Mompy keek in opperste concentratie naar de enorme taart die voor hem stond. Het had vier lagen en elke laag was rijkelijk versierd met dotten slagroom, aardbeien en andere stukjes fruit.
Vanuit zijn ooghoeken zag hij Bumo hoofdschuddend naar hem kijken. De taart had al te veel tijd in beslag genomen en was veel te opzichtig voor een doorsnee maaltijd. Hij werkte al jaren in de keuken van Zweinstein en normaal gesproken pakten ze alleen uit tijdens de feestdagen. Maar sinds de komst van de Kragges was Zweinstein niet meer hetzelfde. Zelfs de huiselfen voelden het. Niemand had het ooit hardop uitgesproken, maar Mompy had al snel opgemerkt dat de andere huiselfen hier en daar ook extra lekkere dingen maakten. Al was het maar als troost. Natuurlijk zou hij zichzelf later vanavond moeten straffen door zijn oren boven het haardvuur te hangen - wat hij ook zeker zou doen - maar voor nu genoot Mompy bij de gedachte aan de opgewekte gezichten van de studenten die de taart zouden zien. Hij had er zelfs Smekkies in Alle Smaken ingestopt. En, dacht hij boosaardig, als de taart per ongeluk op de lerarentafel zou belanden, dan hoopte hij maar dat Sneep of de Kragges net een stuk zouden nemen met oorsmeer.
Ook dat was geen aardige gedachte. Hij kon zijn oren beter in een pot kokend water stoppen, dan ze boven het haardvuur te hangen.
‘Vandaag nog, Mompy,’ snauwde Bumo toen hij langsliep. Toen de huiself hem zijn rug toekeerde, stak Mompy zijn tong naar hem uit. Gelukkig hoefde hij zichzelf daar niet voor te straffen, Bumo was tenslotte zijn meester niet. Het was maar een stokoude elf, met een ochtendhumeur die al een jaar of zeshonderd leek te duren. Toen Dobby nog in de keukens werkte, hadden ze voortdurend ruzie gehad. Bumo vond het belachelijk dat Dobby echte kleren droeg en schreeuwde regelmatig dat als hij nog één keer het waagde om over Harry Potter te praten, hij Dobby zou voeren aan de reusachtige inktvis in het meer. Uiteindelijk was dat nooit gebeurt. Gelukkig, want Mompy was best gesteld op de goeie, oude Dobby geweest.
Dobby…

Bij de gedachte aan de huiself liet Mompy zijn oren treurig hangen. Op een avond, terwijl Mompy net de vloer schrobde, was Knijster met een luide knal voor hem geteleporteerd. Nu was het nooit een prettig gezicht om naar hem te kijken, maar toen zag hij er slechter uit dan ooit tevoren. Zijn enorme ogen waren bloeddoorlopen, hij sprong op en neer en krijste alleen maar: ‘Dobby is dood! Dobby is vermoord!’ Mompy had niet eens gevraagd hoe Knijster het had geweten of waar hij de afgelopen maanden was geweest. Hij wist dat hij de waarheid sprak en de rest van de avond had hij zoveel gehuild, dat hij zelfs geen nieuwe emmer water hoefde te halen om zijn karwei af te maken. De andere huiselfen mochten van hem vinden wat ze wilden, maar Dobby was een echte vriend voor hem geweest. Jaren geleden had hij ‘s nachts de leerlingenkamer van Griffoendor schoongemaakt en was daarbij op een zelfgebreide muts gestuit, die tussen een stapel Ochtendprofeten verborgen lag. Trillend had Mompy het vod in zijn handen gehouden en was vervolgens jammerend op de grond in elkaar gestort. De andere huiselfen hadden hem naar de keuken gedragen, omdat ze bang waren dat zijn gekrijs de studenten wakker zou maken.
‘Ik ben vrij,’ had Mompy alleen maar gehuild. De gedachte aan vrijheid was beangstigend. Hij wilde helemaal niet vrij zijn. Hij had een meester, Albus Perkamentus, en daar werkte hij graag voor. En nu had hij een kledingstuk in zijn handen.
In de keuken hadden de elven Mompy in een hoek gesmeten en was Dobby de enige die op hem af was gerend.
‘Wat is er? Was een student gemeen tegen Mompy?’ had hij gevraagd. ‘Dobby gaat wel praten met Meneer Harry Potter. Meneer Harry Potter zal Mompy wel helpen, want Meneer Harry Potter is aardig en dapper!’ Hij wilde al bijna teleporteren, toen Mompy huilend de muts liet zien. Dobby keek er met grote ogen naar en begon toen enthousiast op en neer te springen.
‘Mompy is vrij! Mompy is vrij! Mompy hoeft nooit meer als slaaf te werken!’
‘Ik wil niet vrij zijn!’ had Mompy gebruld. Uiteindelijk had Dobby hem de volgende dag meegenomen naar Albus Perkamentus, die hem er grinnikend van verzekerde dat Mompy nog steeds in dienst was. Zonder Dobby had hij nu nog steeds huilend op de grond gelegen.
En nu was Dobby er niet meer.

