Foto bij H.144.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
‘Gioa, het is oké. Ik beloof het je. Ga maar gewoon met hun mee, oké? Het komt wel goed,’ zegt James.
‘Ga je niet mee?’ vraag ik benauwd, me nog steeds aan hem vastklampend om niet door mijn knieën te zakken. Is dit hoe een paniekaanval voelt?
Hij schudt zijn hoofd. ‘Wanneer de dokters klaar zijn, kom ik zo snel mogelijk weer maar je toe. Ik blijf in het ziekenhuis. Je bent nu veilig. Ik beloof het je, oké?’
Ik slik en ik wil iets zeggen, maar mijn keel voelt te dicht om er woorden doorheen te persen. Toch weet ik uiteindelijk kleintjes uit te brengen: ‘Oké.’

'Wat is uw naam?' vraagt de dokter zodra we aangekomen zijn in de behandelkamer en ik op de tafel in het midden van de ruimte moet gaan zitten.
Heel lang ben ik stil. Wat moet ik antwoorden? Gioa Annelson? Donna Carner? Ze herhaalt haar vraag weer en ik kijk haar nerveus aan.
'Donna Carner,' antwoord ik dan uiteindelijk.
Ze knikt en voert het in in de computer, waarna ze vraagt: 'Kunt u uitleggen wat er gebeurd is?'
'Dat ligt eraan. Bent u een politieagent?' vraag ik snauwerig met een opgetrokken wenkbrauw. Ik ben niet in de stemming om iemand te vertrouwen.
'Nee,' legt de vrouw kalm uit. 'Ik ben een dokter. Om u te helpen moet ik weten waarom u onder het bloed zit. Wat u nu zegt, zal de kamer niet verlaten. Dat zou verboden zijn voor mij als dokter. Ik wil u alleen maar helpen.'
Ik bijt even op mijn onderlip bij het idee dat ik weer aan dat alles moet denken, dat ik het aan een wild vreemde ga moeten vertellen. Na een moeizame slik, zeg ik zachtjes: ‘Oké.’
Ze bestudeert me even en begint dan door te vragen hoe ik aan de snee in mijn hals kom.
‘Het is een snijwond. Het mes was niet bot en ook niet vies,’ mompel ik. Bijna kan ik mezelf weer horen schreeuwen van de pijn. Voor een moment, herinner ik me, klonk ik net als Ammay.
‘Wanneer is de snijwond aangebracht?’ Ik kan me er maar niet toe zetten om haar aan te kijken terwijl ze ernaar vraagt.
‘Hoe laat is het nu?’
‘Twaalf uur in de middag.’
‘Elf uur geleden,’ antwoord ik. ‘Iets eerder.’
Ze begint door de ruimte te lopen, dingen uit kastjes te halen, handschoenen aan te trekken. 'En nadat de wond is aangebracht, is er toen nog meer mee gedaan, als je snapt wat ik bedoel?'
Ik snap het inderdaad. 'Ik ben daarna nog meerdere keren bij mijn keel vastgegrepen en iemand heeft me er nog op geslagen. Dat was een uur geleden of zo.'
Even dwing ik mezelf om haar aan te kijken en ik zie medelijden in haar blik. Die hoef ik niet. Ik ben niet zielig. Ik ben geen geslagen puppy. Maar ik zeg er niks van, want ze bedoelt het goed.
Ze loopt naar me toe en zegt: 'Ik ga de snee onderzoeken en daarna waarschijnlijk hechten. Daarvoor moet ik het plaatselijk verdoven en dat kan eventjes pijnlijk zijn. Het lukt daarna trouwens tijdelijk niet om te praten, gezien het bij je keel is.'
Nadat ik er zachtjes mee instem, verdoofd ze me en voor een moment lijkt ze bijna verbaasd te zijn dat ik niet eens geneigd ben om ineen te krimpen, ondanks dat ze wel degelijk gelijk had over de pijn. Maar ik heb nu eenmaal wel erger meegemaakt. Ik heb echt heel veel erger meegemaakt.
Wanneer ze eenmaal begint met het hechten, voel ik er al helemaal niks meer van, maar ik word zo zenuwachtig van het feit dat iemand me aan elkaar aan het naaien is, dat ik de tafelrand vastgrijp en er zo hard in knijp dat mijn knokkels wit worden. Ik probeer zo stil mogelijk te zitten, maar mijn onregelmatige, nerveuze ademhaling werkt niet mee. Ik zit niet meer op die stoel vastgebonden, wachtend op de volgende kwelling, wachtend op de dood, maar ik ben nog altijd niet gekalmeerd.
'Ik heb speciale hechtingen gebruikt voor gevallen als deze, maar ze zitten nog altijd op een redelijk beweeglijke plek, dus de kans dat het scheurt bij te grote bewegingen is groter dan bij andere plekken. Het is niet iets om je veel zorgen over te maken. Het blijft onwaarschijnlijk. Probeer gewoon voorzichtig te zijn. Zeker bij het draaien van je hoofd,' legt ze uit.
