Foto bij H.147.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Ik weet niet precies waarom ik niet boos ben. Hij heeft tegen me gelogen. Ik wist dat mijn leven in gevaar was, maar ik wist niet dat het zo erg was als dit. Ik had verwacht dat er op een dag een auto voorbij zou rijden, het raam open zou worden gedraaid en ik een kogel door mijn hoofd zou krijgen, maar James heeft me nooit verteld dat ze gedreigd hebben me te verkrachten en te martelen en me volledig kapot te maken voordat ze me eindelijk zouden vermoorden, ondanks dat hij het wel wist. Maar ik ben niet boos. Ik kan alleen maar proberen hem alle troost te bieden die ik in huis heb, want ik weet dat ik hem dat, na al die maanden dat hij dat voor mij heeft moeten doen, verschuldigd ben.

Nadat hij eindelijk gekalmeerd is, is hij zijn excuses aan gaan bieden, zo vaak dat het pijn begint te doen. Keer op keer vertel ik hem dat ik niet boos op hem ben, dat ik het hem niet kwalijk neem, dat hij zich geen zorgen hoeft te maken, maar hij voelt zich zo schuldig dat ik me afvraag of hij het zichzelf ooit zal vergeven. Hij houdt het maar een kwartier vol, maar ik begin me langzaam te beseffen dat ik al jarenlang hetzelfde doe als hij nu doet. Het verbaast me dat niemand ooit tegen me geschreeuw heb dat ik irritant ben.
Nadat we langzaam stil zijn gevallen, beginnen de zenuwen weer gekomen. Ze vullen mijn gedachten als de pest. Ik word met de minuut onrustiger. Het duurt zo lang.
Ik zit voorovergebogen, met mijn ellebogen steunend op mijn knieën. Ik bijt nerveus op mijn nagel, staar zo lang voor me uit dat ik niet eens meer scherp zie. Aan de andere kant van het tafeltje zit James op de stoel. Al ongeveer een half uur ben ik me niet meer héél erg bewust van zijn observerende blik, maar ik blijf voelen hoe zijn ogen op mijn tengere gestalte branden.
Ik zie in mijn ooghoek een dokter voorbij lopen, over de gang waar de wachtruimte aan grenst, en ik kom snel overeind. Voordat James me tegen kan houden, snel ik naar de man toe. Met een bevende hand pak ik zijn onderarm vast en overdonderd kijkt hij me aan.
'Maxwell. Evan Maxwell. Hij is ongeveer zes uur geleden met spoed opgenomen. Weet u hoe het met hem gaat? Alstublieft,’ ratel ik en ik kijk met smekende ogen naar hem omhoog.
James komt snel naar ons toe lopen en haalt mijn hand van de onderarm van de dokter. Hij kijkt me met waarschuwende blik aan en ik hoor hoe hij zijn best moet doen om zijn stem niet te verheffen wanneer hij zegt: 'Gioa, kom gewoon even mee.' Om niet te streng te klinken voegt hij er na een aarzeling aan toe: 'Oké?'
'Alstublieft, ik...' begin ik mijn smeekbede weer, maar mijn stem sterft weg en ik scheur mijn blik weg van de dokter. Beschaamd loop ik met James mee terwijl hij me iets dwingend terug begeleidt naar de kleine sofa.
'Je kunt niet elke dokter die je ziet aanvliegen. De verpleegster zei dat ze het ons zou komen vertellen als we hem mochten bezoeken of als er iets ergs gebeurt. Als je zo doorgaat, roept iemand nog de bewaking.'
'Maar ik... het duurt zo lang en... straks...' sputter ik, maar hij laat me mijn verhaal niet afmaken, al zou me dat zelf toch niet gelukt zijn als hij me de kans wel had gegeven.
'Gioa, dit is al de vijfde keer dat je een dokter een hartaanval bezorgd. Straks moeten we nog weg. Houd je koest, oké? Probeer wat te slapen.'
Ik kijk hem even waterig aan, maar wend dan mijn blik af en knik. Verslagen laat ik mezelf terugvallen op de bank en ik zak weg in de kussens. Met mijn handen in mijn haren ga ik door met wachten.
Een half uur later komt er weer een andere dokter voorbij lopen en ik maak automatisch weer aanstalten om overeind te komen.
'Gioa, niet doen,' zegt James geïrriteerd. Hij kon alleen al aan mijn houding zien wat ik wilde doen.
'James, er klopt iets niet. Het duurt te lang. Dit hoort niet,' stamel ik en mijn stem klinkt bijna smekend, alsof hij het allemaal op kan lossen. Ik zou zo graag willen dat dat kon.
'Ik snap het, maar we kunnen nu niets doen, oké?' Zijn stem is iets milder dan eerst, maar ik hoor dat het nep is. Hij vindt het moeilijk om aardig te klinken. Als James Grint om je geeft, verheft hij zijn stem en raakt hij gefrustreerd en snauwt hij je af. Dat doet hij nu eenmaal. Als hij iets niet op kan lossen wat hij graag goed wil maken, ergert hij zich aan alles wat los of vast zit en zet hij een stem op. Een makkelijk persoon is hij niet, maar hij bedoelt het goed. Bovendien geldt hetzelfde voor mij. We zijn gewoon twee chagrijnige idioten die aan het wachten zijn op een labrador puppy die beter verdient.