Mompy wilde net de allerlaatste aardbei op de taart plaatsen, toen er naast hem een luide knal klonk. Van schrik verloor hij zijn evenwicht en viel languit op de grond. Hij wilde de verantwoordelijke al uitschelden, toen hij zag wie het was. Knijster.
‘Hij Die Niet Genoemd Mag Worden is op Zweinstein!’ brulde hij. Mompy krabbelde verward overeind. Zo had Knijster Jeweetwel nog nooit genoemd. Altijd ‘Heer van het Duister’ of iets in die richting. Wat was er toch met die elf aan de hand de laatste tijd?
‘Je bent al net zo dronken als Wimpy,’ zei Bumo schamper. Maar toen klonken er buiten de keuken een reeks luide knallen, alsof de Wemel tweeling terug was met hun vuurwerkpakketten. Versteend keek Mompy naar de deur. Knijster daarentegen sprong op een van de keukentafels en hief strijdvaardig zijn vuist in de lucht.
‘Er is oorlog op Zweinstein. De dooddoeners zijn er en Knijster vind, Knijster zégt, dat wij mee moeten vechten. Voor mijn meester Rufus, de beschermer van huiselfen!’ De andere elven kwamen in een cirkeltje om hem heen staan, hun oren gespreid.
‘Wij kunnen niet toveren. Niet zoals de heksen en tovenaars,’ schudde Lolla, die het ontbijt deed, haar hoofd. ‘En we moeten werken.’ Knijster sprong weer op en neer, het gouden medaillon om zijn borst zwiepte alle kanten op.
‘We gaan vechten!’ schreeuwde hij, ‘Ander is er morgen geen Zweinstein meer om voor te werken. Pak een wapen en ga met me mee, voor mijn meester Rufus!’ Maar de andere huiselfen schudden hun hoofden en liepen weg, om hun taken in de keuken voort te zetten. Mompy keek twijfelend naar zijn taart, die nog altijd niet af was. Toen pakte hij het enorme ding op, hield het trillend boven zijn hoofd en smeet het met al zijn kracht op de grond. De taart spatte alle kanten op. Alle huiselfen keken geschrokken om. Mompy klom naast Knijster op de tafel, die nu dansend ‘Mompy heeft het begrepen!’ schreeuwde, en schraapte zijn keel.
‘We zijn maar klein en we kunnen niet toveren zoals de mensen. Maar Zweinstein is ons thuis,’ zei hij. Vanuit zijn ooghoek zag hij Bumo hem woedend aankijken. Hoewel hij ook geïnteresseerd kon zijn, er zat niet veel verschil in zijn gezichtsuitdrukkingen. ‘Dobby is gestorven om Harry Potter te beschermen. Harry Potter zal Zweinstein beschermen en hij heeft onze hulp nodig.’
‘Dobby was gek,’ riep Lolla. Er klonk instemmend gemompel. Mompy hief zijn kleine handen op.
‘Dobby was een held. Dobby wilde vrij zijn. En Mompy gaat met Knijster mee. Voor Zweinstein. Voor Dobby. Willen jullie je hier verstoppen en het toetje voor Jeweetwel klaarmaken, of vechten jullie mee?’ Er viel een stilte. De elven keken elkaar twijfelend aan. Toen hoorde Mompy achter zich een geluid. Bumo was op een andere tafel geklommen en had een groot mes in zijn handen. Zijn gezicht stond nog even chagrijnig, maar zijn stem klonk strijdvaardig.
‘Bumo werkt hier al zijn hele leven. Bumo vecht mee om zijn thuis te beschermen. Bumo vecht mee voor Dobby, de idiote huiself!’ Mompy sloeg een opgewonden kreet en draaide zich weer om naar de andere elfen. De laatste twijfel verdween van hun gezichten. Ze renden door elkaar heen om een wapen te vinden. Mompy en Knijster sprongen van de tafel. Knijster had een groot mes te pakken, Mompy een enorme pollepel.
‘Voor Dobby!’ klonk het, toen de huiseleven eensgezind door het portret renden, om zich bij de andere strijders te voegen.
[/font

Reacties (3)

  • aarsvogel

    Ik vind hem echt heel leuk! Orgineel ook, vanuit dit perspectief!
    Lang leve Dobby! En Mompy!

    6 maanden geleden
  • Benzin

    Aah, wat een leuke kant om ook eens belicht te zien!

    6 maanden geleden
  • Slughorn

    Ik vind dit best grappig (':
    Leuk geschreven.

    6 maanden geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen