T​oen ik de volgende dag wakker werd, was het ‘oh nee’ gevoel er in alle hevigheid.
Een zonnestraal scheen door het gordijn recht op mijn kussen, maar toch leek er alleen maar duisternis te zijn. Ellendige, verstikkende duisternis. Ik trok de dekens over me heen en woog mijn opties af. Vandaag vertrok de winterploeg en om twaalf uur zou de zomer ploeg arriveren. Dat betekende nieuwe huisgenoten, een rondleiding door Park Heijdenveld, kennismakingsspelletjes (Kampenberg leek zoiets een briljant idee te vinden) en tal van andere zaken die op het programma stonden. Tenzij ik binnen vijf minuten ergens een longontsteking in een vergevorderd stadium kon op doen, was ziek melden geen optie. Maar alleen al uit bed komen leek een onmogelijke opgave.
Gisteravond had Zomer tot in alle details willen weten waarom ik niet was uitgenodigd voor het afscheidsfeestje. Ze ging er uren over door en zelfs toen ik het gesprek op een ander onderwerp probeerde te brengen - zij zelf, haar favoriet - pakte ze de hint niet op. Terwijl Zomer om middernacht naar de laatste bus rende, sleepte ik mezelf terug naar de caravan. Het feest was nog altijd gaande, maar godzijdank zat iedereen binnen. Ik was naar binnen geglipt en met kleding in al in bed gaan liggen, waar ik huilde tot ik geen tranen meer had.
En nu was alles gewoon leeg.
Donker en leeg.
Het kostte me anderhalf uur om de dekens van me af te slaan en overeind te komen. Nog een kwartier om ook daadwerkelijk op te staan. De douche sloeg ik over en in plaats daarvan plensde ik wat koud water in mijn gezicht en spoot een halve fles deodorant leeg. Ik trok een schone set werkkleding aan en forceerde mezelf om in elk geval een klein beetje mascara op te doen. Alles in totaal was ik ongeveer drie kwartier bezig. Uitgeput plofte ik op de bank. Terwijl ik een sigaret opstak, spiekte ik door het raam naar buiten. De caravans lagen er stil bij. Op mijn mobiel zag ik dat het tien uur was en voor half twaalf hoefde ik geen teken van leven te verwachten. Misschien was het maar beter als ik er vandoor ging. Dan hoefde ik niemand te forceren tot een ongemakkelijk afscheid.
Mijn blik gleed door de caravan. Op de tafel lagen teken potloden en papieren, de afwas was al minstens drie dagen niet gedaan en de vloer kon wel een een poetsdoek gebruiken. Kom op, dacht ik, zorg er op z’n minst voor dat je nieuwe collega’s niet in een puinhoop binnen komen.
Maar mijn lichaam weigerde ook maar iets te doen.
Het was zo donker. Zo vreselijk, verlammend donker. En in duisternis is geen leven mogelijk.
In elk geval niet voor mij.

Na een uur op de bank te hebben gezeten en de ene na de andere sigaret te hebben gerookt tot ik misselijk was, stond ik op en sleepte mezelf naar Walnoots Knutselpaleis.
De camping lag er grauw en verlaten bij. Hier en daar zaten een paar bejaarden op een stoeltje de krant te lezen. Een peuter dribbelde in een onbewaakt moment een voortent uit, terwijl zijn moeder er schreeuwend achteraan ging. Ik glimlachte naar ze, omdat dat nu eenmaal mijn werk was. Maar het ging niet van harte.
Het Knutselpaleis was helemaal leeg. Geen jengelende kinderen, geen gevechten om een bepaalde kleur potlood. Morgen zou het knutselen weer doorgaan. Misschien kon ik alvast de viltstiften klaar leggen en het gekleurd papier pakken.
Misschien ook niet.
Ik zat op een kleuter krukje en staarde voor me uit. Dacht aan alles tegelijk en toch aan niets. Voelde me verdrietig en verloren, maar evengoed leeg. Zo ontzettend leeg.
‘Winter?’ Ik schrok zo hard dat ik bijna van het krukje kukelde. Meneer Kampenberg keek me verbaasd aan. ‘Wat zit jij hier nou te doen? Ik heb je vier keer gebeld.’ Toen bedacht ik me dat mijn mobiel nog altijd in de caravan lag.
‘Sorry. Mobiel niet bij me.’ Mijn stem klonk monotoon. Daar moest ik iets aan doen, voordat het vragen zou opleveren. Kampenberg schudde zijn hoofd terwijl hij naar me toe liep. Hij schoof een krukje tegenover me en ging erop zitten. Het zag er belachelijk uit: zo’n grote man op een kleuterding.
‘Eigenlijk wilde ik even met je praten, voordat de zomer ploeg komt.’ Zijn stem klonk ernstig. Zo ernstig, dat mijn binnenste in ijs leek te veranderen. “We moeten eens praten” was nog nooit in de geschiedenis de startzin van een positieve conversatie geweest. Je hoorde nooit: ‘We moeten eens praten. Je hebt net de loterij gewonnen.’
‘Heb ik iets fout gedaan?’ vroeg ik nerveus. Kampenberg leunde achterover.
‘Heb je dat?’ Zodra hij dat zei, besefte ik me dat we dit gesprek al eens eerder hadden gevoerd. Ik schudde mijn hoofd. ‘Niet dat ik weet.’
Kampenberg wreef vermoeid over zijn hoofd. ‘Winter-’ Hij maakte zijn zin niet af en zuchtte. Mijn handen trilden inmiddels zachtjes. Ik balde ze tot vuisten in de hoop dat het niet op zou vallen. ‘Hoe vind je het hier? Op Park Heijdenveld?’ vroeg Kampenberg tenslotte. Dit gesprek zou een slechte afloop hebben, ik voelde het.
‘Leuk,’ zei ik en slaagde er zelfs in om mijn stem vrolijk te laten klinken. ‘Het werk is afwisselend. De mensen zijn aardig. Het is echt fantastisch.’ Fantastisch verschrikkelijk. Kennelijk was mijn acteer prestatie de laatste paar maanden achteruit gegaan, want Kampenberg keek me schattend aan.
‘Meen je dat echt?’ Ik knikte heftig. Mijn baas zei een paar seconden niets en deed toen zijn mond weer open. ‘Ik krijg namelijk de indruk dat je het hier helemaal niet naar je zin hebt. Je bent er met je hoofd niet bij. Je praat nauwelijks. Je gaat geen gesprekken aan met de gasten als het niet echt hoeft en zelfs bij de kinderen ben je terughoudend.’ Ik beet op mijn lip en staarde naar mijn schoenen. Hij had gelijk. En ik wist ook meteen waar dit gesprek heen zou gaan. Vandaag vertrok ik met de rest van de winterploeg naar huis. Ik was onbezonnen aan een avontuur begonnen waar ik niet klaar voor was. Ik was nergens klaar voor.
Ik was een mislukking.
‘Winter?’ Kampenbergs stem klonk zacht, niet eens onvriendelijk. ‘Ik zou graag willen weten hoe jij dit ervaart. Misschien heb ik het mis. Vind je het hier hartstikke leuk en heb je wat meer tijd nodig om te wennen. Maar als dat niet zo is, dan hoor ik dat graag nu meteen. De zomer is een drukke tijd, zoals je in de meivakantie al hebt gezien. Als je je niet voor honderd procent kan inzetten, dan houdt het hier op. Begrijp je dat?’ Ik knikte langzaam. Wilde iets zeggen, maar mijn keel zat dichtgeknepen en de eerste tranen brandden al achter mijn ogen. Er viel een stilte. Minutenlang. Ik probeerde krampachtig adem te halen en niet in huilen uit te barsten.
Deze dag kon niet erger worden. Hoewel, elke keer als ik dat dacht, bleek het lot me het tegendeel te bewijzen. Waarschijnlijk zou ik straks terug in mijn caravan komen en zou die spontaan zijn afgefikt in het uur dat ik weg was. Of ik zou vanavond thuiskomen en mijn ouders zouden huilend vertellen dat Storm of Sky in het ziekenhuis lag met een enge, ongeneeslijke ziekte. Alles kon altijd nog net een tikje erger in mijn leven.
‘Winter?’ Ik kon Kampenberg niet aankijken. Die man moest ongetwijfeld denken dat ik gek was geworden, zoals ik hier half jankend zat. Als een loser. Een zielige, eenzame, falende loser. Een traan droop over mijn wang omlaag en haastig veegde ik hem weg. Dit was genant. Ik moest er een eind aan maken.
‘Ik zal mijn spullen wel pakken,’ fluisterde ik. ‘En het spijt me.’
‘Wat spijt je?’ vroeg Kampenberg. Ik keek hem nog steeds niet aan en haalde mijn schouders op.
‘Dat ik niet goed genoeg was. Dat spijt me.’ Vanuit mijn ooghoeken zag ik hoe Kampenberg langzaam knikte.
‘Winter, ik heb nooit gezegd dat je niet goed genoeg bent. Je praat weinig, maar je bent wel vriendelijk. Je doet geen drukke spelletjes met de kinderen, maar toch zijn ze gek op je. Ik heb alleen iets meer nodig dan vriendelijkheid. Wie zegt dat je niet goed genoeg bent?’ Een tweede traan drupte naar beneden, meteen gevolgd door een derde. Nog even en ik zou echt in janken uitbarsten en ik zou het niet tegen kunnen houden. Niet vandaag. Ik had zelfs geen kracht meer om mijn schild om me heen te visualiseren. Dus zat ik daar maar, snikken op een krukje. Kwetsbaar voor de buitenwereld. Een lopend buffet voor iedereen die me wilde verslinden.
‘Ik,’ fluisterde ik, ‘Ik zeg dat ik niet genoeg ben. Ik wil echt graag hier werken, maar ik ben niet zoals de rest.’ Misschien waren het de emoties waardoor ik besloot om niet te liegen. Ik kon hem ook niet teveel vertellen, maar voor nu was ik te moe om me achter een masker te verbergen. ‘Tess, Roy, Robyn… Die zijn hier goed in. Ze kunnen op dat podium staan en alle dansjes doen en met gasten praten en met kinderen spontaan tikkertje spelen, maar als ik de minidisco dans dan kan ik alleen maar naar die ouders kijken en ben ik zo bang dat ze me uitlachen omdat het belachelijk is wat ik doe.’ Inmiddels was ik echt gaan huilen. Mijn ademhaling sloeg over en ik begroef mijn hoofd in mijn handen. Opeens verlangde ik naar Zomer. Naar haar armen, haar geruststellende woorden. Ik wilde horen dat ik een mislukking was. Dat ik niets goed kon doen. Even flitste het boek met de voorraad mesjes door mijn gedachten en zag ik mezelf voor me. Hoe het mes over mijn huid flitste. De druppels bloed die snel zouden opkomen. Ik verlangde naar een vorm van fysieke pijn, een pijn die ik aan kon. Want dit, dit kon ik niet. Het was teveel. Ik boorde mijn nagels in mijn nek, maar het was niet genoeg.
Kampenberg klopte vaderlijk op mijn schouder. ‘Rustig maar, Winter. Huil maar even uit. Zo ja, gewoon ademhalen. Rustig aan. We hebben geen haast.’ En dus huilde ik. Minutenlang, voor mijn gevoel. Na een tijdje werd mijn ademhaling kalmer en droogden mijn tranen als vanzelf op. Het was belachelijk, zoals ik hier zat. Kampenberg haalde diep adem.
‘Gaat het weer?’ vroeg hij. Ik knikte, zijn blik ontwijkend. Had ik nou waterproof mascara opgedaan? Anders kon ik mezelf net zo goed meteen van kant maken, geld voor een begrafenis of niet.
‘Mooi zo,’ zei Kampenberg. ‘Dan ga je nu eens heel goed naar me luisteren. Ik doe dit werk al heel wat jaren. Vroeger zat ik in het onderwijs, als gymdocent.’ Dat verbaasde me helemaal niets. Meneer Kampenberg was precies het type die je voor de lol dertig rondjes liet rondrennen “om warm te worden.”
‘En door mijn werk,’ ging hij verder, ‘heb ik al heel wat jongeren gezien. Allerlei soorten. De uitbundige types, de brutaaltjes. De kletskousen, charmeurs, de stille types. En ik denk graag dat ik door mijn ervaring weet wie er geschikt is voor dit werk en wie niet. En jij hebt absoluut potentie om een goede animatiemedewerker te zijn.’ Nu keek ik verbaasd op. Ik vergat zelfs de strepen mascara, die ongetwijfeld mijn wangen versierden.
‘Echt niet.’
Kampenberg knikte. ‘Echt wel. Weet je waar ik op let, als ik een team samen stel? Dat het een goede combinatie is van mensen met verschillende karakters. Kijk maar naar de winterploeg. Roy is een vreselijke idioot, maar hij maakt van elke disco een feestje. Tess is een moederlijk type. Fatima is, net zoals jij, wat meer op de achtergrond, maar dat maakt haar nog niet minder waardevol. Iedereen in het team heeft een rol te vervullen.’
‘En wat is mijn rol dan?’ vroeg ik. Kampenberg glimlachte.
‘Ik denk dat jij heel goed mensen kan inschatten. Je weet wie zorg en aandacht nodig heeft en wie wel even met rust gelaten kan worden. Als je jezelf toestaat om een keer uit je schulp te kruipen, zal je zien dat anderen dat ook ontdekken.’
‘Maar dat is niet iets belangrijks,’ wierp ik tegen. ‘Iedereen kan het zien wanneer iemand ontevreden is over zijn vakantie, of een kind dat met voetballen wordt buitengesloten.’ Meneer Kampenberg schudde lachend zijn hoofd.
‘Het zal je verbazen hoe blind sommige mensen kunnen zijn. En dat is ook niet erg. We hebben allemaal dingen waar we aan moeten werken. We maken fouten, en daar leren we van.’ Mijn blik gleed weer naar mijn schoenen.
‘Ik wil geen fouten maken,’ fluisterde ik. De fout ingaan, betekende imperfectie. Een zwakte. Iets waar anderen je op konden pakken als ze het doorhadden. Liever het nooit proberen, dan als een mislukking eindigen. Maar, dacht ik, ik had deze baan ook geprobeerd. En het was alsnog mislukt.
‘Je moet fouten maken, Winter. Anders kan je jezelf nooit verbeteren. Let niet op wat anderen van je vinden, want dan ga je het nooit goed doen. Neem nu de mini-disco. Jij kijkt naar de ouders terwijl je danst, en daar ga je de fout in. Je staat daar niet als een walvis om het hun naar hun zin te maken. Zij willen gewoon naar de tent of lekker bij het zwembad hangen. Maar als die kinderen na de disco zeggen hoe leuk ze het vonden, dan zijn die ouders vergeten dat een idioot in een walvissenpak de Hockey Pockey staat te dansen. In plaats daarvan zullen ze denken: “Goh, toch wel leuk, die Wallie.” Daar doe je het voor,’ zei Kampenberg. Hij keek me tevreden aan, alsof hij een briljant punt had gemaakt. En misschien was dat ook wel zo. Ik knikte. Eigenlijk had ik het nog nooit vanuit een ander perspectief bekeken. Maakte me dat een egoïst? Daar zou ik straks over moeten nadenken.
Kampenberg stond op van het krukje en ik volgde zijn voorbeeld, omdat het stom leek om zelf te blijven zitten. Hij stak zijn hand naar me uit. ‘We maken een afspraak. Jij gaat de komende weken schandalig veel fouten maken. Minstens tien per dag. Zolang je maar niks in de fik steekt of er met de kassa vandoor gaat, vind ik alles prima. Over een maand wil ik tegen iedereen kunnen opscheppen dat ik de allergrootste ramp in dienst heb genomen.’ Onwillekeurig moest ik giechelen.
‘Gaat u me niet ontslaan?’ vroeg ik.
‘Niet als je deze hand binnen tien seconden vastpakt,’ zei Kampenberg grinnikend. Ik keek er even naar en schudde hem toen met mijn linkerhand. Mijn baas keek me verbaasd aan.
‘Dat was fout nummer één voor vandaag,’ verduidelijkte ik. Kampenberg lachte en stak zijn duim op.
‘Goed zo. En ga nu maar kijken of ze in het zwembad nog hulp kunnen gebruiken. Ik vang de zomer ploeg wel op.’ Dankbaar vloog ik bijna het Knutselpaleis uit. Ik had me in hem vergist. Kampenberg was de kwaadste nog niet.

