, trekt hij zich terug.
'We moeten gaan,' zeg ik dan, omdat hij blijkbaar te geschokt is van mijn toestand om dat zelf te beslissen. Hij knikt en draait zich om.
Ik loop snel naar Evan toe, die nog een beetje wankel op zijn benen staat vanwege de duw. Ik pak zijn hand vast en sla zijn arm om om schouders heen om hem te ondersteunen. We lopen naar de auto en gaan op de achterbank zitten. James start de motor en rijdt hard weg. Evan zit met zijn ogen gesloten en zijn kaken opeengeklemd naast me. Zijn achterhoofd rust tegen de hoofdsteun en het ziet eruit alsof hij doodmoe is.
'James, wat is er aan de hand?' vraag ik, mijn stem kalmer dan ik me voel. Ik ben voorbij doodsangst, voorbij paniek en voorbij paranoia. Ik ben zo gestresst, dat ik kalm ben. Mijn hart voelt als marmer: glad en hard en zonder gevoel. Ik heb dat wel eens eerder gehad, op momenten dat ik sterker moest zijn dan ik ben. Het zorgde ervoor dat ik alle horror overleefde en daarbij anderen kon beschermen. Ik ben verontrustend goed geworden in angstaanvallen voor me uit schuiven.
'Ik leg het later wel uit,' zegt hij ontwijkend.
'Nee.' Ik wil er eerst nog iets achteraan zeggen, maar dan besef ik me dat dat ene woord de lading wel goed dekt en ik zwijg.
James knijpt zijn het stuur, zo hard dat zijn knokkels wit worden en ik de pezen in zijn hand kan zien. Hij kijkt me in de spiegel gefrustreerd aan. Dan zucht hij en zegt hij: 'De ontvoering heeft niks met jouw moord op Drax te maken.'
Dat had ik al wel door toen Matthew me dat letterlijk vertelde om me te treiteren. Ik wil juist weten wat het wél is.
'Waarmee dan wel?' vraag ik daarom.
Hij ontwijkt mijn vraag en snijdt een nieuw onderwerp aan. 'Ik had het adres gekregen van waar jullie gevangen zaten en toen ik ernaar toe reed, zag ik dat er een vuurgevecht bezig was. Een concurrerend kartel viel hen aan. Ik was in eerste instantie van plan als een soort idioot zelf in te breken en jullie te bevrijden, maar dat kon dus niet. Ik was van plan om te wachten tot het gevecht afgelopen was. Maar toen waren jullie al ontsnapt.'
'Dat geeft geen antwoord op mijn vraag.'
Ik zie in de spiegel dat hij op zijn lip bijt en er komen tranen in zijn ogen, die hij met één hand boos wegveegt. Aan de ene kant besef ik me dat ik het niet had moeten vragen, maar aan de andere kant kan ik niet anders dan denken dat het juist van belang is dat ik het weet.
'Kan ik dat een andere keer vertellen?' vraagt hij schor.
Ik had eigenlijk willen zeggen van niet, dat dat helemaal niet kan, dat ik recht heb op een antwoord, maar zijn gebroken stem en waterige ogen zijn genoeg om mij te laten zwichten. 'Oké.'
'Ik dacht dat jij dood was,' zegt Evan dan en hij klinkt boos. Ik kijk opzij bij het horen van zijn stem, een frons tussen mijn wenkbrauwen. Even dacht ik dat hij het over mij had, maar dan zie ik dat hij naar James kijkt, die een ontevreden blik terugwerpt via de spiegel.
'Het spijt me dat ik je teleur moet stellen,' gromt hij.
Evan komt een stukje overeind en hij probeert te verbergen dat elke beweging pijn doet. Boos kijkt hij James aan. De lucht wordt ijzig. 'Je hebt haar laten gaan. Je hebt haar op een idiote zelfmoordmissie laten gaan,' spuugt hij uit.
Automatisch duwt James het gaspedaal iets verder in en net wanneer ik een opmerking wil maken over dat ik het enorm zou waarderen als ik niet toch dood zou hoeven gaan in een auto-ongeluk, zegt hij: 'Ik heb haar niet laten gaan. Die lieve Gioa van jou heeft me gedrogeerd.'