Ik wil iets zeggen, maar zodra ik dat probeer, word ik er weer aan herinnerd dat dat niet kan door de verdoving. Automatisch hef ik mijn hand en druk ik zachtjes tegen de bedwelmde huid, iets naast de hechtingen, maar ik voel niks. Hoogstens tintelt het een beetje.
'Probeer er niet aan te zitten,' waarschuwt ze me en betrapt laat ik mijn hand zakken. Ze loopt naar een computer toe en voert wat in, waarna ze even naar mijn ademhaling luistert en mijn bloeddruk meet en ook die gegevens invoert in het systeem.
'Kun je je handen even voor je uitsteken?' gebiedt ze en ik doe wat ze zegt. Mijn handen blijven beven, ondanks dat ik mijn best doe om ze stil te houden. Ik sta nog altijd stijf van de zenuwen.
'Dat komt doordat je nog steeds veel adrenaline in je bloed hebt. Je lichaam is nog erg gespannen. Ik kan je een kalmerend middel geven, als je wilt.’
Ik schud mijn hoofd.
Ze weegt me even en meet me dan op. Er kruipt een frons over haar gezicht.
‘Hoe lang hebben ze je opgesloten?’ vraagt ze. Blijkbaar was dat de conclusie die ze getrokken heeft. Het voelt onbehaaglijk dat ze gelijk heeft. Is het zo makkelijk te zien?
Wanneer ik geen antwoord geeft, kijkt ze op. ‘Oh, sorry, je kan natuurlijk nog niet praten. Mijn fout.’
Ze tikt meer iets in in het bestand op de computer. Ik luister naar het snelle, tikkende geluid van de toetsen. Dan zegt ze: ‘We geven je een paar papieren met informatie mee over je verwondingen en dergelijke. Daarin staat hoe je het beste kunt genezen. Je hebt onder andere ondergewicht. Het is nog niet heel ernstig, maar het moet wel behandeld worden. Als je de afgelopen tijd sneller moe werd of last had van duizeligheid, is dat waarschijnlijk de boosdoener.’
Als Evan dat document leest, gaat hij flippen. Terwijl ik zit te peinzen, legt ze een stapeltje ziekenhuiskleren voor me klaar. ‘Trek dit maar aan. Je oude kleren zullen we voor je wassen. We hebben een herstelbed voor je klaar. Over een paar uur doen we een paar tests en als die goed zijn, kun je gaan. Het moet wat sneller dan normaal zou gebeuren, want we zitten vrij vol.’ Ze kijkt me verontschuldigend aan, alsof ik het erg vind dat het niet zo lang duurt. ‘Over een tijdje zul je wel weer kunnen praten. Het zal eerst wat ongewennig voelen en je stem zal wat vreemd klinken, maar dat komt wel goed.’
Ik knik en kleed me moeizaam om. Al mijn spieren protesteren.
Zodra ik klaar ben, weet ik met moeite uit te brengen: ‘Evan.’
Mijn tong voelt dik aan in mijn mond en het klinkt alsof ik dronken ben. De dokter kijkt net een vragende blik op.
‘Was dat die jongen die ook opgenomen is?’
Ik knik.
‘Ik heb hem maar kort gezien, maar het zag eruit alsof het wel goed zou komen. Om eerlijk te zijn, zag jij er juist uit alsof je elk moment van je stokje zal gaan. En met jou komt het ook goed.’
Ik haal even opgelucht adem.
‘En John?’ Bijna had ik James bij zijn echte naam genoemd.
‘Was dat die andere?’ vraagt ze en opnieuw knik ik.
‘Over een paar uur, wanneer je mag gaan, mag je hem weer zien. Ik zou willen dat het eerder kon, maar het is protocol bij gevallen als deze.’
Ik knik met tegenzin en ze brengt me naar een lege, kille kamer met een wit bed. Ze bevestigt een hartslagmeter en een infuus met vocht, omdat ik blijkbaar ook slecht gehydrateerd ben. Bij Evan, besef ik me, is dat zelfs nog erger.
Zodra ze weggaat en de deur achter zich sluit, komt er een vermoeide zucht over mijn lippen. Ik bijt op mijn lip om niet te huilen, al voel ik de tranen in mijn ogen prikken. De vorige keer was het alleen ik die in het ziekenhuis belande, maar dit keer ook Evan. Hij is bijna doodgegaan, alleen omdat hij mij kende. Waar houdt het in hemelsnaam op?

Reacties (1)

  • Luckey

    omg !!!
    ze moeten bij elkaar
    als met evan ook maar goed komt
    laat ze nu even met rust!!
    dit is te veel achter elkaar

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen