46.

(2024)

      Het meest optimistische scenario was dat hij een uitweg had gevonden en hulp was gaan halen, het meest pessimistische dat hij nog steeds ergens daarbinnen was, misschien ernstig gewond.
      Koortsachtig speurde ze de directe omgeving af. De ladder die in de groeven op de muur paste stond even verderop. Ze daalde af in het afvoersysteem en knipte de zaklamp aan.
      Behoedzaam, met afgemeten passen, begon ze te lopen. Ze passeerde een andere put, vervolgde haar weg tot ze bij een splitsing kwam. Toen ze de bocht om liep, stond ze pal tegenover Rhodes.
      Zijn gezicht was gezwollen en vlekkerig, zijn armen zaten vol was snippers van de maskers. Ze richtte de lichtbundel recht in zijn ogen terwijl ze achteruit schuifelde, in de hoop dat het zijn zicht zou belemmeren en haar ontsnappingskans zou vergroten.
      Afgrijselijk vervormde fragmenten van gezichten dwarrelde neer in het ondiepe water rond zijn voeten. Plotseling had hij een vuurwapen in zijn hand. Hij hief zijn arm op en Audrey realiseerde zich dat hij zich deze keer niet zou laten belemmeren door lawaai of rituelen.
      Er klonk een voetstap die hem even afleidde.
      Nog een voetstap en Audrey’s nekharen kwamen overeind terwijl Rhodes een andere kant op richtte.
      “Hé, oom Aiden.” Styles keek haar strak aan. “Op de grond jij” fluisterde hij.
      Gehoorzaam liet ze zich zakken, ineenkrimpend toen haar slechte been tegensputterde. De zaklamp gleed uit haar vingers, de bundel verstrooide het licht op de sijpelende muren. Tegelijkertijd galmde er een schot door de tunnel. De knal was oorverdovend. Ze werd door paniek overmand. Heel even dacht ze dat Styles geraakt was en meer dan eenmaal, want de kogels vlogen om haar oren en ketsten tegen de wanden af. Rhodes’ groteske gestalte negerend sprong ze overeind, greep de zaklamp en richtte hem op Styles.
      Hij stond nog steeds rechtop, staarde door haar heen alsof ze onzichtbaar was, zijn ogen strak op Rhodes gericht. Er liep een rilling over haar rug. Zo had ze een keer bij een bezoek aan een attractiepark leeuwen zien staren die zich concentreerden op hun prooi. Kil, direct en dodelijk.
      Bij het horen van een verstikt geluid draaide ze haar hoofd. Ze realiseerde zich dat de enige reden waarom Rhodes nog overeind stond was dat de muur hem tegenhield. Met een geluid als van een leeglopende ballon zeeg hij ineen en zakte op de grond.
      Styles stapte langs haar heen en op dat moment zag ze het vuurwapen. Hij had het aldoor in zijn hand gehad, maar in de krappe ruimte had zij in de weg gestaan. Hij schopte Rhodes zijn wapen weg en stak dat van hemzelf in zijn holster. Toen greep hij haar met een krampachtige beweging bij de schouders en trok haar tegen zich aan. “Je bent gestoord, weet je dat?”
      Audrey sloeg haar armen om zijn middel en begroef haar gezicht in zijn hals. “En jij ben griezelig.” Hij had Aiden aan staan staren alsof hij onoverwinnelijk was, had haar haast een hartaanval bezorgd.
      “Ik wilde zorgen dat Growner een goede hoek had om te vuren.”
      “Als je nog een keer zoiets flikt, krijg je van mij een hoek.”
      “Hiermee?” In een soepele beweging had Styles haar vuist te pakken, waarin ze nog steeds het mes had.
      Audrey keek naar het blikkerende lemmet en huiverde. Rhodes had haar ermee willen steken. Ze kon slecht tegen bloed, maar deze keer - voor Styles - zou ze niet hebben geaarzeld het te gebruiken. “Ik had geen pistool” antwoordde ze vlak.
      “Wil je soms zeggen dat je naar buiten bent geweest en weer teruggekomen?”
      “Ik dacht dat jij hier nog lag.”
      Growner verscheen, een geweer in zijn handen, wat Rhodes’ enorme wond verklaarde. Hij schudde zijn hoofd naar Styles. “Je bent hier nu zes maanden, je hebt eindelijk een vrouw en moet je zien wat je aanricht.”
      Styles keek over haar heen naar zijn collega. “Bedankt, Growner.”
      “Graag gedaan.” Growner staarde naar Rhodes en klakte met zijn tong. “Je zou je eigen familie niet neer hoeven schieten.”

Twintig minuten later werd de omgeving afgezet en Manet probeerde - tevergeefs - Campbell in het gareel te houden terwijl Tamara en Rowan zich voorbereiden om naar binnen te gaan.
      “Moet ik echt dat gat in?” mompelde Tamara terwijl ze zich in een overall wurmde en haar haren met een elastiekje in een staart deed. “Ik heb zo’n hekel aan gaten.” Ze begon de ladder af te dalen en wachtte tot Rowan haar haar tas aangaf. “Hé, Styles! Kon je hem nou niet op een andere plek neerknallen?”
      “Zoals waar? Een tropisch eiland?”
      Tamara onderdrukte haar instinctieve angst voor krappe, donkere ruimtes en liep op het lijk af. In elk geval was er nu licht, het leek wel een metrostation. “Dat lijkt me geen straf. Een eersteklas ticket, een glaasje champagne en een duik in de zee na afloop.”
      Ze keek naar het lichaam op de grond en er liep een rilling over haar rug. Hij was op leeftijd, maar slank en gespierd. Zijn gezicht was dik en opgezwollen, leek nog het meest op een rottende aardappel.
      Ze blikte naar Growner, die aan een derdegraads verhoor werd onderworpen door Bower. Ze ving zijn blik. “Ik hoor dat jij hem hebt uitgeschakeld. Je krijgt eindelijk die date.”
      Geschrokken keek Growner naar de strijdlustige uitdrukking op Tamara’s gezicht. Zijn borst zwol op en hij probeerde niet te grijnzen.
      Intussen stond Audrey naar de twee gaatjes in Rhodes’ bovenlijf te staren. In eerste instantie had ze gedacht dat Styles niet had gevuurd, maar dat had hij wel gedaan. Het was onbelangrijk welk schot dodelijk was geweest, want het zou met allebei gelukt zijn. Waar het om ging, was dat Rhodes dood was.
      Even later wemelde het in de tunnel van de mensen en Audrey klom naar buiten, het daglicht in. Na de schemerige klamheid in de tunnel was de zon onvoorstelbaar helder.
      Styles sloeg zijn arm om haar heen. “Geen foto’s.”
      Damian zat op de motorkap van zijn auto, heel ingetogen voor zijn doen. “Was ik niet van plan, al zou je kunnen zeggen dat dit ook het verhaal van mijn leven is, want ik was er van het begins af aan bij betrokken.” Hij keek naar het donkere gat. “Ik ben niet aan het werk, ik kom hier voor Aaron. Ik heb gehoord dat Rhodes dood is.”
      Bij Styles knikje haalde Campbell twee blikjes bier uit zijn zakken, zette er een op de motorkap en trok het andere open. Hij hief het op in een toost, zette het aan zijn lippen en nam een slok. “Op Aaron. Hij zou het vast wel fijn hebben gevonden dat iemand hier een einde aan zag komen.”
      Een stevige bries stak op vanaf het water, blies Audrey’s haren uit haar gezicht terwijl ze zich op de rechterstoel van Styles zijn auto liet zakken. Haar haar was een puinhoop, haar kleren waren opgedroogd tegen haar huid, samen met vegen aangekoekte modder en de stank van de tunnel kleefde nog steeds aan haar. Ze had een douche nodig en nieuwe kleren. Ze versleet er heel wat hier in Lassiter.
      Styles kwam naast haar zitten en startte de wagen.
      Audrey staarde naar zijn profiel, zag het gestolde bloed waar het metalen hek hem net achter zijn oor had geraakt. Dat was de tweede keer dat ze had gedacht dat hij dood was. De eerste keer was doen Jayden Rhodes hen allebei had overreden. Een akelig moment lang beleefde ze opnieuw de paniek toen ze had gedacht dat Rhodes hem had vermoord. Eenmaal zou genoeg moeten zijn in een leven. “Trouwens, ik weet weer hoe ik heet.”
      Hij trapte op de rem. De auto kwam slippend tot stilstand in het vochtige gras. “Hoe dan?”
      “Audrey Matthews.”

Reacties (2)

  • HorseDreamer_

    Dit verhaal is echt zo geweldig goed geschreven! Geeft me keer op keer kippenvel en laat me op het puntje van mijn stoel zitten.

    1 jaar geleden
  • Sunnyrainbow

    Wow mooi!

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen