Een week later stonden ze daar dan uiteindelijk, klaar om de vijand het hoofd te bieden. Terwijl Alexander en de anderen na het overleg bezig waren geweest met reizen naar Egypte, had Aris zijn valk vast vooruit gestuurd met instructies voor zijn volk. Van oorsprong waren ze verkenners en gespecialiseerd in korte schermutselingen en zo wisten ze de invaserende monsters langzaamaan bijeen te drijven naar de locatie waar zij ze wilden hebben.
Alexander had het Medjay leger zich op een duin laten positioneren, zodat ze vanuit daar een goed overzicht zouden hebben. Hij zou de eerste fase van het gevecht op de duin achterblijven om alles te kunnen aansturen. Sappho zou daar ook blijven. Ondanks dat ze vaardig was met haar aura, had ze weinig kennis van wapens en was het beter als ze zich uit het grote gevecht zou houden.
De zandvlakte voor hen was nog leeg en het maakte Alexander lichtelijk onzeker. Waar bleven de monsters? Volgens Aris hadden zijn mannen de groepen monsters bijeen kunnen jagen en zouden ze elk moment tevoorschijn moeten komen. Hij vertelde zichzelf dat hij gewoon geduldig moest zijn en dat ze vanzelf tevoorschijn zouden komen.
De betrekkelijke stilte werd plots doorbroken door kreten en tussen de heuvels vandaan kwamen de monsters tevoorschijn. In eerste instantie leken ze op mensen, omdat ze op twee benen liepen, maar in feite waren het mensen met zeer dierlijke trekken. In plaats van mensenhoofden zag Alexander jakhalskoppen en berenkoppen en het uitzicht maakte dat de rillingen door Alexanders lichaam gingen van afschuw. In hun “handen” hielden ze wapens, maar Alexander twijfelde er niet aan dat er zeer scherpe klauwen aan de vingers vast zaten. Zeus had hen van tevoren al ingelicht over de anpu en de berserkers en had verteld dat het gruwelijke experimenten van Anubis waren. Deze aloude moest nu wel aanwezig zijn en Alexander hoopte met heel zijn hart dat ze hem zouden kunnen uitschakelen. Zo zou hopelijk zijn ge-experimenteer een halt toegeroepen worden en zouden vele onschuldige mensen gespaard worden van een vreselijk lot.
De monsters waren met duizenden en tussen hen in bewogen zich twee menselijke gedaanten.
‘Anubis en Bastet,’ siste Prometheus. ‘Dit maakt het wel wat ingewikkelder. Waar is Zeus als je hem nodig hebt?’ Alexander vroeg zich ook al waarom de aloude niet zou meevechten. Ze konden zijn krachten juist heel goed gebruiken.
‘Ik ben bang dat we dit op onze eigen krachten moeten doen. Afrekenen met die monsters moet nog wel lukken, maar ik maak me meer zorgen om de twee alouden.’ Prometheus knikte bevestigend.
‘Laten we hopen dat ik het af kan met een beetje hulp van jullie onsterfelijken.’
‘We doen ons best.’ Alexander reed een klein stuk vooruit, om het leger te kunnen toespreken. Hij bereed een zwart paard dat hij van Aris geschonken had gekregen. Volgens hem was het een afstammeling van Bucephalus, iets wat Alexander dolgelukkig had gemaakt. Hij hoopte dat dit paard de veldslag zou overleven.
‘Deze monsters bedreigen de bevolking van Egypte! En slechts omdat zij gekozen hebben een ander geloof te volgen. Gekozen, nee, velen zijn zelfs gedwongen hun oude geloof af te leggen en nu worden ze daarvoor gestraft door hun oude goden? Dit mag en kan niet gebeuren! Het is onze taak als beschermers van de mensheid om hen daarvoor te behoeden. Daar vechten wij vandaag voor!’
Alexander reed weer terug de linie in en gaf daar het stokje over aan Scathach, die de eerste aanval zou gaan leiden.
‘Ten aanval!’ riep ze en ze gaf haar paard de sporen. De ruiters van de middelste eerste paar linies volgden met de infanterie die er achteraan rende. Ook Gilgamesj en Prometheus voegden zich bij hen. Alexander raakte verrukt van het gevoel dat de trillende aarde hem gaf en van het geluid van dreunende hoeven en voeten. Het was eeuwen geleden dat hij voor het laatst in zo’n grote slag als deze had meegevochten. Het wond hem op, hoeveel leed het ook teweeg bracht. Zodra het eerste deel van het leger ten aanval was gegaan, gaf Alexander het signaal voor de volgende zet. Aan beide flanken zette een deel van de cavalerie zich in beweging. Het waren de medjay die zeer ervaren waren met het boogschieten vanaf paardenrug. Het was de bedoeling dat zij flinke verliezen veroorzaakten onder de vijand voordat de rest van de cavalerie ten strijde zou trekken.
De ruiters vertrokken onder leiding van Aris en ze weken eerst uit naar de randen van het slagveld voordat ze hun dodelijke pijlenregens los lieten op de monsters. Ondertussen was de hoofdmacht van het leger gebotst met de anpu en de berserkers. Kreten van pijn en woede rezen al op. Maar de twee alouden leken zich voorlopig nog buiten de gevechten te houden.
‘Let goed op jezelf,’ zei Alexander nog tegen Sappho, vlak voor hij zich ook in de slag wilde gaan voegen samen met de overgebleven cavalerie.
‘Ik denk dat dit eerder geld voor jou. Ik red me wel.’
‘Oké dan.’
Alexander wierp nog een blik op het slagveld en zag dat zijn boogschutters te paard bijna klaar waren met hun aanval. Tijd voor de laatste aanval. Hij blies zijn hoorn en vrijwel direct werd hij beantwoord door die van Hephaistion. Zelf galoppeerde hij toen naar de rechterflank en eenmaal daar stak hij zijn speer in de lucht. ‘Voor de mensheid!’ riep hij en hij gaf zijn paard de sporen. De ruiters kwamen achter hem aan in beweging, sneller en sneller gingen ze tot ze in volle galop over het zand stoven. Ook Hephaistion en zijn ruiters kwam de vijand in volle vaart genaderd. Recht de onbeschermde flanken van het vijandige leger in.

Reacties (1)

  • SonOfGondor

    Die monsters geven me de rillingen...

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen