De Lang en Gelukkig Loterij werd slechts één keer in het jaar gehouden. Een lot koste twintig gouden munten, wat weliswaar geen fortuin was, maar nog steeds een enorm bedrag voor boerenvolk zoals wij. Mijn ouders deden daarom nooit mee. De kosten waren simpelweg te hoog en de kansen te laag. Eén wens, voor één persoon in heel Gaelinor. Kinderen onder de vijftien jaar mochten dan niet mee doen, maar er waren nog genoeg Gaelinoren, dwergen, Dieren en elven die dat wel mochten.
‘We stoppen ons geld niet in die oplichterij,’ zei mijn vader altijd. ‘Ik heb acht kinderen en stallen vol met beesten te voeden. Het geld groeit me niet op de rug.’
‘Maar dat zou je wel kunnen wensen,’ antwoordde mijn jongere zusje, Zillah, grijnzend. ‘Als ik later groot ben, dan ga ik wel mee doen. En dan wens ik een eenhoorn.’ Ze keek dromerig voor zich uit. We konden dan misschien geen lot kopen, maar niemand had ons verboden om over een wens te dromen. Mijn andere zusje, Eberlyn, wenste een prins. Zavian wilde de dapperste ridder ooit worden, Malik wilde een draak -al waren die allang uitgestorven- en mijn moeder wenste bescheiden een lang en gelukkig leven voor al haar kinderen. Toen ik klein was, had ik allerlei wensen. Een oneindige voorraad snoep, haar dat van kleur kon veranderen wanneer ik maar wilde, een paleis vol speelgoed… Maar na de geboorte van Kova had ik er maar één.
Mijn jongste broertje kwam tien jaar na mij en meteen na zijn geboorte werd het duidelijk dat er iets heel erg mis was: hij had geen beentjes. Mijn moeder huilde nachtenlang, mijn vader keurde hem geen blik waardig. Een zoon die niet kon werken, zou alleen maar geld kosten in plaats van het opleveren. Op een nacht hoorde ik hem met mijn moeder praten.
‘We hadden hem meteen moeten verdrinken na zijn geboorte.’ Er klonk een harde klets. De afdruk van mijn moeders hand stond de volgende dag bij het ontbijt nog steeds in zijn gezicht. Ze spraken een maand lang niet tegen elkaar. In de jaren daarna schreef mijn moeder elke maand een brief naar de Goede Feeën. Er werd overal verteld dat ze -naast de Lang en Gelukkig Loterij- Wensen vervulden op liefdadigheid, aan hen in nood. Er kwam nooit antwoord, maar ze bleef schrijven.
Kova probeerde zich onzichtbaar te maken wanneer mijn vader in de buurt was. Hij at zo min mogelijk, probeerde te helpen waar hij maar kon en lag ‘s avonds vaak huilend in zijn bed. Mijn andere broertjes en zusjes negeerden hem meestal. Buiten mijn moeder en ik, keek er niemand naar hem om. Hij ging niet naar school, had geen vriendjes en kwam vrijwel nooit buiten, tenzij ik hem meenam om te gaan vissen op de zeldzame momenten dat ik niet hoefde te werken.
‘Papa haat me,’ zei hij op een dag, toen we op de oever van het meer zaten.
‘Welnee,’ loog ik.
‘Jawel,’ hij knikte, ‘En Zavian haat me, en Eberlyn. Iedereen. Omdat ik niet kan lopen.’
‘Daar kan jij niets aan doen, Kova.’ Hij liet zijn hoofd mismoedig hangen. Zijn felrode haar stak af tegen zijn spierwitte huid. Zoals hij daar zat, leek hij nog jonger en kleiner dan hij al was. Ik vond het vreselijk om hem zo te zien. Mijn moeder en ik hadden het geprobeerd, maar er bestond geen toverdrank om zijn benen te laten groeien. En als ze er al waren, dan waren ze onbetaalbaar. Er waren overal heksen en tovenaars te vinden, maar die hadden geen magie, hoe ze ook beweerden van wel. Alleen de Goede Feeën konden echt toveren. En alleen een wonder kon Kova helpen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here