Ik pers mijn lippen op elkaar. "Die lieve Gioa van jou". Als ik me niet vergis, was het James die er altijd zo fel op tegen was dat ik "van Evan" zou zijn.
Als ik kort opzij kijk, zie ik dat Evan me verbijsterd aankijkt. Ik werp James een blik toe die tegelijkertijd waarschuwend en verontwaardigd is. 'Pardon? Gedrogeerd? Je laat het erger klink en dan het is. Het was geen rohypnol, man. Gewoon een ietsie pietsie beetje slaapmiddel.'
James klemt zijn kaken op elkaar. '"Dat ietsie pietsie beetje slaapmiddel", heeft me wel acht uur plat gehouden.'
Ik brabbel een paar onverstaanbare zinnen die beide verontschuldigend en ontevreden zijn. Het gesprek valt dood en ik kijk even in de achteruitkijkspiegel.
‘James,’ sis ik met opeengeklemde kaken. ‘We worden gevolgd.’
‘Dat zijn ze niet,’ zegt hij. ‘Als ze dat waren, waren we nu al dood geweest.’
Heel geruststellend.
Zodra we in de stad terechtkomen, ontspan ik weer wat. Ze kunnen ons toch niet zomaar in het openbaar vermoorden? Met zoveel getuigen?
Hoe relaxed ik ook aan het worden was, ik veer weer overeind wanneer we bij het ziekenhuis aankomen. Ik gooi de autodeur open en er komen al verplegers aanrennen. Of James hen gebeld heeft of dat hun aandacht getrokken werd door mijn bebloede shirt, weet ik niet, maar het kan me niet schelen.
‘Hij heeft hulp nodig,’ zeg ik, het mank lopende meisje met de bloedende snee over haar keel die haar handen niet stil kan houden van de zenuwen, terwijl ik naar Evan wijs. Mijn stem klinkt vreemd, zelfs in mijn eigen oren. Ik lijk wel hysterisch. Ik vóél me hysterisch.
James komt naast me staan. ‘Zij heeft ook een dokter nodig.’
Ik wil hem afsnauwen dat dat niet de prioriteit is, maar het zou inderdaad wel fijn zijn als er iets aan die wond gedaan wordt. Ik heb inmiddels al zoveel bloed verloren, dat ik me misselijk voel.
Er loopt een dokter naar me toe, gevolgd door twee verplegers met een brancard op wieltjes. Ik geef het een zacht duwtje, waardoor het een stukje wegrolt. ‘Ik ben niet invalide. Ik kan prima lopen.’
Ik kijk om me heen en zie dat Evan er niet meer is.
‘Evan. Wordt hij geholpen?’ Ik slik en kijk de dokter haast manisch aan. De chagrijnige, ongenaakbare façade is verdwenen. ‘Waar is hij? Gaat iemand hem helpen?’
Als ik even de tijd zou nemen om er goed over na te denken, zou ik mezelf misschien tot reden hebben kunnen gebracht. Maar dat doe ik niet en ik draai me om naar James, grijp met bevende handen zijn shirt vast.
‘James? Ik... ik voel me niet goed,’ piep ik. Zijn gezicht vertrekt en hij ondersteunt me zachtjes terwijl hij zoekt naar een manier om me te kalmeren. Ik kijk om me heen, mijn ademhaling versneld en schokkerig, mijn ogen groot. Er zijn zoveel mensen die besloten hebben te kijken hoe dit af gaat lopen. Zou er iemand van Matthews groep bij zijn? Ga ik ooit niet op de vlucht hoeven zijn? Ga ik...
‘Gioa, het is oké. Ik beloof het je. Ga maar gewoon met hun mee, oké? Het komt wel goed,’ zegt James.
‘Ga je niet mee?’ vraag ik benauwd, me nog steeds aan hem vastklampend om niet door mijn knieën te zakken. Is dit hoe een paniekaanval voelt?
Hij schudt zijn hoofd. ‘Wanneer de dokters klaar zijn, kom ik zo snel mogelijk weer maar je toe. Ik blijf in het ziekenhuis. Je bent nu veilig. Ik beloof het je, oké?’
Ik slik en ik wil iets zeggen, maar mijn keel voelt te dicht om er woorden doorheen te persen. Toch weet ik uiteindelijk kleintjes uit te brengen: ‘Oké.’

Reacties (1)

  • Luckey

    Nu weeg ik nog noet waarom ze daar zatten!
    Als maar goed met ze komen

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here