Maar, dacht ik terwijl mijn voeten me naar het zwembad droegen, misschien had hij zich ook in mij vergist. Ondanks de goede afloop, kon ik een beklemmend gevoel maar niet van me afschudden. De twijfels laaiden meteen weer op. Diep in gedachten liep ik de schuifdeuren door, waar de warmte me alweer tegemoet sloeg. Had ik echt een belangrijke rol in het team? Kon ik überhaupt ook maar een klein beetje belangrijk zijn? Of was ik op sommige punten misschien net een ietsje minder nutteloos dan op anderen?
‘Zeggen we geen gedag meer?’ Voor de tweede keer in een uur tijd schrok ik op uit mijn gedachten. Achter de balie zat Chris, in zijn hand de eeuwige beker koffie. Zodra hij me zag, verdween de glimlach van zijn gezicht en verscheen er een bezorgde rimpel in zijn voorhoofd. ‘Wat is er met jou gebeurd? Heb je gehuild of is dit gewoon de zoveelste nieuwe look onder vrouwen die ik niet begrijp?’ Oké, geen waterproof mascara dus. Verdomme.
‘Nee, dit is een nieuwe look,’ stamelde ik.
‘Dus je hebt gehuild.’
‘Enkel tranen van vreugde.’ Waarom ging praten met Chris opeens zoveel makkelijker? Eerst had ik een klein stukje van mezelf blootgegeven bij Kampenberg, en nu dit. Chris lachte niet om mijn opmerking.
‘Wil je erover praten?’
Ik schudde mijn hoofd. Voor vandaag had ik genoeg gezegd. Ik had tijd nodig om weer op te laden en straks mijn nieuwe collega’s te ontmoeten. Het was nog niet eens middag maar het voelde alsof ik al twintig uur zware arbeid had verricht.
‘Wil je een knuffel?’ vroeg Chris. Ik deinsde achteruit.
‘Ik ga even mijn gezicht in orde maken. Ben zo terug.’ Ik moest me openstellen voor mensen, ja. Maar er waren nog grenzen.


Reacties (3)

  • Teal

    Mooi! Meneer Kampenberg valt idd wel mee zo

    1 jaar geleden
  • Frodo

    Zoveel liefde voor meneer Kampenberg <3 Ik heb de neiging om hem chocolaatjes te sturen ofzo, hem even bedanken om onze Winter op te krikken.

    1 jaar geleden
  • AMuppetOfAWoman

    Ik vind je verhaal werkelijk prachtig! Dankjewel voor het schrijven van een nieuw hoofdstuk :') Liefs.

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here