Sommige mensen hebben een passie in zich die zo hard schijnt dat het de sterren jaloers maakt, zijn één en al poëzie in een wereld waar men het alfabet nog moeten leren, proberen de gevaarlijken te redden in plaats van dat ze ervoor wegrennen en hebben een glimlach die zo geruststellend is dat het bijna lijkt alsof de wereld niet langer uit pijn en corruptie bestaat. Ik ben niet zo iemand. James ook niet. Evan wel.
'James?' begin ik dan en met een vragend geluidje kijkt hij op.
Ik houd mijn hoofd gebogen en mijn handen liggen op mijn bovenbenen. Ik kan ze niet stilhouden en ook mijn knieën blijf ik wiebelen. Ik durf hem niet aan te kijken, ondanks dat ik voel dat hij wel naar mij kijkt. Het is geen brandende blik. Het is zachter, verkoelend, alsof hij rust met zich meebrengt.
‘Ik heb ergens gelezen dat je botten sterker teruggroeien nadat ze gebroken zijn. Ik weet niet of het waar is, maar ik...’ Ik zwijg even. ‘Laat maar, het is idioot.’
Ik werp hem een korte blik toe en hij blijft me afwachtend aanstaren, wetende dat ik op een gegeven moment wel weer door zal praten als hij maar lang genoeg stil is, ondanks dat hij ook wel weet dat het heel vaag wordt wanneer ik met metaforen aan kom zetten.
Na een tijdje ga ik inderdaad toch weer verder. ‘Ik vroeg me af of, op een bepaalde manier, hetzelfde geldt voor een gebroken hart. Ik bedoel... het is niet... mijn hart is vrij vaak gebroken, op een bepaalde manier. Je snapt wat ik bedoel. Toch?’ Ik wacht tot hij knikt voordat ik verder ga. Ik vermijd zijn blik weer en terwijl ik met doffe blik naar mijn bevende handen staar. Dan murmel ik: ‘Ik... ik vóél me niet sterker.’
Het duurt even voordat James iets zegt en nog altijd durf ik hem niet aan te kijken. ‘Weet je hoe dat komt?’ vraagt hij en bij ieder ander had het beledigend en betuttelend geklonken, maar niet bij hem. Ik schud zachtjes mijn hoofd. ‘Je hebt jezelf de kans niet gegeven om “terug te groeien”, zoals je het noemde.’
Even ben ik stil. ‘Oh,’ zeg ik dan. Dan ga ik overeind zitten en rol ik met mijn ogen. 'Jezus, James. Houd eens op met slim doen en mijn metaforen verpesten.'
Hij trekt een wenkbrauw op. 'Het verpest de metafoor? Hoezo? Wat probeerde je te zeggen? Dat je zwak bent? Want, Gioa, ik kan je vertellen dat je echt een hele hoop dingen bent, maar niet zwak. Geen enkele metafoor die je bedenkt kan dat veranderen.'
Ik maak een gefrustreerd geluid en haal een hand door mijn haar. Het is irritant wanneer hij leugens zo logisch laat klinken.
Ondanks dat ik het antwoord niet wil weten, besluit ik het onderwerp te veranderen en te vragen: ‘Hoe zit het met Matthew? Zit hij nog achter ons aan?’
Hij schudt zijn hoofd en zijn gezicht vertrekt iets, al is het niet veel. Hij kijkt me niet aan wanneer hij uiteindelijk antwoordt.
‘Die andere bende die hen aanviel, heeft ze allemaal vermoord. Allemaal. Niet de hele organisatie, natuurlijk, maar wel iedereen die in dat gebouw was. Het is een wonder dat jullie hebben kunnen ontsnappen.’
‘Is Matthew ook...?
‘Ja,’ zegt hij en hij kijkt me even onderzoekend aan. Net wanneer ik iets wil zeggen, maakt hij me op felle toon duidelijk: ‘Nee. Gioa, waag het niet om medelijden te hebben. Ik zie het in je blik. Als je ook maar voor één moment denkt dat Matthew me nog kan schelen, heb je het goed mis.’
Ik knik. ‘Sorry.’ Ik twijfel even en dan zeg ik aarzelend: ‘Maar als het niet de hele organisatie is... is er dan verder nog iemand die achter ons aan zit?’
Hij schudt zijn hoofd en er gaat een zucht van verlichting door me heen. ‘Nee. Ik ken het beleid van die bende. Matthews vete was een privé conflict. Hij kon de voorraden wel gebruiken, maar het was niet de zaak van de rest van de organisatie. Iedereen die mij echt haatte, is dood.’
‘Dus... dus ik ben veilig?’ vraag ik.
Hij aarzelt. ‘Ja.’
‘Je twijfelde,’ zeg ik beschuldigend.
‘Ik ben het nu eenmaal niet gewend dat je veilig bent.’
Ik laat een schamper lachje horen en schud mijn hoofd. ‘Ik ook niet, om eerlijk te zijn.’

Reacties (1)

  • Luckey

    Hoop het een keer dat ze veilig zijn

    Nu Evan nog!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen